Fien de la Mar: een diva zonder veel tegenspel

Tentoonstelling: Ik wil gelukkig zijn, Fien de la Mar 1898-1965. Nederlands Theater Instituut, Amsterdam, t/m 10/2.

, Ik mag een kind krijgen als ik weet wat ik de hele avond sta te smoezen, ' zei de actrice Fien de la Mar toen ze in 1932 werd geprezen om haar rol in Moortje van Bredero. 'Ik zet 't orgel maar open.' Ze heeft die zinnen ongetwijfeld op spottende toon uitgesproken, maar ze meende wat ze zei en ze had gelijk. Haar intuitieve talent was altijd ongecultiveerd gebleven en soms produceerde het orgel niets dan een valse galm. Het ging echter veel vaker goed, dan kwam er iets tot leven dat zelfs nu nog (25 jaar nadat ze 'om alles' uit het raam sprong) tot de verbeelding spreekt.

Op de sobere tentoonstelling Ik wil gelukkig zijn, naar het lied dat Jacques van Tol haar op het lijf schreef, is heel wat van haar werk te zien. Fien de la Mar als filmster, een van de weinige diva's in een tijd van bordkartonnen acteurs en decors, als chansonniere, en als voordrachtskunstenares. De samenstellers hebben zich geconcentreerd op de carriere; de verhalen over haar onmogelijk moeilijke leven stonden al in de biografie die Jenny Pisuisse acht jaar geleden over haar schreef inmiddels verramsjt, maar in het Nederlands Theater Instituut weer te koop, evenals een geluidscassette met bekende en onbekende opnamen.

De scenefoto's, waarvan er veel zijn verzameld, vormen de context voor de videobanden en de speelfilms die er dagelijks worden vertoond. Fien de la Mar speelde klassiek toneel, blijspelen, revue en cabaret. Niet in een logische volgorde, maar alles door elkaar, impulsief en gretig. Wat zich voordeed, greep ze aan. Het is onvermijdelijk dat het audiovisuele materiaal een willekeurige indruk maakt; men moest het doen met datgene wat toevallig bewaard is gebleven. Geen toneelrollen, wel de films uit de jaren dertig en de tv-monologen van ruim twintig jaar later. Alleen al in die films is haar veelzijdigheid te zien; ze speelde een volkse meid in een Jordaan-decor met even groot gemak als een grande dame in hypermoderne interieurs. Wat nu nog indruk maakt, is een wonderlijke mengeling van kwaliteiten: enerzijds de afstand een ironische stembuiging waarmee een ernstige claus op losse schroeven komt te staan en anderzijds de zichtbare hartstocht waarmee ze zich in zo'n rol vastbeet. Er was, kortom, in haar optreden veel meer aan de hand dan de eenduidigheid van de tekst zou suggereren.

Natuurlijk heeft Fien de la Mar zich bezondigd aan bespottelijke pathetiek. Op een videoband staat de op rijm gezette hulde die ze in 1938 voor het Polygoon-journaal uitsprak bij de geboorte van prinses Beatrix, op een geluidsband hoort men hoe ze in 1959 voor de radio een fragment voorlas uit de Beatrijs. Het eerste is hol gedeclameer, het tweede is een ruisend soort zingzeggen en in beide gevallen is het hopeloos gedateerd. Maar veel van wat er verder uit dat orgel kwam, straalt de verbazingwekkende allure uit van iemand, die in het laagland van haar omgeving waarschijnlijk veel te weinig tegenspel heeft gehad.