Mei '68 en november '90

Tweeentwintig jaar geleden in mei 1968 waren het de studenten die Parijs op zijn kop zetten en een beweging ontketenden die zelfs de toenmalige president, generaal de Gaulle, even zijn kop deed verliezen. Nu zijn het de leerlingen van de middelbare scholen die in Parijs, en andere Franse steden, in opstand komen.

Is er een verband tussen beide gebeurtenissen? Hebben de twee opstanden dezelfde, of althans soortgelijke, oorzaken? Zal 'november 1990' net zo'n begrip worden als 'mei 1968'? Is de onrust onder de Franse scholieren, evenals die onder de studenten van '68, symptoom van een beweging die de hele Westerse wereld beslaat en straks in Californie, Berlijn en Amsterdam zal uitbarsten, of is zij een typisch Frans verschijnsel?

Een ding is zeker: de opstand der scholieren heeft geen ideologische achtergrond. Ze protesteren tegen afgetrapte schoolgebouwen, te grote klassen, onveiligheid in hun buurten (het zijn de scholieren uit de voorsteden - de Bijlmers van Parijs en andere steden die met die klachten komen, niet die van de oude gymnasia in de binnenstad). Zij protesteren niet tegen het gezag als zodanig: hun ouders en leraren protesteren mee.

Het zijn dus typisch Franse toestanden die het mikpunt van het protest van november '90 zijn, en Le Monde van woensdag schrijft die dan ook toe aan het Franse centralisme, dat sinds Lodewijk XIV onuitroeibaar schijnt te zijn. Duitsland, waar het onderwijs zaak van de Lander is, hoeft niet bang te zijn voor zulke opstanden, en Spanje en Italie zijn ook bezig te decentraliseren. (In Engeland is het onderwijs om andere redenen een puinhoop.)

Aldus Le Monde. Maar een dag tevoren stond in hetzelfde dagblad een interview met de socioloog Edgar Morin, die toch diepere oorzaken aangeeft dan puur organisatorische. 'Onze samenleving is aangetast door een ernstige ziekte', zegt hij (het is alsof we Lubbers horen spreken), en van die ziekte is het onbehagen onder de scholieren een symptoom.

Ze kunnen, zegt Morin, dat onbehagen, dat gevoel van onzekerheid niet onder woorden brengen, en daarom praten ze over afgetrapte gebouwen, te weinig leraren, onveiligheid op straat. Dat zijn weliswaar reele problemen, maar toch zijn het voor de scholieren niet meer dan codewoorden om uitdrukking te geven aan 'een diepere onzekerheid, een gebrek aan leiders, een veel algemener verval'.

En waarom kunnen zij geen naam geven aan die gevoelens en motieven? Omdat alle ideologieen dood zijn. 'In 1968 was het marxistisch-leninistisch jargon de code van de opstand, toen geloofden de opstandelingen in een ideologie die hun de belofte van een heil en een betere samenleving bracht', maar die ideologie is ingestort, en er is nog geen andere. Ze kunnen dus alleen maar om vieze muren en kapotte banken de straat op gaan.

'Wij allen beleven deze reusachtige ontgoocheling, en in deze historische fase waarin de vooruitgang zich in een crisis bevindt en de stralende toekomst dood is, leeft iedereen met zijn neus op zijn bord, denkend dat er geen toekomst meer is. Als we hun woorden decoderen, dan is dat het de toestand van onze wereld in 1990 waarover de scholieren praten.'

Het klinkt dramatisch, zelfs apocalyptisch, maar dat wil nog niet zeggen dat Morins diagnose onjuist is. Maar als hij gelijk heeft, als de rellen in Parijs slechts de eerste rillingen zijn van veel diepere, bijna seculaire stromingen die zich in het onderbewustzijn van onze samenleving verroeren, dan zullen die rillingen zich ook elders dan in Frankrijk voordoen, net zoals de bezetting van het Amsterdamse Maagdenhuis in 1969 volgde op de opstand aan de Sorbonne in 1968.

Van wie moet de redding komen? Van de ouders? Maar die zijn juist vaak de ontgoochelden van 1968. Van de leraren dan? Maar dezen zijn ook de kluts kwijt. De culturele missie die zij in het begin van deze eeuw hadden, om de waarden van de lekencultuur over te dragen, is vervuld. Nu voelen zij zich, 'met de veralgemening van de alfabetisering en de concurrentie van de media, werkelijk gefrustreerd en niet in staat ideeen in discussie te brengen'.

Wat dan te doen (vooropgesteld dat dit beeld niet te somber is)? Van iemand die reeds de capriolen van de generatie van '68 wier erfenis onze universiteiten nog steeds blokkeert vaak met verbijstering gadesloeg, kan geen verlossend antwoord verwacht worden. Trouwens, Morin had, desgevraagd, ook geen antwoord.

PS. Net had ik de laatste woorden geschreven of ik kreeg de tekst van een lezing van Ignazio Silone uit 1947 onder ogen. En wat lees ik? 'Een soort cynische helderheid van geest heeft de mensen van deze naoorlogse periode de naieve illusie uit de tijd na de Eerste Wereldoorlog ontnomen. Diegenen onder de intellectuele jongeren die hun geestelijke honger niet willen stillen door op hun nagels te bijten, vinden geen ander voedsel dan wat magere resten van het geestelijk banket van de vorige eeuw... '

Toen al dus, en toch is er de afgelopen 43 jaar niets vreselijks gebeurd. Wat overigens geen waarborg is dat het altijd zo zal blijven. Het is onmiskenbaar waar dat de instorting van de laatste ideologie en daardoor het onnodig worden van een anti-ideologie een leegte heeft achtergelaten.