In het rijk der zinnen

Van Michael Hofmann (1957) verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij Nachten in het ijzeren hotel (1983) vertaald door Remco Campert en Adrienne van Heteren. Binnenkort verschijnt de bundel Stekels, in vertaling van Anneke Brassinga.

Een verplicht nummertje, onze eerste nacht,

daarna altijd maar niets ...alleen grapjes en missers,

koud water, weee zeep en slaap die uitblijft.

We schrijnen van moeheid, beschaamd om ons vuil.

We raken bij de dagen achter, ons nachtbrakersgestel

worstelt met rook, bezienswaardigheden, consommations.

De gele Citroen schrikt wakker en vult zijn longen,

een kapitale zwartwitte bastaard doet ons uitgeleide.

De weg rondt het vliegveld als een startbaan op drift.

Dalende vliegtuigen doen of ze ons te grazen nemen.

Soms splitst de weg, de ene helft laag bij de grond,

de andere opeens bult mijn angst voor zweefbruggen.

Verderop lees ik de simplistische verticale belettering

op Ariane, de onbemande Europese raket, zijn huidkleur

onschadelijk beige als koffieverkeerd, terugvallend

op aarde na tachtig seconden, onnut zelfs voor de weerman

. .

's Avonds laat zijn we terug, mijn ogen op steeltjes,

de bries striemt ze tot stijve pieken van branderigheid

starend, starend naar de lichtreclames, Gruppensex,

Massage Bar, een vrouw, borsten ontbloot om af te koelen

. .

De kat heeft als welkom het huis volgesproeid.

Lust schrijnt zijn stem haast tot sprekens toe

als de volksmennersmuziek, live op de grammofoon,

cynisch, manipulerend; hij weet waar hij heen wil.

Te gespannen voor seks, te traag om te doden,

niets is luider dan het vibrerend duet van de duiven

in hun nis op het dak, dan de uren die hij verstrikt

in een struik zat, flemend naar een buurtschone.