Met voorrang

HET HEEFT LANG geduurd, maar eindelijk zijn alle werkgevers- en werknemersorganisaties het eens over een substantiele aanpak van de werkloosheid onder etnische minderheden althans op papier. Na lang touwtrekken hebben partijen een akkoord weten te bereiken over extra inspanningen om aan de bestaande wanverhouding in het werklozenbestand een einde te maken. Eind vorig jaar stond negen procent van de autochtone beroepsbevolking als werkloos geregistreerd tegenover 37 procent van de allochtone beroepsbevolking. De bedoeling van werkgevers en werknemers is dat 'binnen een periode van vier a vijf jaar een evenredige arbeidsmarktpositie van etnische minderheden in vergelijking met de autochtone beroepsbevolking' zal zijn bereikt. Ofwel: zestigduizend arbeidsplaatsen voor etnische minderheden in vijf jaar.

HET IS EEN GOEDE, maar ook een ambitieuze doelstelling. Want, als het om taakstellingen van de 'sociale partners' gaat is de nodige scepsis op zijn plaats. Vanuit de macro-economische belevingswereld in de Haagse vergaderruimtes van de Stichting van de Arbeid zijn de laatste jaren wat dat betreft net iets te veel 'intentieverklaringen' verstrekt en 'inspanningsverplichtingen' toegezegd. Hoe vaak is bijvoorbeeld de laatste jaren niet 'overeengekomen' dat de groei van het aantal arbeidsongeschikten zou worden aangepakt en hoe anders bleek telkens weer de praktijk.

In het nu gesloten akkoord worden van bedrijven met meer dan tien werknemers 'gerichte afspraken' gevraagd met de regionale instanties voor de arbeidsvoorziening. De mogelijkheden om mensen uit etnische minderheden aan te trekken, voor hen beschikbare functies en scholingsmogelijkheden te creeren moeten gezamenlijk worden geinventariseerd. Daarna zal per onderneming een taakstelling worden geformuleerd 'wat betreft het aantal en de aard van de arbeidsplaatsen die bezet kunnen worden door personen uit etnische minderheidsgroepen'.

UITEINDELIJK hangt het af van de ondernemingen. Het gaat in het akkoord immers om 'oproepen' en 'vragen', ofwel om vrijwilligheid. Van een per bedrijf of bedrijfstak opgelegde quotumplicht, de aanvankelijke eis van de FNV, is geen sprake. De grootste vakcentrale is op dit rigide standpunt teruggekomen. Gezamenlijk heeft men geconludeerd dat dwang niet werkt. Banen met voorrang openstellen voor allochtonen die aan de gevraagde kwalificaties voldoen, blijft in de eerste plaats een kwestie van mentaliteit. Zodra er sprake is van dwang dreigt stigmatisering: van hen die moesten worden aangesteld 'in het kader van het stichtingsakkoord'.

Werkloze allochtonen zullen wanneer voor hen de kans op een baan wordt geopend scholingsmogelijkheden moeten krijgen en daar ook gebruik van moeten maken. Bedrijven en instellingen dienen gekwalificeerde sollicitanten uit minderheidsgroepen met voorrang aan te stellen. Totdat de relatieve achterstand is ingelopen. Daarna is voor vormen van 'positieve discriminatie' bij de aanstelling van personeel de reden komen te vervallen. Uiteraard blijft de noodzaak van gerichte hulpverlening aan allochtonen om zo goed mogelijk toegerust op de arbeidsmarkt te verschijnen.