Ik ken de vormen van mijn verzet; K. L. Poll, Groninger, Dordtenaar, Leidenaar

Woensdag 14 november overleed K. L. Poll (1927), dichter, essayist, redacteur van Hollands Maandblad en tot een jaar geleden chef van de kunstredactie van deze krant. 'Hij bood zijn lezers niet alleen ideeen aan maar stelde hun een manier van leven voor, opmerkzaam en onderzoekend, in ongeloof tegenover de voorschriften van culturele en administratieve autoriteiten, ' schrijft J. J. Peereboom, die meer dan veertig jaar met hem bevriend was.

Een portret van Bert Poll zou als achtergrond een vergezicht op Dordrecht mogen hebben. Niet dat hij vaak sprak over de achttien jaar van zijn leven daar, maar die waren zijn jeugd, en hij was het soort mens dat zich steeds blijft herinneren hoe de wereld toen onthuld werd. Dat wij dat van hem weten kwam ook weer niet doordat hij het er veel over had. Hij drukte het uit volgens het principe van de omweg, dat hij in een kort essay heeft beschreven als de poetische manier van benaderen van de werkelijkheid: in gedichten over kinderen, gewoonlijk die van hemzelf.

Maar verwondering over alles

wat zij deden, hoe gewoon ook,

kwam juist die avond in hun hoofd

op.

Het verlengstuk van zijn jeugd was zijn studietijd in Leiden. Hij schreef toen al, en hij vervulde functies in het corpsleven waarvan de aanzienlijkste en best passende was het lidmaatschap van de lustrumcommissie voor 1950. Organisatie, plechtigheid en scherts, en C'est si bon gezongen in een Frans cafe op het Gerecht of was het het Pieterskerkhof: dat was de juiste toon voor hem om afscheid mee te nemen van zijn jonge jaren.

Waarschijnlijk was er toen al meer van de strenge, ondernemende en weerbare natuur van later aan hem te zien dan het lijkt wanneer wij hem ons na veertig jaar nog eens proberen voor te stellen. Hij was een Groninger van huis uit, en dat konden mensen die later met hem in conflict kwamen makkelijk geloven, maar hij was er een met omwegen in zijn gedachten. Een Groninger op friezen, staat er in een gedicht over zijn vader op schaatsen: dat was het soort woordenspel waarmee hij zijn wereldbeeld verluchtte.

De spelende, spottende, springerige jongen Poll van vroeger had zich nooit een heel leven lang kunnen handhaven. Misschien had hij iets meer op de voorgrond kunnen blijven als de relaties met de maatschappij soepeler geweest waren. Hoe kwam het dat ze soms zo verstoord raakten? Lag het aan de Groningse stugheid of aan de Hollandse humeurigheid? Niet aan een van beide op zichzelf, waarschijnlijk: ze reageerden af en toe heftig op elkaar.

Na het lustrum werd mr. K. L. Poll ambtenaar op het ministerie van buitenlandse zaken, een behoorlijke betrekking voor een Leidenaar maar niet voor dit type Groningse Dordtenaar. In 1954 begon hij in de journalistiek, bij Het Vaderland in Den Haag. Hij bleef er elf jaar: eerst versloeg hij er van alles, maar geleidelijk drong hij op naar literaire en culturele zaken. In 1965 vond het Algemeen Handelsblad hem geschikt voor de post van redacteur letteren. Vijf jaar later, bij de fusie met de NRC, werd op zijn voorstel het Cultureel Supplement ingevoerd, met hem aan het hoofd.

Zijn status in de Nederlandse literatuur werd toen allang niet meer uitsluitend door de krant bepaald. Op 20 mei 1959 was het eerste nummer verschenen van het Hollands Weekblad, tijdschrift voor literatuur en politiek, waarvan hij de enige redacteur was. De aanduiding van een weekblad als tijdschrift is ongebruikelijk; eigenlijk zag het Weekblad er dan ook uit als een maandblad dat wekelijks verscheen, om zich te onderscheiden van andere maandbladen en om zich eerder te kunnen uitspreken over de politieke actualiteit.

