Niet geld, maar werk staat centraal voor De Vries

DEN HAAG, 16 nov. Een week voordat de begroting van zijn departement in de Tweede Kamer zou worden besproken, entameerde minister De Vries van sociale zaken binnen het kabinet 'een serieuze discussie' over de koppeling tussen lonen en uitkeringen. In een brief aan zijn collega-bewindslieden schreef De Vries dat de overheidsfinancien een rol moeten spelen bij de afweging of de uitkeringen de gemiddelde loonstijging volledig moeten volgen.

Onder leiding van vice-premier Kok boden de PvdA-bewindslieden (met uitzondering van staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken) fel verzet tegen dit voorstel. Zij beriepen zich op het regeerakkoord waar slechts twee criteria worden genoemd om te ontkoppelen: een snelle groei van het aantal uitkeringsgerechtigden en een te forse loonstijging.

Waarom schoof De Vries een derde criterium naar voren? Om de koppeling ter discussie te stellen? Om zijn eigen begroting te vrijwaren van de 'grote ombuigingsoperatie' van ruim tien miljard miljard gulden? Neen, zei De Vries gisteren in de Tweede Kamer 'zo subtiel of zo doortrapt zit het niet'. De reden was volgens hem simpel en eenvoudig namelijk 'de ministerraad heeft mij gevraagd na ontvangst van het advies van de Raad van State het wetsontwerp opnieuw in de ministerraad aan de orde te stellen'.

En 'de schrik slaat mij om het hart als ik de berichtgeving lees of de minister van financien hoor zeggen, dat dit kabinet straks een oplossing moet vinden voor de financiele problematiek van tien of misschien wel vijftien miljard', vertrouwde De Vries gisteren de Tweede Kamer toe. Ter discussie stellen van een derde uitzonderingsgrond was volgens hem wat anders dan er een 'pleidooi' voor te houden. Maar hij vond het nodig het kabinet serieus de vraag voor te leggen of men dacht de tussenbalans op te kunnen maken 'zonder schade te berokkenen aan de koppelingen'.

Vorige week vrijdag heeft het kabinet daarover gediscusieerd en deze week leefde het debat over de begroting van sociale zaken op als het woord koppeling ter sprake kwam. De Vries citeerde veel uit het regeerakoord tussen CDA en PvdA. 'De opstellers van het regeerakkoord waren van oordeel dat, naast een verantwoorde opstelling van sociale partners, stabiliteit van de collectieve lastendruk een onmisbare voorwaarde vormde voor een succesvol werkgelegenheidsbeleid en de houdbaarheid van de koppeling.'

Met een cijfermatige analyse onderbouwde De Vries zijn betoog. In de periode 1972-1984 daalde de werkgelegenheid in de marktsector met 400.000 banen. In de periode 1985-1990 steeg de werkgelegenheid met hetzelfde aantal. In beide perioden groeide de voor ons belangrijke wereldhandel met vijf procent per jaar. In de eerste periode werd de koopkracht gemiddeld met 1 a 1,5 procent per jaar aangetast door de stijging van belasting en premies. In de tweede periode werd de koopkracht ondersteund door een daling van de lastendruk met 1,5 procent. Kortom de ontwikkeling van de werkgelegenheid wordt grotendeels verklaard door algemene economische ontwikkelingen.

De boodschap van De Vries is simpel: premies en belastingen (de collectieve lastendruk) mogen niet stijgen. Werknemers zullen hun looneisen hieraan aanpassen; dit is slecht voor de werkgelegenheid en vermindert het draagvlak voor het betalen van de uitkering. Met de 'serieuze discussie' heeft De Vries ten eerste een voorschot genomen op de kabinetsdiscussie over de ombuigingen van ruim 10 miljard gulden en heeft hij ten tweede zijn standpunt richting werkgevers en werknemers nog eens duidelijk willen maken aan de vooravond van de onderhandelingen over de collectieve arbeidsovereenkomsten.

En de bewindsman van sociale zaken kreeg waarom hij vroeg: PvdA-woordvoerder Leijnse toonde zich bereid tot omvangrijke ombuigingen om de koppeling tussen lonen en uitkeringen te handhaven. 'Op het moment dat mijn fractie vindt dat het begrotingstekort en de financiel problematiek geen reden tot ontkoppeling kunnen zijn, zal de problematiek die zich dan voordoet moeten worden opgelost in de uitgaven- of inkomstensfeer van de begroting, los van de koppeling', zei hij dinsdag. Gisteravond voegde hij daaraan toe, dat ook de PvdA-fractie zich gehouden acht aan de financiele randvoorwaarden die in het regeerakkoord staan vermeld. Het financieringstekort wordt in vier gelijke stappen teruggebracht naar 3,25 procent in 1994 en de collectieve lastendruk mag niet stijgen boven de 53,6 procent.

De PvdA-woorvoerder wees eerder op de misverstanden rondom het begrip draagvlak. Afgezet tegen de groei van de actieve beroepsbevolking blijkt de verhouding tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden sinds 1985 niet verder te zijn verslechterd. Het draagvlak voor de sociale zekerheid in personele zin blijft dus gelijk. En de gemiddelde uitkering stijgt minder snel dan het gemiddeld arbeidsinkomen. In financiele zin wordt het draagvlak voor de sociale zekerheid dus breder. Met andere woorden Nederland kan zich het huidige en toekomstige volume in de sociale zekerheid permitteren, mits de groei van het arbeidsvolume onverdroten wordt voortgezet.

Leijnse: 'Wij zijn ons ervan bewust dat een welvaartsvaste uitkering aan bejaarden, arbeidsongeschikten en werklozen alleen gegarandeerd kan worden als het financiele draagvlak verder wordt verbreed. Vergroting van de deelname aan betaalde arbeid is het sleutelbegrip bij de benadering van deze problematiek.' Minister De Vries bleek het gisteren volledig met hem eens. 'Niet geld maar werk behoort primair centraal te staan in dit debat.'