Geen prijs te hoog; Het leven van de verzamelaar Franz Wilhelm Koenigs

De Nederlandse staat eist de kunstschatten uit de collectie Koenigs terug. In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de collectie, die net was overgenomen door de industrieel Van Beuningen, verkocht aan de Duitsers. 'Geroofd' door de nazi's, zegt de Rijksdienst Beeldende Kunst. Wie was de verzamelaar die in de onwaarschijnlijk korte tijd van twaalf jaar de collectie bijeenbracht? Een portret van Franz Wilhelm Koenigs (1881-1941), geniaal bankier met een uitzonderlijke liefde voor kunst.

Nog geen twee maanden na de Duitse invasie in Nederland, op 26 juni 1940, brengt Hans Posse een bezoek aan Nederland. Posse is directeur van de Staatliche Gemaldesammlung in Dresden en reist in opdracht van Hitler de door Duitsland bezette gebieden af. Met een wijdvertakt net van medewerkers 'verzamelt' hij kunst voor het op te richten Fuhrermuseum in Linz. Europa wordt leeggeroofd, joods eigendom zonder omhaal geconfisqueerd. In Nederland doet Posse verwoede pogingen zijn aanschaffen in een legaal daglicht te stellen: hij koopt kunst. Maar hij heeft haast, want er loeren nog meer kapers op de Nederlandse kunstschatten en de prijzen stijgen razendsnel.

De verzameling van Franz Koenigs uit Haarlem, net verkocht aan de industrieel en kunstverzamelaar Van Beuningen, is de eerste waarover Posse aan het onderhandelen slaat. Het is een collectie van wereldfaam, bestaande uit 2600 tekeningen van alle beroemde meesters uit de periode 1500 tot 1900. De bladen van de Duitse schilders Durer, Grunewald, Cranach en Grien staan bovenaan Posse's verlanglijst voor Linz. Maar ook uit de Hollandse en Vlaamse meesters wil Posse graag een greep doen: hij koopt tekeningen van Rembrandt, Jordaens, Van Dijck, Van Goyen en Ter Borch. In november maakt hij een keuze uit de Italiaanse en Franse tekeningen van onder anderen Tintoretto, Titiaan, Tiepolo, Watteau, Poussin en Fragonard. De Franse impressionisten laat hij links liggen. Op 25 mei 1941 worden de kunstwerken overgebracht naar het Kupferstich-Kabinett in Dresden.

Vanaf dit moment valt de geschiedenis van de verkochte Koenigs-tekeningen samen met die van de Kupferstich-collectie. In de loop van 1942 wordt het museum vanwege de zware bombardementen ontruimd. De kunstwerken gaan op transport naar landgoederen in de omgeving van Dresden. Hier blijven ze opgeslagen tot het Russische leger Duitsland binnenmarcheert. De Sovjets brengen alles van waarde naar het zwaarbewaakte kasteel Pillnitz in Oost-Duitsland. Over wat zich binnen dit bastion heeft afgespeeld is nagenoeg niets bekend. Feit is dat na de terugtrekking van de Russische troepen op 23 maart 1946 duizenden tekeningen en schilderijen ontbreken, waaronder die uit de Koenigs-collectie. Is de Duitse bevolking aan het plunderen geslagen, zijn de kunstwerken verbrand, zoals vlak na de oorlog gefluisterd wordt, of hebben de Sovjets ze mee naar huis genomen? Voor dit laatste bestaan sterke aanwijzingen.

Van de 526 tekeningen uit de Koenigs-collectie zijn er tot nu toe slechts 35 boven water gekomen. Om de opsporing van de resterende 491 tekeningen te vergemakkelijken, gaf de Rijksdienst Beeldende Kunst vorig jaar een catalogus uit, Missing Old Drawings from the Franz Koenigs Collection. Anders dan de meeste catalogi, deed dit lijvige boek veel stof opwaaien. Max Pam twistte in deze krant met de auteur van de catalogus, A. J. Elen, en drs. R. R. de Haas, directeur van de Rijksdienst Beeldende Kunst, over het recht van de Nederlandse staat om kunstwerken die destijds door een particuliere verzamelaar met winst aan de Duitsers werden verkocht, nu terug te eisen. De Haas beriep zich in zijn verdediging op twee decreten die de Nederlandse regering in ballingschap afkondigde. Hierin werd vastgelegd dat de Nederlandse staat fiduciair eigenaar was van het kunstbezit in Nederland en dat alle vermogenstransacties met de vijand waarvoor geen uitdrukkelijke toestemming gegeven was, wettelijk ongeldig waren. Deze ongeldigheid werd in 1943, bij de ondertekening van de Joint Declaration door de geallieerde landen, nogmaals bevestigd.

