Gezamenlijke energiemarkt geen prioriteit Lubbers

Komt het ooit tot een Europese energiegemeenschap? Merkwaardig genoeg dreigt minister-president Lubbers zelf de belangrijkste doodgraver te worden van het voorstel dat hij vijf maanden geleden in Dublin indiende en waarover ik op 13 november in deze krant schreef. Die gedachte dringt zich op, als Lubbers' voorstel wordt vergeleken met de toespraak die hij op 25 oktober op een energiesymposium in Brussel hield. Misschien heeft Lubbers destijds in Dublin een onrijp voorstel op tafel gelegd. Dit zou interessant zijn met het oog op de actuele discussie over de bevoegdheden van de premier in relatie tot die van de andere ministers. Lubbers had namelijk zijn oorspronkelijke voorstel nogal solistisch voorbereid. De kwaliteit heeft daaronder wellicht geleden.

Het was al opvallend dat de minister-president in Dublin niet opriep tot de vorming van een gemeenschappelijke energiemarkt. In zijn Brusselse toespraak repte hij ook niet meer van een 'Europese energiegemeenschap'. Het werd zonneklaar dat de vorming van een gemeenschappelijke energiemarkt naar het model van het EEG-verdrag niet zijn prioriteit is, om het even of het nu de Europese Gemeenschap of een groter Europees verband betreft.

Op nog andere wijze kleedde Lubbers in Brussel zijn oorspronkelijke voorstel uit. Hij legde nu de grootste nadruk op energiebesparing, door hem aangeduid als 'eigenlijk de grootste energiebron', en schoof de ontwikkeling van nieuwe gas- en olievelden in de Sovjet-Unie 'op de wat lange termijn'.

Vergeleken met zijn Dublinse memorandum was Lubbers in Brussel minder vaag over de institutionele vormgeving van de beoogde pan-Europese samenwerking op energiegebied. Ook uit wat hij hierover opmerkte bleek echter hoe ver hij zich van het idee van een 'gemeenschap' heeft verwijderd. Het leek hem nuttig om in het kader van de CVSE (conferentie voor veiligheid en samenwerking in Europa) te komen tot een 'framework convention', een aantal kaderafspraken. Wellicht is, zei hij, ter ondersteuning een klein secretariaat nodig. 'Maar dan komt het belangrijke: van daaruit zal vooral verder moeten worden ingehaakt op de bestaande instituties, bedrijven en instellingen'. Hij noemde in dit verband het Internationale Energie Agentschap, de EG en de particuliere, gemengde en staatsbedrijven op energiegebied, die partners zullen zoeken 'aan de andere kant', met die partners plannen zullen maken en zich eventueel voor krediet tot de Europese Bank voor Herstel en Ontwikkeling zullen richten.

Lubbers noemde deze benadering 'een voorzichtig gedifferentieerde aanpak'. De rol van de Nederlandse regering specificeerde hij niet, zodat wij maar moeten afwachten of van hem of van de regering meer mag worden verwacht dan een toespraak eens in de vier maanden, waarbij in de volgende toespraak een deel van de vorige wordt ingeslikt.

Lubbers' opstelling verdient niet de schoonheidsprijs voor consistente beleidsvorming. Hoe te voorkomen dat het voorstel nog verder verwatert? Zeker nu de premier heeft gekozen voor een organisatorische opzet in CVSE-verband, zou de regering er goed aan doen, die keuze snel door daden te laten volgen. De aanstaande of een volgende ministersconferentie van de CVSE zal op Nederlands initiatief een werkgroep dienen in te stellen om het denkbeeld van een (bij voorkeur supra-nationale) Europese energiegemeenschap met participatie van alle belanghebbenden in een verdragstekst uit te werken. Dat de Europese Gemeenschap bij zo'n aanpak op de achtergrond raakt, lijkt een geringer kwaad; uiteindelijk is ook de EG gebaat bij een energiegemeenschap die heel Europa omvat.

De auteur is oud-hoogleraar in de politicologie aan de Vrije Universiteit.