Ncoat aast op Noorse gasleiding; Bedrijf kan behalve de Zeepipe ook Noorse gaspijp naar Emden bekleden

ROTTERDAM, 16 nov. Het principebesluit van Statoil om een nieuwe gaspijpleiding naar het Europese vasteland in Duitsland te laten aanlanden, en niet in de Eemshaven, schaadt het Nederlandse pijpbekledingsbedrijf Ncoat niet.

Dat is de vaste overtuiging van ir. B. J. G. van der Pot, projectdirecteur van Ncoat. Zijn bedrijf aast op de opdracht voor deze zogeheten Euro-pipe van Statoil en hij denkt hoge ogen te gooien.

Ncoat stelde gisteren officieel zijn fabriek op de Rotterdamse Maasvlakte in gebruik, precies op de dag dat de Noorse staatsoliemaatschappij liet weten dat de nieuwe gasleiding Groningen voorbij zou gaan. De onderneming is speciaal opgericht om buizen voor de zogeheten Zee-pipe te bekleden, de tweede pijpleiding van Statoil, die de 800 kilometer moet overbruggen tussen de gasvelden op het Noorse deel van de Noordzee en het Belgische Zeebrugge.

Ncoat bekleedt de komende twee jaar zo'n 43.000 stalen buizen van twaalf meter lang en een meter doorsnee om in totaal 530 kilometer Zee-pipe te kunnen leggen. De rest van het traject wordt bekleed door twee Schotse ondernemingen die, aldus Van der Pot, de enige concurrenten op de Westeuropese markt vormen. Om die reden denkt de projectdirecteur partij te kunnen worden bij de bekleding van de Euro-pipe: zijn bedrijf ligt voor een groot deel van de pijpleiding geografisch gunstiger dan de Schotten. Het relatieve voordeel van Ncoat groeit alleen maar naarmate die leiding nog oostelijker aanlandt dan Groningen. Transportkosten zijn bij dit soort projecten een belangrijke factor.

Behalve dat pijpbekleders aan een dik boek kwaliteitsvoorschriften moeten voldoen, wordt de concurrentie in hoofdzaak uitgevochten op logistiek, een zo doelmatig mogelijke organisatie van de goederenstroom. Wat dat betreft heeft Ncoat niet te klagen. De gevonden lokatie op de Maasvlakte biedt evidente voordelen.

Nadat haar aandeelhouders (Key en Kramer Coatings te Maassluis, de Noorse aannemer Veidekke en HBG-dochters Schokindustrie in Zwijndrecht en Hollandsche Beton- en Waterbouw in Gouda) vorig jaar de opdracht van Statoil verwierven, konden ze namelijk het bedrijfsterrein huren waar het havenbedrijf Frans Swarttouw aanvankelijk steenkool wilde overslaan. Toen dat niet doorging, lag er direct bruibaar terrein braak, met voldoende oppervlakte en een kade aan 12 meter diep water.

Dat was ideaal voor Ncoat, dat schepen met zand en cement aan huis kan ontvangen en beklede buizen rechtstreeks kan laden in bevoorradingsschepen. Dat laatste gebeurt in de zomermaanden van 1991 en 1992, wanneer de zee rustig genoeg is voor het leggen van pijpen. Tegen die tijd moet Ncoat 30.000 buizen klaar hebben liggen, waarvoor het alleen al negen hectare opslagterrein nodig had.

Een voordeel voor de schepen is de ligging van het bedrijfsterrein nabij de Noordzee, wat minimaal tijdverlies betekent. Door stom toeval ligt Ncoat verder nagenoeg naast EMO, het Europees Massagoed Overslagbedrijf, waarvan de pijpbekleders ijzererts betrekken.

IJzererts? Jazeker. De gaspijpen van Ncoat krijgen een roestbruine jas doordat de tien centimeter gewapend beton er omheen vermengd is met ijzererts. Weliswaar een stuk duurder dan grind, maar vooral zwaarder, en dat is belangrijk om de leiding straks niet door het eerste het beste anker van de zeebodem te laten trekken.

Als Ncoat de stalen pijpen ontvangt uit Maassluis waar 150 man bij Key en Kramer Coatings 8 millimeter gewapend bitumen aanbrengt om corrosie van de uit Japan, Duitsland en Frankrijk aangevoerde buizen tegen te gaan wegen ze per stuk zeven ton. Na te zijn omwikkeld met een mengsel van zand, cement, ijzererts en water komt een buis op 22 ton.

De fabriek van Ncoat werd in een half jaar getekend en gebouwd en begon eind augustus te produceren. Het beoogde tempo van acht buizen per uur, tweehonderd per dag, wordt nog niet gehaald, deels door onervarenheid. Weliswaar is het kaderpersoneel afkomstig van de participanten in Ncoat die kennis van pijpbekleding hebben, maar de rest van de tweehonderd medewerkers, die zich met meer grofstoffelijke werkzaamheden bezighouden, moest hiervoor worden opgeleid. Enkelen van hen zijn overigens wel afkomstig van de laatste vergelijkbare fabriek die Nederland kende, een vestiging van Bredero Price in Delfzijl, die evenwel begin jaren tachtig haar deuren weer sloot na afronding van het project waarvoor ze was gebouwd.

Mocht Ncoat er niet in slagen ten minste een deel van het werk aan de Euro-pipe binnen te halen, dan is de fabriek mogelijk hetzelfde lot beschoren. Weliswaar zegt Van der Pot meer ijzers in het vuur te hebben op het Nederlands deel van het Continentaal Plat en nabij Scandinavie moeten ook nog wat buizen de zee in maar in het recente verleden is bewezen dat het investeringsniveau in de off shore net zo wisselvallig is als het weer.

Daar is dan ook rekening mee gehouden. In de aanneemsom van 170 miljoen gulden, waarvoor Key en Kramer en Ncoat het project voltooien, is de bouw van de fabriek inbegrepen. Die heeft 'tussen de 15 en 20 miljoen gulden' gekost, aldus Van der Pot. Als alles volgens plan verloopt, kan de fabriek na het project desnoods worden ontmanteld, zonder dat verlies is geleden.