Naast deze kwestie roerde Pam die van Koenigs' politieke gezindheid aan. Volgens Pam, die zich onder meer baseert op het boek van Adriaan Venema over kunsthandel in de Tweede Wereldoorlog, was Franz Koenigs niet zo anti-nazistisch als men ons van de kant van musea, familie en vrienden wil doen geloven. Koenigs was maar al te graag bereid om via de handelaar Alois Miedl schilderijen aan Goering te verkopen. Ook zou Koenigs samen met zijn protege en vriend Hermann Abs, latere topman van de Deutsche Bank, en de niet van nazistische sympathieen gespeende Henry Deterding (van Shell) in het midden van de jaren dertig op de Amsterdamse beurs gespeculeerd hebben om de koersval van de Reichsmark te compenseren en zo Hitler in het zadel te houden. Pam las de auteurs naar wie hij verwees slecht en legde hen belastende uitspraken over Koenigs in de mond. De reacties van de directe nabestaanden van Koenigs op de aantijgingen wisselden. Sommige kinderen onthielden zich van commentaar, anderen schreven furieuze ingezonden brieven. En nog steeds smeult het, want een van de kinderen wil mij alleen te woord staan als de hoofdredactie een schriftelijke garantie geeft dat het Pam wordt verboden over deze kwestie te publiceren.

Het is spijtig dat Koenigs nooit opheldering over deze zaak heeft kunnen geven, omdat hij in 1941 bij een ongeval met een trein in Keulen om het leven kwam. Zijn vroege dood heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de mythevorming rondom zijn persoon. Nog voor het lichaam goed en wel begraven was, werd er al gespeculeerd over de aard van het ongeval. Pleegde Koenigs zelfmoord omdat hij financieel aan de grond zat? Of was hij van de trein geduwd vermoord door de nazi's, van wie hij volgens sommigen een diepe afkeer had? Getuigen van de tragedie waren er wel, maar weigerden te spreken. Werden zij bedreigd door Hitlers trawanten of waren zij omgekocht door Koenigs' verzekeringsmaatschappijen? Onderzoek wordt bemoeilijkt doordat Koenigs nauwelijk sporen van zijn activiteiten naliet. Als flying banker die steeds in andere steden zaken deed, speculeerde hij met geld en goederen, verschafte kredieten en maakte vaak in dezelfde stad nog schulden. Zijn kracht als zakenman school in de onvoorspelbaarheid van zijn transacties. Koenigs dook altijd op waar je hem het minst zou verwachten.

Voor een reconstructie van het rusteloze leven van deze bankier en kunstverzamelaar is men aangewezen op archiefstukken en gesprekken met nabestaanden. De paar artikelen die over Koenigs zijn geschreven, spitsen zich toe op Koenigs' activiteiten als verzamelaar. De auteurs meestal oud-museumdirecteuren loven zijn verbluffende inzicht in kunst en zijn universele smaak, waardoor de verzameling niet bleef 'steken' bij de Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw, maar internationale allure kreeg. Geen prijs was hem te hoog als het om de aanschaf van een zeldzaam mooie tekening ging, geen offer woog te zwaar en geen afstand was te ver. Toen zijn 'Kruisiging' van Grunewald wegens bombardementsgevaar naar een veiligere plaats in een bunker in de duinen bij Castricum werd overgebracht, keerde Koenigs tot driemaal toe terug om afscheid te nemen van zijn schilderij.

Koenigs' vriend Frits Lugt schetste in het supplement van zijn Marques de Collection de Dessins en d'Estampes (1956) Koenigs' levensloop en karakter. Hieruit zouden later oud-directeur van museum Boymans, J. C. Ebbinge Wubben, en A. J. Elen van de Rijksdienst Beeldende Kunst driftig citeren. Koenigs was een charismatisch mens, die voortdurend onderweg was voor zaken. Zijn vluchtig bestaan werd niet weerspiegeld in zijn manier van doen: hij was de kalmte zelf, humoristisch, oprecht, besluitvaardig en uiterst belezen. Zijn gezinsleven was harmonieus. Wat opvalt in deze beschrijvingen is het gebrek aan kritiek. Het is de vraag of deze schone voorstelling met de werkelijkheid overeenkwam. Hoeveel van Koenigs' levensloop wordt bedekt met de mantel der liefde? Koenigs' jongste dochter herinnert zich: 'Van buiten leek ons gezin briljant, maar dat was het niet.' Bernard Houthakker van de kunsthandel waar Koenigs ooit kocht vermoedt dat Koenigs verstrikt raakte in een economische strijd tussen de verschillende nazi-instanties. 'Het ging Koenigs niet alleen om het financiele voordeel. Het ging ook om het machtsspel. Hij wilde niet aan de kant blijven staan als er grote dingen gebeurden.'

