Partners horen te vechten; Tilburgse choreograaf Hans Tuerlings over Raz, dialect en elfestandjes

De eerste choreografie van Hans Tuerlings voor het nieuwe Brabantse dansgezelschap Raz heet Razbliuto. Binnen drie jaar moet Tuerlings zich met provinciale subsidie bewijzen op landelijk niveau. Tuerlings verwacht van dansers dat ze uiteindelijk op hun eigen gevoel bewegen en zelf oplossingen bedenken, de dans moet intrinsiek kloppen. 'Ik maak altijd eerst de choreografie; muziek is weliswaar inspirerend maar ook beperkend.'

Razbliuto gaat op 22 november in premiere tijdens het tiende Dansfestival van Breda (t/m 4 dec.) in de grote zaal van de Stadsschouwburg.

Na zijn solo valt danser Piet Rogie uitgeput neer, aan de rand van het speelvlak. Marcel Bogers komt op, een kruiwagen vol bakstenen voor zich uit duwend. Hij parkeert het wiel zorgvuldig tegen Rogies flank en kiepert de bak om. De stenen schuren met een onheilspellend geluid tegen elkaar, op het ritme van het zwaar ademhalende lichaam eronder. Razbliuto of de gevoelens die men koestert voor 'n ex-geliefde heet dit gedeelte van Razbliuto, de eerste choreografie van Hans Tuerlings voor Raz, het nieuwe dansgezelschap 'van het zuiden'.

De scene is tekenend voor de onzachtzinnige wijze waarop de dansers in Tuerlings dansstukken vaak met elkaar omgaan. 'Ge hoeft zich geen zorgen te maken, het doet geen zeer', fluistert de choreograaf met een onverbloemd Brabantse tongval. Tuerlings (39) is geboren en getogen in Tilburg; met Razbliuto (Russisch voor 'eersteling') keert hij er na vijftien jaar free-lancersschap elders terug. Op verzoek en met een subsidie van zes ton van de provincie Noord-Brabant richtte hij in juli van dit jaar Raz op, samen met zakelijk leidster Ria Wubben. Het zuiden imiteert het noorden. Evenals zijn ex-vrouw Patricia Tuerlings, artistiek leidster van het Groningse dansgezelschap Reflex, heeft Tuerlings de opdracht met Raz podia te bespelen 'die eigentijdse dans op professionele wijze kunnen en willen presenteren'. Het is de bedoeling van de provincie, dat het gezelschap zijn landelijke belang in 1993 bewezen heeft en vanaf dat jaar door het Rijk gesubsidieerd wordt.

De Brabantse wensen strookten met die van Tuerlings: hij was toe aan een eigen gezelschap. 'Omdat de spoeling steeds dunner wordt, hebben de gezelschappen er belang bij zich te profileren. Oorspronkelijkheid wordt de toetssteen van hun bestaansrecht. Daarom wordt het steeds moeilijker om zowel voor het ene als voor het andere gezelschap te werken, hoe goed je misschien ook bent. Daarbij komt, dat ik er altijd al een hekel aan heb gehad dat er gezegd wordt: daar staan twintig door ons geengageerde dansers, doe het er maar mee. Ik geef er de voorkeur aan mijn dansers, per produktie, op hun persoonlijkheid te selecteren.'

Toneelschool

Eigenlijk was Tuerlings al te oud, 18 jaar, toen hij begon te dansen. Zijn vage wens 'iets' in het theatervak te doen resulteerde in de beslissing naar de toneelschool te gaan, in Maastricht. Zijn verknochtheid aan zijn geboortestad Tilburg doorkruiste dat voornemen: een kennis wees hem op het bestaan van de plaatselijke Dansacademie. Een jaar later verhuisde hij alsnog, naar Rotterdam, om zijn studie voort te zetten bij Lucas Hoving. Mutations van Hans van Manen had Tuerlings definitief gewonnen voor de moderne dans en die was taboe in Tilburg.

In Rotterdam trof Tuerlings 'een broeinestje van creatieve mensen' aan. Hoving en Kathy Gosschalk gaven hem, zijn latere vrouw Patricia en hun medestudent Ton Simons, inmiddels ook choreograaf, alle ruimte. Vanwege een aangeboren knie-afwijking heeft Tuerlings zelf nauwelijks gedanst: hij studeerde af met twee choreografieen. In de loop der jaren maakte hij dansstukken bij Werkcentrum Dans, het Nederlands Dans Theater, Reflex, het Penta-theater en de voortzetting daarvan, Compagnie Peter Bulcaen, waarvan hij samen met Piet Rogie de artistieke leiding vormde. Het groepje stierf een snelle en geruisloze dood.

Hoewel zijn voorliefde voor de moderne dans hem ooit Tilburg deed verlaten, omschrijft Tuerlings zijn eigen stijl liever als 'bewegingstheater' en als 'figuratieve, filmische dans'. 'Ik wil 'in kamers kijken', zoals je in een hotel doet. Op dat principe was I'm a hotel, dat ik voor Reflex maakte, gebaseerd. De camera zoekt en vindt een beeld, zoomt in en dan: cut!, volgende scene. Ik houd van maffe, onvoorspelbare overgangen, precies zoals David Lynch ze maakt in Twin Peaks, de soapserie die de BBC nu uitzendt. De montage van Lynch is een cursus in associeren en het met elkaar confronteren van twee totaal verschillende sferen.'

