Hoeveel kilo weegt de dichter?; Rondborstige verzen van Luuk Gruwez

Luuk Gruwez: Dikke mensen. Uitg. De Arbeiderspers, 56 blz. Prijs fl. 29,90.

Vlaamse dichters debuteren jong. Het had niet veel gescheeld of Luuk Gruwez had al op vijftienjarige leeftijd, in 1968, zijn debuut gemaakt bij De Bezige Bij. Het kwam er uiteindelijk net niet van. Zijn eerste bundel zou pas in 1973 verschijnen, onder de titel Stofzuigergedichten, bij de Brugse uitgeverij Orion, vier jaar later gevolgd door Ach, wat zacht geliefkoos om een mild verdriet. Gruwez was toen inmiddels al, of nog maar, 24 jaar oud, maar als dichter nog steeds te jong: later zou hij beide bundels als mislukt jeugdwerk verwerpen.

Maar toen was het kwaad al geschied. Gruwez was op grond van zijn eerste twee bundels keurig ingelijfd bij de neo-romantiek en terecht, gezien alleen al de licht ironische en nostalgische bundeltitels. Zijn poezie stemde zelfs zozeer overeen met de dichterlijke tijdgeest dat Hugo Brems de titel voor zijn overzicht van twintig jaar Nederlandse poezie aan het werk van Gruwez kon ontlenen. Tussen 1960 en 1980 manifesteerde de poezie zich volgens Brems 'als een weerbarstig anachronisme', naar deze regels uit Gruwez' tweede bundel:

als een weerbarstig anachronisme

in een hopeloos verkeerde tijd

dient zich dan

de dichter te gevoelen.

Gruwez moest na zijn jeugdzonden dus in zekere zin opnieuw beginnen. In zijn twee volgende bundels (verschenen in 1981 en 1985, bij Manteau) schreef hij zich langzaam weg van de onversneden romantiek om in de buurt van een veel gemeleerder soort decadentie uit te komen: van Piet Paaltjens naar Karel van de Woestijne, om twee namen te noemen die met de vroegere en de latere Gruwez in verband zijn gebracht. Minder ironie, minder strakke versvorm, minder nostalgie. Meer nuance, meer sensualiteit, meer fin-de-siecle. Zo schoof zijn poezie op in de richting van die van Gerrit Komrij, Rob Schouten en Anton Korteweg, en zo valt het te begrijpen dat Komrij Gruwez in de herdruk van zijn bloemlezing een plaats gunde, en wel meteen met vijf gedichten.

Het pleit voor Gruwez' wendbaarheid dat hij zich na De feestelijke verliezer (1985) niet opsloot in het einde van de vorige eeuw, maar naar nieuwe wegen zocht. Even leek het erop alsof hij in het kamp der Maximalen binnengehaald kon worden. Zijn essay 'Pathos en schaamte', gericht tegen de bloedeloosheid van veel hedendaagse poezie, werd met instemming overgenomen in De Held maar dat tijdschrift bestaat niet meer, de Maximalen zijn verstrooid geraakt, en ook Gruwez wil natuurlijk vooral zijn eigen gang gaan. Toch valt er wel iets voor te zeggen om zijn nieuwe poezie, verschenen bij zijn nieuwe uitgever De Arbeiderspers, te karakteriseren als een curieuze kruising tussen maximalisme en fin-de-siecle, waaraan toegevoegd enige resten romantiek.

Deze ingredienten zorgen voor lijvige, goedgevulde, rondborstige verzen want men noemt zijn bundel niet ongestraft Dikke mensen. Deze dikke mensen worden ons in het tweedelige titelgedicht voorgesteld als degenen die alles van de liefde weten, 'tot in de meest verloren uithoek van hun lijf, /de katakomben van hun vlees.' Zij zijn 'tot in hun laatste kilo ridikuul/op zoek naar al het zoets der liefde.' Toch gaan zij, en dat wordt in beide delen van het gedicht benadrukt, gebukt onder droefheid, nietigheid en eenzaamheid. Dat lijkt mij dan de kwestie te zijn waar het hier om draait: ook al is men nog zo lijfelijk aanwezig (Gruwez heeft het over 'zo'n kleine honderd kilo'), men blijft een broodkruimel op de rok van het universum, en men zal straks even goed 'de glijbaan naar het graf afgaan.'

Zo'n gedicht roept tal van vragen op, zoals 'Hoeveel kilo weegt Luuk Gruwez zelf?' en 'Wat wil de dichter hiermee zeggen?'. Niet veel, denk ik, waar het de laatste vraag betreft. Gruwez schrijft niet zozeer met een diepere bedoeling; hij schrijft meest aardige, goedronde gedichten die als mooie verhalen of droevige liederen genoten kunnen worden. Volgen wij het kilo-thema, dan krijgen we nergens de indruk dat er iets verborgen moest worden. De nadruk ligt nogal eens op 'het lichaam' en 'het vlees'. Er is een ballade van een varken uit Cassel: 'ik ben voor grote maten in de liefde./ik knor verliefd op trog en zeug.' Er zijn de fantasieen van een garderobejuffrouw die graag snuffelt aan de kragen van de overjassen van dikke mannen. En zelfs het slotgedicht, een in-memoriam-patris, blijft iets luchtigs en afstandelijks houden door de aandacht voor de vele kilo's van de overleden vader en door het afgesleten woordspel met gram:

ik moest het altijd beter doen,

nooit goed in woede en in moed,

zelfs onderdanig aan je lijk:

dat waardig lijk dat vader bleef

en waar geen gram van rest.

De drie afdelingen van de bundel ('Minstens mij', 'Alle anderen' en 'Duurzame doden') suggereren een thematische scheiding, maar in de praktijk valt het wel mee. Eigenlijk nemen alle gedichten, ook die met een intiemere aanleiding, het karakter van afstandelijke portretten aan. De aardigste gedichten zijn dan ook te vinden in de afdeling die zulke portretten wil geven, de middelste. Daar is het licht absurdistische verhaal van de handelaar in handen te vinden, en van de man die betaald wordt om op feesten en partijen interessant te zwijgen, een mooie, beeldende uiteenzetting over het verschil tussen een populier en een knotwilg en het vrolijke lied van de geile postbode, dat als volgt begint:

ik ben de soepelste der postiljons

en heb mijn brievenbussen innig lief.

ik heb de knapste knieen en de beste

rug,

omdat ik zo begaafd in buigen ben.

Dit is poezie die niet ontroerend wil of durft te zijn, ook niet larmoyant, nergens al te ironisch en evenmin al te geestig: poezie met een buikje, die haar toevlucht zoekt in wijsheden waar men alle kanten mee op kan: 'het lichaam groeit eendrachtig zonder doel', 'het lichaam is een eenzaam ding', 'er is geen face-lift voor de ziel' en 'alleen wat weerloos is en eindigt/verdient een voortbestaan.' Hier is nog niet te vinden wat Gruwez blijkens zijn essay 'Pathos en schaamte' zo hevig mist in de poezie van het moment: 'lust, sensualiteit die een streling is voor het oog, die smelt op de tong, die het oor in vervoering brengt en die duizelen doet.' Maar zijn verlangen naar een poeziekritiek 'die durft te schrijven wat zij echt vindt' kan nu al wel ingewilligd worden: ik vond er niet veel aan.