Mephisto

Franz Wilhelm Koenigs komt uit een welvarende familie van Rijnlandse textielfabrikanten en bankiers die hun fortuin hadden gemaakt tijdens de industrialisering van het Rijn- en Roergebied. Franz wordt tuchtig opgevoed. Na een afgebroken studie rechten in Munchen, maakt hij als volontair kennis met de wereld van het geld. In 1907 hij is dan pas 26 krijgt hij de supervisie over de verkoop van de Frans-Duitse Regatul Roman Oil Company in Roemenie aan de Astra Romana, waar Shell belangen in heeft. De Franse onderhandelaars rapporteren in Parijs: ' Wij betreuren de aanstelling van het Koenigs-kind'. En de Engelse afgevaardigden verzuchten: 'Waar moet dat heen, met deze Mephisto?' Hermann Abs, ere-president van de Deutsche Bank die ik bezoek op zijn landgoed in de Taunus, herinnert zich zijn vroegere vriend als een 'geniaal, hoogst speculatief en grootmoedig zakenman. Koenigs had een fenomenaal geheugen en kon in een oogopslag de stand van zaken binnen een bank of bedrijf peilen.'

Het is niet ondenkbaar dat Koenigs in Roemenie contacten legt met andere prominenten uit de olie-industrie, met onder andere vertegenwoordigers van De Koninklijke Petroleummaatschappij/ Shell. Het zijn contacten die hem in zijn latere carriere nog van dienst zullen zijn. Abs bevestigt dit: 'Uit die tijd (1907-1911) dateerde zijn kennismaking met Shell. Koenigs was bevriend met mensen van de maatschappij, vooral met Deterding, Kessler, Guepin, en met Fentener van Vlissingen. Dat kwam hem later in Holland goed van pas. Hij knoopte makkelijk betrekkingen aan omdat hij door hen al geaccepteerd was.'

In 1911 neemt Koenigs afscheid van de Astra Romana en maakt twee reizen naar Indonesie en India. In 1913 keert hij terug naar Duitsland. Hij vult de vacature bij Delbruck Schickler en Cie in Berlijn op die door de dood van zijn oom Felix ontstaan is. Inmiddels is hij verliefd geworden op Anna von Kalckreuth, de dochter van de symbolistische schilder Leopold graaf von Kalckreuth. Anna's brede culturele interesse, spitsvondigheid en belezenheid spreken Koenigs aan. In haar liefde voor kunst herkent hij veel van zichzelf.

Erg lang duurt het huwelijksgeluk niet, want de Eerste Wereldoorlog breekt uit en Koenigs wordt opgeroepen voor dienst. Hij hoeft niet naar het front, maar komt terecht in een bevoorradingsbataljon, een luxe die alleen is weggelegd voor zonen uit invloedrijke families. Na de oorlog krijgt hij zijn oude functie bij Delbruck Schickler en Cie terug. In Duitsland heerst onrust.

De vrede van Versailles geldt als hard en vernederend, de herstelbetaling aan Frankrijk als ondraaglijk hoog. De oude Europese handelsmarkten zijn verstoord en er heerst inflatie. De banken, ook Koenigs' bank, reageren door fusies aan te gaan.

