Gasindustrie niet inperken door regelgeving

Het artikel van Jan van Putten, in NRC Handelsblad van 13 november, waarin hij enkele aspecten belicht van het door minister-president Lubbers gelanceerde voorstel tot vorming van een Europese Energie Gemeenschap, geeft mij als woordvoerder van de Gasunie, aanleiding tot enkele opmerkingen.

De Gasunie is geenszins betrokken geweest bij de conceptie van dat voorstel maar uit hoofde van haar taakopdracht wel geinteresseerd in de in het voorstel ontvouwde gedachten.

In het artikel wordt gesteld dat het voorstel van Lubbers op gespannen voet staat met het beleid dat de Europese Commissie op energiegebied beoogt, vooral omdat de verhouding tussen de voorgestelde energiegemeenschap en de toekomstige interne energiemarkt van de EG buiten beschouwing blijft. Maar wat moet eigenlijk worden verstaan onder die interne energiemarkt? Een markt die wat aardgas betreft in de afgelopen vijfentwintig jaar op commerciele grondslag gestaag is gegroeid. Thans is vijftig procent van het in de Europese Gemeenschap verkochte aardgas grensoverschrijdend, terwijl vijfentwintig procent van het totale volume meer dan een grens passeert (zonder Europees paspoort, zonder grenscontroles en oponthoud en zonder dat iemand overlast ondervindt). Wij vinden dat het hierbij gaat om het stellen van de juiste prioriteiten van het EG-energiebeleid.

De eerste prioriteit dient te zijn zoals de recente internationale ontwikkelingen opnieuw onderstrepen de verzekering van een betrouwbare, betaalbare en milieuvriendelijke energievoorziening op lange termijn. Het is juist deze doelstelling die Lubbers terecht vooropstelt. Dat is inderdaad iets anders dan het theoretiseren over systemen van marktordening die wat gas betreft van de andere zijde van het grote water worden geimporteerd zonder dat de voorstanders duidelijk kunnen maken wat de voordelen ervan zijn, respectievelijk of die systemen wel goed functioneren en in een efficientere gasvoorziening resulteren dan wij in Nederland kennen.

Dat de energievoorziening en in het kader van deze bijdrage gasvoorziening van de gemeenschap de hoogste prioriteit zou moeten hebben, moge blijken uit enkele cijfers:

Rekening houdend met een gestage groei van de vraag naar aardgas, resulterend in een stijging van het marktaandeel van 18 procent nu naar 23 procent in 2010 moet de komende jaren, dat wil zeggen voor de eeuwwisseling, tot circa 300 miljard kubieke meter per jaar nieuw import-gas worden gecontracteerd. Ook moeten voorzieningen worden getroffen om dit gas in steeds moeilijker toegankelijke gebieden te produceren en over steeds grotere afstanden naar de EG-markt te brengen. Om de gedachten te bepalen: dat jaarvolume is gelijk aan meer dan zeven maal het totale Nederlandse verbruik (hierbij is nog aangetekend dat het aandeel van gas alhier met ruim vijftig procent zeer hoog is). Om dat te verwezenlijken moeten in produktie, transport, opslag en distributie in het huidige decennium investeringsverplichtingen worden aangegaan tot een bedrag van 200 miljard dollar. En de Europese gasmaatschappijen die het gas importeren, moeten langlopende financiele verplichtingen op zich nemen van 750 miljard dollar, waarmee de totale financiele verplichtingen (take-or-pay genoemd) op zo'n 1150 miljard dollar komen. Ongeveer twintig maal het jaarbudget van de EEG.

Er is geen tekort aan gas, maar het gaat erom dat gas naar boven te halen en naar de gasfornuizen te brengen. Uit de cijfers zal duidelijk zijn dat de gasindustrie hier voor een grote uitdaging staat. Tot nu toe is zij ongehinderd door dirigisme erin geslaagd voor deze waardevolle brandstof een belangrijke plaats op de energiemarkt te veroveren, veelal in felle concurrentie met andere energiedragers. Het onderwerpen van deze bedrijfstak aan een steeds groeiend aantal deels geimporteerde, deels in Brusselse burelen bedachte regels die meestal ver van de werkelijkheid zijn verwijderd, zal de gasindustrie niet helpen de uitdaging aan te kunnen. De energievoorziening van Europa zou daarmee niet zijn gediend. De keuze tussen beperkende regelgeving enerzijds, een regelgeving die iets wil bewerkstelligen dat er al is, namelijk concurrentie, een Europees netwerk en een uitgebreid internationaal gasverkeer en anderzijds een beleid gericht op een grotere ruimte dan die van de EG en op versterking van de energiestructuur van die ruimte, lijkt niet moeilijk.

Mijn tweede opmerking betreft de lucratieve monopoliepositie die Gasunie volgens de heer Van Putten zou hebben. Terzijde zij opgemerkt dat een winst van tachtig miljoen gulden op een omzet van 13,4 miljard gulden bescheiden is. Als met lucratief wordt gesuggereerd dat de gasprijzen in Nederland (te) hoog zouden zijn, moeten wij er op wijzen dat deze voor de afnemers niet alleen aantrekkelijker zijn dan die van de goedkoopste alternatieven, met name stookolie en huisbrandolie, doch bovendien de laagste in de wereld. Als de energie- en dus de gasprijzen in Nederland (als ook in de andere EG-landen) al de tendens vertonen althans ten opzichte van de VS aan de hoge kant te zijn, is dat geheel en al toe te schrijven aan de onbedwingbare neiging tot belastingheffing aan deze kant van de Atlantische Oceaan. Pogingen tot harmonisatie hebben tot nu toe schipbreuk geleden, terwijl de discussies over groene belastingen de balans nog verder in het nadeel van de Gemeenschap zullen doen uitslaan. Over de hoge gasprijzen in Japan, de andere concurrent van de EEG, spreekt niemand graag. Voorts is van een Gasunie-monopolie geen sprake zoals wel is gebleken uit het grote gascontract dat SEP (de Samenwerkende Elektriciteitsproducenten) heeft gesloten met de Noorse gasproducenten.

Dat de Gasunie er geen voorstander van is door regelgeving te worden gedwongen zijn afnemers over te geven aan derden en dan bovendien haar net en alle daarvan integraal deel uitmakende installaties ter beschikking van haar concurrenten te stellen, mag bekend worden verondersteld. Een discussie over de nadelen van een dergelijke ingreep in de vrije marktwerking voor de gasvoorziening zou ons in dit bestek te ver voeren.

Een energieplan voor Europa met inbegrip van Oost-Europa en de Sovjet-Unie is geen sinecure. Mogelijk is een van de prioriteiten daarin het ontwikkelen van het grote potentieel aan energie door het op korte termijn verbeteren van de energie-efficiency in Oost-Europa. Daarbij gaat het ook om hele concrete zaken als het installeren van gasmeters in Moskou en het aanbrengen van knoppen op radiatoren. Of nu een structuur waarin CVSE, ECE, Raad van Europa moeten participeren de meest effectieve is, valt te bezien. Van belang lijkt vooral dat de industrie de kans krijgt op commerciele basis initiatieven te ontplooien, daarbij verzekerd van een stabiel investeringsklimaat. Voorts is het de vraag of Europa daarbij per se zijn belangrijkste concurrenten moet betrekken.

In ieder geval verdient het 'Plan Lubbers' alle steun en het zou te betreuren zijn als de Europese Commissie zijn hang naar regulering zou doen prevaleren boven het bevorderen van een veilige, efficiente en schone energievoorziening voor een groter Europa.