Klompen zout tot leven zingen; Het wereldbeeld van Rudy Kousbroek

Rudy Kousbroek: Einsteins poppenhuis. Essays over filosofie I. Uitg. Meulenhoff, 184 blz. Prijs fl. 32,50

Kunst zal altijd een zaak van individualiteit zijn. 'Toms can be Dicks and Dicks can be Harrys, but none of them can ever be you', zei E. E. Cummings, 'there's the artist's responsibility and the most awful responsibility on earth. If you can take it, take it and be. If you can't, cheer up and go about other people's business; and do (or undo) till you drop.' Misschien denkt wel iedereen die dit citaat leest dat het een open deur is. De zoektocht naar het eigen wezen is al een jaar of dertig even populair en gevaarloos als de grande rendonnee en de bijbehorende staat van 'jezelf zijn' onderging een opwaardering die sterk inflatiebevorderend werkte. Vrijwel iedereen schijnt zichzelf te zijn, ja het twijfelen aan jezelf is het sine qua non van de doorgewinterde zelfkenner. In mijn studententijd ontmoette ik ooit een adembenemend mooie theologiestudente die verpest was door het toneelstuk Spinoza van Dimitri Frenkel Frank: 'het komt er niet op aan te twijfelen, het komt erop aan getwijfeld te hebben' iets dergelijks onzinnigs, ik moet het uit het hoofd doen. De verliefdheid gaat daarvan niet over, maar het maakt het er allemaal niet gemakkelijker op. Hoe het zij, jezelf kennen schijnt iets eenvoudigs te zijn.

Een criticus is geen kunstenaar. Hij doet in ieder geval weinig anders dan zich met andermans zaak bemoeien. Hij is niet uit op zichzelf en hij toetst aan min of meer algemene maatstaven van redelijkheid en voorstelbaarheid. Maar nu ik me met het nieuwe boek van Rudy Kousbroek bemoei, doet zich wel degelijk de tobberij voor over de herkomst van opinies. Kousbroek is een van de heel weinige auteurs bij wie ik me steeds afvraag: heb ik het van hem geleerd of heb ik het altijd gedacht? Dat is vooral een compliment aan Kousbroek maar het wil doen uitkomen dat veel van zijn opvattingen vanzelfsprekend voor me zijn. Toch zeg ik soms aardige dingen over schrijvers waar hij helemaal wanhopig van wordt.

Ik denk dat een zekere gastvrijheid een criticus niet misstaat. Elke keer alleen je eigen paadje langs gaan met een papierprikker, das kann jeder. Het viel mij op dat Kousbroek, toen hij Maarten 't Harts poetica reduceerde tot zijn krenterigheid juist 't Harts gastvrijheid voor zeer uiteenlopende auteurs niet als zodanig herkende. Een criticus is gehouden aan het tot zijn recht laten komen van iemand anders, een bezigheid die wel eens in strijd komt met het uitventen van eigen maatstaven. Kan het zijn dat hier de ambiguiteit tussen de criticus en de kunstenaar Kousbroek parten speelt?

Niettemin, als er iemand in Nederland het verschil tussen die twee teniet lijkt te doen, is hij het wel. Wetenschap, filosofie, techniek de onderwerpen wederom van zijn nieuwe boek zijn voor hem in eerste instantie kwesties van esthetiek. Als anderen zoiets proberen men leze Mulisch, of liever, men beperke zich tot wat Kousbroek over Mulisch zegt, dat is tenminste leesbaar loopt de wetenschap daarbij grote averij op. Bij Kousbroek lijkt de criticus niet ondergeschikt aan de kunstenaar, zijn boodschap lijkt van een heel andere orde. Hij weet dat wetenschappelijke creativiteit, dat het mooi vinden zelf altijd iets irrationeels is, maar daar houdt het niet op wat hem betreft, daar begint het pas. Er zijn voor Kousbroek twee verschillende vormen van esthetiek, een gebaseerd op passieve gevoelens van ontzag tegenover het onbegrijpelijke en een verbonden aan redelijk inzicht, aan begrijpen met het verstand. Aan die eerste esthetiek heeft Kousbroek naar eigen zeggen een broertje dood.

Voor Kousbroek is die eerste esthetiek een vorm van gemakzucht, een capaciteit, in zijn eigen woorden, om zichzelf te bedriegen. De ethiek van de wetenschap en nogmaals, voor Kousbroek zijn ethiek en esthetiek vrijwel hetzelfde is volgens hem: 'wat gij met anderen doet is tot daaraantoe, maar uzelf zult gij niet belazeren.' Het is een prachtig gebod, daar niet van. Maar zelfs als het uit de mond van Kousbroek komt, vraag ik me af: kan ik er aan gehoorzamen? Kan hij het zelf?