Vakman

In 1922 verhuist Koenigs met zijn gezin naar Nederland en richt samen met zijn Belgische neef de Rhodius-Koenigs Handelmaatschappij op in Amsterdam, waar de enige kapitaalmarkt zonder handelsbeperkingen bestaat. Het moment van vertrek kan niet beter gekozen worden: vlak voor de bezetting van het Roergebied door de Fransen op 11 januari 1923 en de enorme devaluatie van de mark. In het kolossale huis aan het Haarlemse Florapark vindt Koenigs volgens Lugt eindelijk huiselijke stabiliteit. Toch herinneren een zoon en dochter van Koenigs zich dat hun vader vrijwel altijd van huis was. Hun moeder bemoeide zich nauwelijks met de opvoeding daar waren de kinderjuffen voor. Koenigs' jongste dochter: 'Mijn ouders waren beiden zeer autoritair opgevoed en droegen dat op ons over. Mijn vader snakte naar serieuze kundigheid op elk gebied en verlangde dat ook van ons. Als wij daar niet aan voldeden, was hij diep teleurgesteld. Dat uitte hij quasi-schertsend. Ik lispelde bijvoorbeeld in mijn jeugd en dat deed hij dan na. Mijn vader wilde geen lawaai in huis geen geruzie, geren of geschreeuw. Aan mensen die hard praatten had hij een grondige hekel, en tja, mijn moeder sprak hard en mijn oudste broer en ik ook. Mijn vader wilde harmonie om zich heen. De enkele keer dat hij er was, verstoorde hij die harmonie niet, maar hij leverde er ook geen positieve bijdrage aan hij las, en mensen die lezen praten niet, die gaan in hun eigen, solitaire bezigheid op.'

Tussen 1922 en 1930 koopt Koenigs het grootste deel van zijn kunstcollectie. In 1926 wordt het huis verbouwd om aan de gestaag groeiende collectie onderdak te bieden. Zijn grootste slag slaat Koenigs in 1929, als hij vlak voor de krach op Wall Street 539 tekeningen koopt. Bernard Houthakker: 'Koenigs had de smaak van een echte verzamelaar: hij wilde eenvoudig alles hebben.' De jongste zoon van Koenigs beaamt dit: 'Toen mijn vader de fundamenten van de verzameling eenmaal had, kreeg hij een uitgesproken drang tot volledigheid, met daarbij een sterke nadruk op het didactische: dus eerst de leermeester, dan de leerling. Of dat nu een leermeester van een groot schilder of tekenaar was deed er eigenlijk niet zo bar veel toe, als de man zijn vak maar verstond.'

Koenigs verdient intussen goed aan de handel in kredieten tussen Engeland en Duitsland. Samen met Abs bezoekt hij banken in Engeland die kredietlijnen voor Rhodius-Koenigs kunnen verzorgen. Deze kredieten verkoopt hij vervolgens door aan Duitse industrieen, die vanwege de inflatie om harde valuta zitten te springen. Vanaf 'zwarte donderdag' in 1929 gaat het Koenigs financieel slechter, en dat is moeilijk te verteren voor iemand die van jongs af aan geluk heeft. Officieel heet het dat de internationale depressie aan Koenigs' problemen debet is. Dat klopt gedeeltelijk. Als Duitse bedrijven in de jaren dertig hun deuren sluiten voor buitenlandse schuldeisers, raakt Koenigs daardoor zwaar gedupeerd. Uit de gesprekken blijkt echter ook, dat Koenigs zelf verantwoordelijk is voor het slechte beheer van zijn zaak. Abs: 'Koenigs had enorme schulden bij kunsthandelaren. Als hij op reis was wat hij bijna altijd was voerde hij eerst zakelijke besprekingen in Berlijn, Munchen of Wenen, en na afloop ontving hij de kunsthandelaren uit die steden. Bovendien hield Koenigs van speculeren. Alleen door soms heel riskante transacties kon hij aan de middelen komen om zijn verzamelpassie te bevredigen. Op een keer kreeg ik het aanbod van Koenigs om mee te doen in een speculatiehandel. Ik nam het aanbod niet aan, waarop hij half verachtelijk zei: 'Ach, u bent ook geen speler.' Hij bedoelde dat ik saai was. God zij dank had hij gelijk, anders was ik nu bankroet geweest.'