In de praktijk bleek het denktempo van de medewerkers toch afgestemd op een maandelijkse verschijning, en eind 1962 werd het blad het Maandblad dat het sindsdien gebleven is. Een tweede belangrijke reden was dat het zelfs een redacteur als K. L. Poll te veel werd om zonder hulp iedere week zo'n nummer te laten verschijnen terwijl hij ook zijn werk aan de krant moest doen. Hij probeerde even met een paar mederedacteuren te werken, maar dat beviel hem niet en hen ook niet. Hij deed het liever op eigen kracht.

Voldoening

Het oktobernummer van dit jaar van het Hollands Maandblad, het laatste dat Bert Poll gezien heeft, was nummer 515. Dertig jaar lang heeft hij dat werk gedaan voor zijn plezier, dat wil zeggen zonder noemenswaardige honorering. Hij heeft bijdragen gevraagd, bijdragen afgewezen, drukproeven gecorrigeerd, aanvallen beantwoord, met stichtingsbesturen gepraat, campagnes en premies bedacht om abonnees te winnen, en nooit vrij kunnen nemen om er een paar maanden niet aan te hoeven denken. De hoeveelheid tijd en energie die er aan zulk werk besteed moet worden kan haast niemand zich voorstellen zonder het zelf eens geprobeerd te hebben, maar hij vond het al die moeite waard. Iedere keer dat ik een nieuw nummer in mijn handen heb, zei hij, voel ik een voldoening alsof ik het allemaal zelf gemaakt had.

Volgende maand wachtte hem een plechtigheid waar hij met zwier en met gemak in zou zijn opgetreden: de uitreiking in Den Haag van de G. H.'s-Gravesandeprijs van de Jan Campertstichting voor zijn rol in de Nederlandse literatuur met het Maandblad. Niet dat hij een prijs nodig had om overtuigd te worden dat zijn tijd aan het Maandblad goed besteed was, met de medewerking van kleine en grote, beginnende en doorgewinterde schrijvers en geleerden, en over het algemeen met het respect en de bewondering van degenen die niet meededen.

De plaats van Bert Poll in de Nederlandse literatuurgeschiedenis van de laatste dertig jaar is verzekerd door zijn redacteurschap van het Maandblad, maar dat is niet de enige aanspraak die hij maakt. Het is het enige wat bijna niemand anders gedaan heeft of had kunnen doen, vandaar dat het in de eerste plaats ter sprake komt. Culturele Supplementen bedenken en er leiding aan geven is ook verdienstelijk, maar minder zeldzaam. Aangenomen kan worden dat zijn bekendheid bij het publiek buiten de kringen van schrijvers meer kwam van zijn rol bij NRC Handelsblad dan van die bij het Maandblad. Daar wist iedereen van, en de mensen spreken soms alsof hij een vertrouwde was over hem als Karel Poll, omdat de voorletters zo klinken en omdat het best juist had kunnen zijn.

Tegelijk heeft hij met het CS in beperkte kring veel meer verzet opgeroepen dan met het Maandblad. Waarom dat zo was begrijpt misschien niemand goed. Als onderneming was het CS geslaagd; het heeft nooit te klagen gehad over belangstelling, dus niemand kon beweren dat Poll niet begreep hoe hij zoiets aan moest pakken. Waarschijnlijk kwamen de bezwaren tegen zijn rol erbij voort uit de combinatie van een soort anti-regeringsgezindheid met grieven van schrijvers en anderen die zich door recensies te kort gedaan voelden. Niet dat het CS iets met de overheid te maken heeft, maar het is zelf een bron van gezag met een persoon van gewicht aan het hoofd en de gelegenheid om buitenstaanders te negeren en te kleineren. Wat gaf die persoon van gewicht het recht om zoveel lakens uit te delen, jaar in jaar uit? Soms zeiden mensen onomwonden dat de leiding van het CS vervuld was van partijdigheid en wraakgevoelens. Andere mensen merkten daar niets van, ook niet binnenshuis op de redactie. Wie zal er ooit iets van concretiseren? Er zou een studie van gemaakt moeten worden, om misschien in enkele gevallen woorden en werkelijkheid op een lijn te brengen.

