Na de Zwarte Dood; Studie van Sienese altaarstukken

Henk van Os, met een bijdrage van Gail Aronow: Sienese Altarpieces, 1215-1460. Uitg. Egbert Forsten Publishing, 261 blz. Prijs fl. 70, - (paperback); fl. 90, - (gebonden).

De invloed van de zestiende-eeuwse kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari is op verschillende manieren beslissend geweest voor de perceptie van de Renaissancekunst. Door zijn grote aandacht voor kunst uit Florence (Vasari stond in dienst van de Medici) is juist deze stad naar voren gekomen als het epicentrum van de Italiaanse kunst. Hierdoor is de aandacht voor andere steden met een culturele bloei relatief achtergebleven. Venetie heeft in dit opzicht wel de eer gekregen die de stad toekomt, maar kunsthistorici uit verschillende landen hebben zich pas de laatste jaren ook intensief beziggehouden met Siena. Onder hen neemt de directeur van het Rijksmuseum Henk van Os een vooraanstaande plaats in. Drie jaar na deel een van zijn Sienese Altarpieces, is nu deel twee verschenen. Het omvat de jaren 1215-1460, een periode waarin een cruciaal jaar valt, een waterscheiding voor de hele samenleving en een omslag in de schilderkunst: in 1348 sloeg de Zwarte Dood toe waarbij meer dan de helft van de bevolking ellendig aan zijn eind kwam. Men heeft wel opgemerkt dat kunst na een catastrofe als oorlog, hongersnood of epidemie een dieper religieuze dimensie krijgt of terugkrijgt. Van Os vindt dit maar het halve verhaal. Op zoek naar een meer aardse oorzaak wijst hij erop dat onder die duizenden pestslachtoffers veel patriciers waren, de opdrachtgevers van de altaarstukken. In hun plaats trad een nieuwe toplaag, een groep van nouveaux riches, die er een andere smaak op na hield, andere opdrachten verstrekte en zo de schilderkunst in een andere richting drong.

Verzaagd

Hoewel Van Os bekent dat hij een hekel heeft aan methodologische voorwoorden en liever meteen aan de slag gaat, heeft hij zich toch verplicht gevoeld een theoretische verantwoording af te leggen. Als de opgave van een kunsthistoricus ziet hij het verklaren van veranderingen in vorm en inhoud van kunstvoorwerpen. In zijn onderzoek behandelt Van Os de altaarstukken niet per afzonderlijke kunstenaar, maar naar de verschillende standaardtypen die gangbaar zijn geweest. En zo is het boek ook opgebouwd. Hij bestudeert daarbij vooral de functie van het altaarstuk en dat betekent een grote aandacht voor de 'gebruiker'. Dat zijn de geestelijken van de kerk, de gelovigen op de kerkbanken en de opdrachtgevers, zo men wil 'de sponsors'. Door elk van die typen gebruikers te bestuderen en door te speuren naar veranderingen in de liturgie en in de ideeen van de kunstenaars raakt deze studie de sociaal-politieke geschiedenis van de stad, de theologie en de architectuurgeschiedenis. Deze studie beperkt zich dan ook niet tot de reconstructie van de altaarstukken, waarvan de verzaagde onderdelen wijd en zijd over de wereld verspreid zijn geraakt. Ook de ruimte waarvoor het stuk bedoeld was wordt zo nauwkeurig mogelijk gereconstrueerd. En juist die aandacht voor verbouwingen van kerken en kapellen, voortkomend uit veranderingen in de liturgie, verklaart veel van de veranderingen in de traditie van het altaarstuk. Dank zij deze praktische benadering vanuit verschillende invalshoeken wordt het kunstwerk veel meer recht gedaan en is een leesbaarder en een verklarender boek tot stand gekomen dan een zuiver stilistische beschrijving zou hebben opgeleverd.