Faillisement dreigt wel voor Koenigs en in ruil voor zijn kunstcollectie sluit hij een lening af bij de joodse bank Lisser en Rosencranz, die geleid wordt door de Kramarsky's. Koenigs verpandt zijn collectie op voorwaarde dat deze in bruikleen wordt gegeven aan museum Boymans. Ook al heeft Koenigs nu grote schulden, hij kan het verzamelen niet laten. 'God nee, hij was niet te stuiten', herinnert zijn dochter zich. Koenigs vormt een tweede collectie, die weliswaar veel kleiner is dan de eerste, maar die altijd nog zo'n tweehonderd tekeningen omvat van onder andere Durer, Rembrandt, Veronese, Ingres, Cezanne en Degas. Als in 1939 de joodse familie Kramarsky vanwege de nazidreiging besluit naar Amerika te vertrekken, staat museum Boymans voor de keuze: of de Koenigs-collectie kopen of haar in de diaspora voor Nederland verloren zien gaan. Museum Boymans beschikt bij lange na niet over voldoende financiele middelen en directeur Hannema benadert twee vooraanstaande Rotterdamse verzamelaars, W. van der Vorm en D. G. van Beuningen, met het verzoek de Koenigs-collectie te kopen en aan het museum te schenken. De zaak loopt niet zoals Hannema hoopt, want Van Beuningen koopt alles voor zichzelf.

In 1939 laat Koenigs zich tot Nederlander naturaliseren, volgens Lugt en Elen 'vanwege zijn afkeer van de nazi's'. Bernard Houthakker geeft een andere, meer praktische verklaring voor deze stap: 'Het had iets te maken met die zonen van hem. Koenigs had toen nog maar twee zonen over. De oudste zoon was twee jaar tevoren gesneuveld in de Spaanse burgeroorlog waar hij aan de zijde van de Trotskisten vocht. Zijn middelste zoon had net de dienstplichtige leeftijd en Koenigs wilde voorkomen dat de jongen aan het Duitse front moest vechten.'

Wat Koenigs' politieke gezindheid betreft zijn familie en vrienden met Lugt, Ebbinge Wubben en Elen unaniem van oordeel dat Koenigs niets moest hebben van de nazi's. B. Kramarsky, zoon van de destijds uitgeweken Kramarsky's, bezweert dat Koenigs juist het tegendeel van een nazi was. 'Koenigs was heel goed bevriend met mijn ouders en heeft ze geadviseerd Nederland te verlaten, voordat de Duitsers binnenvielen. Hij was een hoogontwikkeld mens wiens karakter en ideeen indruisden tegen de nazi-ideologie.' Marianne Feilchenfeldt, die Koenigs via kunsthandel Cassirer leerde kennen, stelt dat hij 'vanzelfsprekend anti-nazi' was. Als redenen noemt zij zijn fijnbesnaardheid en intelligentie. Volgens Abs was Koenigs nooit lid van de NSDAP.

Bedenkelijk

Toch bestaat er ook een donkere keerzijde: de economische samenwerking met de nazi's. Marianne Feilchenfeldt snijdt het onderwerp terloops aan; H. Abs draait de zaken om door collaboratie als een daad van onafhankelijkheid te interpreteren: 'Als bedrijf kun je toch niet zomaar met elk politiek regime meewaaien. Om zakelijke betrekkingen in Duitsland te hebben hoefde je geen partijgenoot te zijn.' Koenigs' jongste dochter zegt het boud: 'Mijn vader at van twee walletjes (...) Dat moest hij ook wel, want zijn kunstcollectie slokte gigantisch veel geld op. Hij had commissariaten bij Krupp, Bayer en nog meer van dergelijke bedrijven. Ik heb het er later weleens met zijn secretaresse over gehad en die zei: 'Het was nu eenmaal zo, hij deed het gewoon.' Zij heeft het er eens met hem over gehad en wat hij toen antwoordde kwam neer op: 'Geld stinkt niet.' '

In een aantal niet-openbare dossiers, vlak na de oorlog opgesteld door het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging, wordt gesteld dat de Rhodius-Koenigs Handelmaatschappij een bedenkelijke koers voer. Dit wekt geen verwondering. Naast het feit dat Koenigs natuurlijk al jaren handel dreef met Duitsland en goed thuis was in de Duitse economie en politiek, had hij er ook de vrienden voor. H. Abs bij voorbeeld, die topman was bij de later zo beruchte Deutsche Bank. Of Sir Henry Deterding die een groot bewonderaar was van het Derde Rijk (zie L. de Jong in Voorspel). Koenigs stond op zo'n vertrouwelijke voet met Deterding dat hij als diens executeur-testamentair was aangetrokken. In hoeverre Koenigs samen met Deterding en Abs betrokken is geweest bij pro-nazistische manipulaties op de Amsterdamse beurs, is niet bekend.