Verbeeldingskracht

Het project zou ter hand genomen kunnen worden door de Vereniging voor O K en W, ook alweer door Poll opgericht. Het is tot nog toe het minst prominente deel van zijn culturele nalatenschap, maar bij tijden ook een levendige organisatie, met een motivering die veel twijfelaars aanspreekt zonder hun twijfel totaal te overwinnen. Wat verloren dreigt te gaan, schreef hij in Een Dienstreis voor Burgers in 1976, 'is de bereidheid om op basis van vrijwilligheid bij te dragen in de vorm van tijd, geld, energie, verbeeldingskracht aan het cultiveren van al die abstracte waarden die met elkaar de kwaliteit van een cultuur bepalen'. Daar was de oprichting van de Vereniging een vervolg op, met een nog maar klein beroep op de bereidheid van de burgers. Zoiets lukt nooit, zeiden sceptici, maar vervolgens herinnerden zij zich eerdere ondernemingen van de oprichter: en inderdaad, de Vereniging duurt voort.

Ten minste een praktisch voorstel van Polls essayistische werk heeft dus een toepassing gevonden. Wat hij verder teweeg gebracht heeft is moeilijk vast te stellen, maar hij was meestal op de praktijk gericht, dat wil zeggen hij bood zijn lezers niet alleen ideeen aan maar stelde hun een manier van leven voor, opmerkzaam en onderzoekend, in ongeloof tegenover de voorschriften van culturele en administratieve autoriteiten. 'Wie de onafhankelijkheid prijsgeeft, is verloren voor de literatuur. Hij zal nooit meer iets goeds schrijven en hij zal nooit meer iets goeds lezen' ('Het contract met de lezer' in Het Principe van de Omweg, 1980).

Er staat een prikkelend voorbeeld van zijn eigen onafhankelijkheid in een van zijn laatste essays (in De Gouden Lamp, 1989): een verdediging van de denkwijze van Busken Huet tegenover Multatuli, die bij de meeste lezers een hogere notering geniet. Daar geeft hij een heldere argumentatie en een reeks voorbeelden uit Het Land van Rembrandt die zijn lezer aan het nadenken moeten zetten. Een van de consequenties zou kunnen zijn dat wij ook uit zijn eigen werk zo'n reeks voorbeelden gaan opstellen, en ons beginnen af te vragen of wij die stukken wel goed gelezen hebben toen zij verschenen en hun auteur nog leefde.

Om dat naar behoren te doen zullen wij ons meer tijd moeten gunnen dan een dag na zijn dood, overvallen door de vrees dat wij hem te kort gedaan hebben. Er staan telkens zinnen in zijn werk die met plezier geciteerd kunnen worden. Soms liggen zijn argumenten te dicht voor de hand en klinken zij als de consensus die onder intelligente lezers bij voorbaat al bijna bestond. Misschien moet het werk uitgedund worden, niet zinsgewijs dan maar stuksgewijs, zodat wij alleen de indringende en scherpst geformuleerde gedachten overhouden.

Op een soortgelijke manier, maar met nog meer aandacht, zullen wij heel wat van zijn poezie kunnen overhouden: uit De Logica van november, waarin in 1975 veel uit vroegere bundels was opgenomen; uit Anna van 1985, de gedichtenreeks die hij heldhaftig ging voordragen in een aantal Nederlandse theaters; uit De Wil van de Natuur van twee maanden geleden, op het ogenblik beklemmend om te lezen.

Ik ken de vormen van mijn verzet.

Zij blijken tot mijn spijt

ontoereikend.

Ook deze vorm. Ik ga ten onder waar

ik bij sta.

Toch was het leven een paar jaar geleden soms opgewekt en opwekkend, als Bert mensen bij verrassing ontmoette, of als hij zijn hele redactie met medewerkers bij zich thuis ontving, waar hij altijd goed in was. De stem met zijn hoogstpersoonlijke buigingen, het ingehouden lachje wanneer hij geen tijd had maar ook geen zin, de luisterende houding met een gekromde wijsvinger onder tegen zijn neus, het snelle opstaan met zijn handen een eindje van zijn heupen af, en dan al het werk dat hij achtergelaten heeft, plus die 515 week- en maandbladen wij moeten niet klagen over wat er van hem resteert.

Al heeft het verhaal van zijn rol in de Nederlandse samenleving aanvullingen nodig, er is genoeg materiaal om daar iets van te maken. Hoe de Groninger, de Dordtenaar en de Leidenaar aan elkaar pasten zal misschien nooit overtuigend te beschrijven zijn; maar zij waren iemand.