Gevangenen

Laat dit gezegd zijn, hij maakt het zich in zijn bestaan niet gemakkelijk. Als zijn getob niet ons genot zou zijn, zou je hem adviseren het wat kalmer aan te doen. Het leven lijkt Kousbroek veel op een straf, elk mens komt uit het niets, gaat nergens heen en is onverdraaglijk eenzaam. Verliefdheid, dieren en kunst, het zijn middelen tot troost, maar als je Kousbroek moet geloven staan ze zo'n beetje gelijk met het luchten der gevangenen. Ik neem hem overigens helemaal serieus als hij zijn wereldbeeld beschrijft, maar hij heeft het nadeel dat hij de intensiteit van zijn verliefdheden, de troost van dieren en de zin van de kunst zo goed weet over te brengen dat het allemaal toch wel dragelijk schijnt. De somberheid van dat wereldbeeld is ook niet zo uitzonderlijk, je vindt die ook bij sterk van Kousbroek verschillende 'denkers' als Karel van het Reve en Dick Hillenius. Hillenius begreep dan ook niet waarom hij zo vrolijk bleef en veronderstelde dat het een genetische kwestie was.

Een mooi voorbeeld van die troost is het prachtige stuk in deze bundel, getiteld 'De lach van het raderwerk'. Hierin stelt hij zich de vraag of de mens een machine is. En hoewel hij die vraag niet echt beantwoordt, houdt hij staande dat in ieder geval niet het bezit van 'geest' het onderscheid uitmaakt. Een machine die zo goed ontworpen is dat ze iedere ondervraging of test inzake het hebben van gevoelens doorstaat, moet verondersteld worden die gevoelens echt te hebben. Dat wil zeggen, er is geen verschil tussen een mens die zegt pijn te hebben en een machine die dat zegt. Dat zegt wat over Kousbroeks opvattingen over communicatie. Die is nagenoeg onmogelijk. Toch, wie zijn liefde voor machines ook weer uit deze bundel verneemt, moet wel concluderen dat die emotie, wat voor machientjes het ook zijn, met een pomp of een hart, klompen zout tot leven zingt.

Hetzelfde geldt voor zijn opvattingen over symboliek, of die nu religieus is of in kunstwerken zit. Wat Kousbroek gelovigen onder andere verwijt is dat ze symboolblind zijn, dat wil zeggen dat ze symbolische voorstellingen letterlijk nemen. En dat berooft die symbolen juist van hun troostende werking. Volgens Kousbroek weerspiegelt de symboliek het onafwendbare, meer niet: maar brengt het blijkbaar in een vorm die ons in staat stelt het te verwerken. Om het eind te citeren van het essay 'Het woud der symbolen', dat de grootste indruk op mij heeft gemaakt: 'Gevoelens van zwaarder kaliber, maar voornamelijk de minder vrolijke zoals vergeefsheid, verlatenheid, verlies en dood, verdriet en pijn en het voorbijgaan van de tijd, treden op in een andere gedaante, maar blijven op een duistere manier herkenbaar. Die gedaante kan niet meer zijn dan een paar woorden of niet minder dan een volledige roman. Zij veranderen aan die roman op zichzelf niets, zij veranderen geloof ik meer iets aan degene die er kennis van neemt.'

Kousbroeks probleem is dat hij ook een zaak te verdedigen heeft. Hij denkt dat wetenschap en techniek goed zijn voor de wereld maar hij ziet zich omringd door obscurantisten die geen flauw benul van wetenschap hebben en door hulpeloze sukkels die geen stekker aan een snoer kunnen zetten. Het is vooral de hautaine onwetendheid van 'de alpha' die hij haat. Hij illustreert die aan de hand van bijvoorbeeld de opvattingen van K. L. Poll en Andreas Burnier. Nu ben ik van mening dat die twee de wetenschap verwarren met niet ter zake doende bijverschijnselen, maar de vraag is of er zo hardgrondig gekankerd moest worden als Kousbroek deed. In feite is de wetenschap bij Poll en Burnier niet meer dan een foute metafoor, ze hebben de verkeerde symboliek, maar daarmee zijn het nog geen gevaren voor het vrije westen of noem maar iets omvangrijks conform de maat van de woede.

Daar staat tegenover dat er heel veel mensen zijn die precies weten hoe wetenschap en techniek werken en die niets goeds voorhebben met Kousbroeks gevoel voor schoonheid of zijn idee van een leefbare wereld. Maar het belangrijkste is nog wel dat vele honderdduizenden die nooit gehoord hebben van de Logic of scientific discovery dagelijks het common sense-realisme van Popper in praktijk brengen en al generatie op generatie, voor zover de techneuten het hen mogelijk maken, hun eigen stekkers aanzetten en broodroosters repareren.

Kousbroek heeft de kritiek tot kunst gemaakt, hij is niet alleen een criticus en een realist, hij is evenzeer een romanticus en een individualist pur sang. Hij heeft de neiging de werking van ideeen te overschatten en er vriendschappen voor op het spel te zetten. Dat is bewonderenswaardige hardheid, het is ook een beetje zelfbedrog.