Mede-directeur van Rhodius-Koenigs was een zekere Alfred Flesche, een aangetrouwd familielid van Koenigs en tevens voorzitter van de door Nazi-Duitsland beheerste Deutsche Handelskammer fur die Niederlande. Over deze Flesche is tamelijk veel bekend, onder meer dat hij in 1933 lid werd van de NSDAP en als spion van de nazi's de opdracht had te infiltreren in het Nederlandse bedrijfsleven. In het ondervragingsrapport van Flesche, opgesteld door de geallieerden bij diens arrestatie na de oorlog, valt te lezen dat Koenigs 'het niet onverdienstelijk vond in verband met transacties met Duitsland, indien een van de directeuren lid was van de NSDAP'. In september 1939 lijkt het toch gunstiger voor de bank als Flesche aftreedt. Volgens het rapport gebeurde dit 'op verzoek van de heer Koenigs en de heer Felix Rhodius, aangezien dezen via het Engelse consulaat vernomen hadden dat rekening gehouden moest worden met de mogelijkheid dat de fa. Rhodius-Koenigs door Engeland op de blacklist geplaatst zou worden. Daar Flesche de enige Duitse directeur was, vermoedde men dat men deze maatregel zou kunnen voorkomen met het verwijderen van Flesche'. Helaas mag de ingreep niet baten: de firma komt toch op de blacklist. Het rapport concludeert: 'De gehele houding van deze firma plaatst haar trouwens niet in een erg gunstig daglicht, ook al door de vriendschap welke bestond tussen de heer Koenigs en Miedl, die toch zacht uitgedrukt een zeer duister figuur is.'

Deze Miedl was speculant, kunsthandelaar en vriend van Goering. Na de Duitse inval eist Wohltat, door Seyss-Inquart aangesteld als hoofd van de Nederlandsche Bank, dat Koenigs aftreedt als directeur van Rhodius-Koenigs en Flesche zijn oude plaats weer inneemt. Hiertoe wordt de raad van commissarissen bijeengeroepen. 'Een dag voor de algemene vergadering werd Flesche opgebeld door een zekere Miedl, waarvan hij alleen wist dat het een vriend was van de heer Koenigs. Miedl verzocht dringend om een onderhoud, zoals hij beweerde, in opdracht van Hermann Goering. Tijdens dit onderhoud waarschuwde Miedl Flesche de heer Koenigs niet te laten aftreden als directeur, aangezien Goering het hier niet mee eens zou zijn. Flesche gaf hem echter te verstaan dat hij van hem geen opdrachten te ontvangen had en indien Goering een opdracht had te geven, hij dit maar officieel moest doen. De volgende dag verscheen Miedl onverwacht op de bijeenkomst met een pakket aandelen welke hij binnen 24 uur van de heer Koenigs gekocht had. Hij kon echter niet verhinderen dat de heer Koenigs niet werd herkozen. Na afloop verkocht hij de aandelen weer terug aan Koenigs.'

Cadeau

Dit rapport roept veel vragen op. Waarom nam Miedl Koenigs in bescherming? Wat stond daar tegenover van de kant van Koenigs? Hoe was de relatie tussen Miedl en Koenigs, en tussen Goering en Koenigs? Abs ontkent ten stelligste dat Koenigs met Miedl een 'fauler Kopf' volgens Abs bevriend is geweest. Misschien heeft Abs gelijk, maar vormt dat voor Koenigs geen beletsel om zaken met Miedl te doen, bij voorbeeld over schilderijen. Een dossier over de kunstcollectie van Goering, opgesteld na de oorlog door de Art Looting Investigation Unit maakt melding van 19 olieverfschetsen van Rubens en een aantal schilderijen van Avercamp die Koenigs via Miedl aan Goering had doorverkocht in juni 1940. A. Venema schrijft in Kunsthandel in Nederland 1940-1945 over deze transactie dat Miedl een van de Rubens-schetsen aan Goering voor zijn verjaardag cadeau wilde geven. Koenigs vond dit zo'n geslaagd plan dat hij de helft van het geld aan Miedl teruggaf, zodat hij mee kon delen in het presentje. Venema haalt de anekdote overigens aan zonder bronvermelding. Koenigs' dochter bevestigt dat haar vader zaken deed met Miedl en dat haar vader zich in de nesten had gewerkt aan het begin van de oorlog. Verder onderzoek in de dossiers die over Miedl zijn verschenen, zou misschien de betrekkingen tussen Koenigs en Miedl kunnen ophelderen. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie weigert merkwaardig genoeg 'voorlopig' de betreffende papieren ter inzage te geven. De reden die een medewerkster opgeeft is 'dat er geen relatie bestaat tussen Miedl en Koenigs. De stukken over Miedl hebben niets te maken met uw onderzoek.'