Uiteenlopend

In Razbliuto maakt Tuerlings dan ook gebruik van drie soorten uiteenlopende muziek: Across the border van Fred Firth, Pretty Ugly van Scherer en Lindsay en Alfred Schnittkes Sonate voor cello en piano. Voor het laatste deel Razbliuto of eerst zien en dan... geloven heeft hij nog geen geschikte muziek gevonden.

'Ik maak altijd eerst de choreografie; muziek is weliswaar inspirerend maar ook beperkend. Ik haat het op elke mop van de melodie een pas te maken. Muziek vormt alleen in het theater, in de eindfase, een extra dimensie. De dans moet op zichzelf staan, intrinsiek kloppen. Mijn volgende choreografie wordt Strawinsky's Sacre, op een adaptatie voor vier piano's van componist Maarten Bon. Ik ga straks een cursus bij hem doen om de structuur van de compositie te leren kennen, maar ik zal de muziek niet in de studio spelen, tijdens de repetities.'

Bij ontstentenis van muziek moeten Tuerlings' dansers op hun 'eigen adem en gevoel' varen. Als daardoor problemen ontstaan op de speelvloer, 'dan moeten ze dat maar op zien te lossen'. Op die vaardigheid selecteert de choreograaf zijn dansers. 'Ik wil, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor elkaar, vooral wat timing betreft. Alertheid en aandacht bepalen de schoonheid van theater. Als die ontbreken, krijg je de aangeleerde poppenkast van Medisch Centrum West. Ik ben ook een voorstander van dialect, om die vergelijking maar eens te maken. Iemand moet zich op de voor hem of haar natuurlijke manier kunnen uiten, pas dan ontstaat souplesse en het geoliede tandwielmechanisme, zoals je dat bij Lynch ziet.

'Ik zeg tegen mijn dansers: je kent de tekst, zeg het nu maar in je eigen woorden. Ik laat ze binnen het door mij vastgestelde sferische kader tot vlak voor de premiere proberen hun eigen vorm te vinden en dan pas dwing ik ze te kiezen. Dansers die dat kunnen, staan boven de techniek en zijn goed. Ik heb een voorkeur voor klassiek geschoolde dansers, omdat die fysiek meer mogelijkheden hebben. Maar de techniek zou alleen als de vingeroefening van een pianist moeten zijn, de bijbehorende elfestandjes haat ik. In Razbliuto spelen ook mimers mee, omdat die beschikken over een bepaald soort spontaniteit, die bij dansers vaak overheerst wordt door de techniek. De interessantste danser is naar mijn gevoel de mimer met een klassieke dansscholing.'

Rauw

Volgens Tuerlings is choreograferen abstraheren. Hij is een bewonderaar van choreograaf Hans van Manen die 'tot het uiterste abstraheert maar toch nog een thema weet aan te brengen', maar ook van het veel rauwere choreografische werk van Ton Simons. Ondanks Tuerlings' streven naar abstractie, maakt hij gebruik van een dramaturgisch adviseur, in het geval van Razbliuto, Robert Steijn. 'Ik wil weten waarom iemand plotseling opkomt of verdwijnt. Dans mag in de eerste plaats over dans gaan, een ballet drukt ook altijd relaties uit. Bij mij zijn waarschijnlijk de relaties zelfs belangrijker. Waarom ontroert Mahler? Diezelfde vraag is op de dans van toepassing. Ik denk niet in scenario's van Pietje-ontmoet-Marietje, maar ik probeer bewegingen wel te analyseren. Het uiteindelijke resultaat is nooit anekdotisch, maar er is wel degelijk een soort verhaal, zoals in een associatieve droom.'

Tuerlings zegt zijn inspiratie niet te putten uit reizen naar Afrika of bezoeken aan de aboriginals maar uit film en literatuur. Vooral dat laatste klinkt vreemd, maar bij voorbeeld Reve biedt hem 'letterlijk vocabulaire'. 'In Een Circusjongen beschrijft Reve hoe een bruut van een vrachtwagenchauffeur de tepel van een meisje afbijt. Op het moment, dat ik zoiets lees, bedenk ik dat een volgend duet een soortgelijke vreemde agressie moet hebben. Met zo'n beschrijving kan ik eindeloos voort, in die zin is dans de stilering van een mentaliteit. Vooral Miller, Komrij, Reve en Celine inspireren me. Ze mopperen zoveel en dat is een manier van zoeken. Elke beweging in A Noeud Coulant bij Reflex was terug te voeren op Celines Brieven aan vriendinnen. Die brieven zijn verbaal geweld. Ik geloof in geweld, in het gevecht, die maken een verhouding gezond. De partners horen hun plaats te bevechten, er wordt naar mijn smaak veel te vaak om de hete brij heen gedraaid. Misschien dat het daarom zo hard toegaat in mijn dansstukken.'

In Razbliuto fungeert danser Marcel Bogers als een dirigent of regisseur. Hij beheerst volgens Tuerlings het terrein en bepaalt wie er opkomt en afgaat. 'Misschien is Razbliuto wel het verhaal van een choreograaf die in Brabant het dansklimaat gaat bepalen. Maar misschien is de voorstelling ook wel een staalkaart van wat wij mooi vinden. Zodat Brabant weet wat het in huis gehaald heeft.'

    • Pieter Kottman