Een andere kwestie die onopgelost blijft, is hoe en met wiens hulp Koenigs tussen de verschillende nazistische belangengroepen door kon laveren. Bij bepaalde Duitsers was hij niet geliefd. Abs bevestigt dat Wohltat en Fischbock (hoofd van het Economisch Departement ressorterend onder Seyss-Inquart) Koenigs tegenwerkten omdat hij geen nationaal-socialist was. De kinderen voegen hieraan toe dat hun vader na de inval enkele weken gevangen heeft gezeten in het Huis van Bewaring op de Weteringschans. Koenigs' dochter: 'Ze kwamen hem 's nachts halen. Mijn vader stak snel een boek in zijn zak. De Duitsers dachten dat het een bijbel was, maar het was Don Quichote in het Spaans. Ze verhoorden hem 24 uur aan een stuk, en hij hield het vol dank zij Don Quichote. Ik weet nog dat hij vrijgelaten werd: hij kwam thuis, zei goedendag, en liep naar de boekenkast om zijn Spaanse woordenboek te pakken. Hij wist nog precies welke woorden hij niet kende, en die zocht hij op. De man was gewoon van ijzer.'

Of Koenigs via Miedl onder protectie van Goering stond tijdens en na zijn arrestatie is niet te zeggen. Krap een jaar na de inval overlijdt hij. Alle familieleden en vrienden houden het op een ongeluk. Daar bestaan zeker aanwijzingen voor. Zelfmoord wijst iedereen van de hand. Marianne Feilchenfeldt: 'Daar was Koenigs veel te veel een levensgenieter voor.' Koenigs viel tussen het perron en de trein en Koenigs zoon merkt op: 'Als je zelfmoord wilt plegen, spring je voor de trein en niet ernaast.' Moord houdt men voor heel onwaarschijnlijk, omdat Koenigs op die fatale dag zijn moeder een onaangekondigd bezoek bracht. Toch is dit niet uitgesloten, vooral niet gezien de problemen die Koenigs had met een aantal nazi's.

Een ding staat vast. Koenigs was in zakelijk opzicht een opportunist, die zich als een kameleon aan de veranderde omstandigheden van zijn tijd aanpaste. Zoals de Engelse onderhandelaren destijds in Roemenie al zeiden, had Koenigs iets van een Mephisto, een man die ervan hield de zaken naar zijn hand te zetten. Met compromitterende bedrijven liet hij zich niet graag in, maar hij was genoeg realist om de profijtelijke kant van zaken in te zien en te waarderen. Intelligent als hij was, liet hij zijn aandeel in onfrisse handeltjes zoveel mogelijk uit de boeken. In zijn houding tegenover het Derde Rijk was Koenigs een typische representant van de industrielen en bankiers die De Jong in Voorspel beschrijft. Zij lieten hun commerciele belangen prevaleren en neigden ertoe de kwalijke aspecten van het Hitler-regime als toevallige uitspattingen te zien. Koenigs verafschuwde de nationaal-socialistische ideologie, maar had de nazi's als handelspartners broodnodig, omdat zijn schulden zeer groot waren. In familie- en vriendenkring was hij een hoffelijk en beminnelijk mens; een 'grandseigneur' met een grote en oprechte liefde tot kunst; sprankelend in zijn conversatie, ruimdenkend en zeer beschaafd. Het is dit contrast tussen het prive- en het zakelijk leven dat zo schril naar voren treedt. Het is deze gespletenheid die de zaak zo complex maakt en de grenzen tussen 'goed' en 'fout' doet vervagen.

Koenigs' verloren bezit is ondanks de uitgave van de catalogus nog niet terug in Nederland. Koos de Jong van de Rijksdienst Beeldende Kunst, belast met de terugwinning van de tekeningen, zegt dat hun verblijfplaats in de Sovjet-Unie inmiddels zeker is. 'Via diplomatieke kanalen proberen wij de autoriteiten daar steeds sterker onder druk te zetten. Opzienbarende successen hebben wij tot nog toe niet geboekt. Tegen de nabestaanden van de Amerikaanse verzamelaar Ian Woodner, die een van de Koenigs tekeningen in zijn collectie had, voeren wij een proces over de teruggave. Moeizaam krabbelen we verder.'