Een Pollloze wereld

In de tijd ik heb het verhaal wel eens eerder verteld dat deze krant nog Algemeen Handelsblad heette en in Amsterdam was gevestigd, gebeurde het dat Jaap van Heerden, die toen nog lid van de redactie was, de telefoon opnam met de woorden: 'Dit is het antwoordapparaat van Meester K. L. Poll, U hebt nu een half uur om een boodschap in te spreken'. Als ik daar nu aan terugdenk lijken het dagen die voorbij gingen in vrede en onschuld, met 'alles op zijn plaats en een plaats voor alle dingen', zoals de Fransen dat noemen. Een half uur voor een boodschap, er was tijd voor alles. 'Meester K. L. Poll', dat was een begrip, een instituut, onveranderlijk.

Poll had honderd moeten worden inplaats van maar 63. Niet alleen jeugd, ook ouderdom wordt aan de verkeerde mensen verspild. Een wereld waarin je dat bekende telefoonnummer zou draaien en niet die bekende stem zou krijgen die zegt, zoals iemand die uit zijn werk opkijkt: 'Met Poll' - dat is niet alleen een troosteloze maar vooral een absurde wereld: ondenkbaar, onbestaanbaar, alsof er een dag uit de week was verdwenen, of een letter uit het alfabet. De l: hij heeft mij eens toevertrouwd dat hij graag burgemeester had willen worden; dan zou er misschien later een straat naar hem worden genoemd en dat zou dan de Burgemeester Polllaan zijn, met drie ellen.

Pollloos, ook met drie ellen, een begrip: als we uit eten gingen met bevriende collega's spraken we wel eens af dat het een 'Pollloze avond' moest worden. Dat betekende dat zijn naam die avond niet mocht worden genoemd; maar dat lukte nooit, het bleek steeds weer onmogelijk. Zoiets gebeurt niet met mensen die weinig karakter hebben.

Dat impliceert formaat maar ook koppigheid. Het pad met Meester Kael voerde niet altijd over rozen: over allerlei zaken waren wij het totaal oneens en sommige daarvan gingen mij aan het hart: zijn ongeinteresseerdheid in dieren bijvoorbeeld, en zijn geringe liefde voor stukjes daarover; en zo was er wel meer. De natuurwetenschappen waren voor hem een gesloten boek: het zou onjuist zijn om nu te doen of daar nooit frictie over is geweest. Raadselachtig is ook zijn trouw aan de PvdA, ondanks het feit dat deze partij, speciaal op onderwijsgebied, verantwoordelijk is geweest voor (en nog steeds voorstander is van) allerlei dingen die lijnrecht ingaan tegen de principes die hij was toegedaan. En ik niet minder.

Zoals daaruit volgt waren wij het dus ook in veel opzichten eens. Dat gold niet alleen het onderwijs en bijvoorbeeld ook de spellingskwestie, maar vooral bepaalde denkbeelden over de orientatie van de krant; wat ons verder ook mocht verdelen, zowel hij als ik zijn altijd sterk gekant geweest tegen de opvatting dat een krant zich moet richten tot een 'zo breed mogelijk publiek': de these dat wat in de krant staat voor iedereen ongeacht opleiding en belangstelling begrijpelijk moet zijn en geen inspanning mag vergen; het tegendeel zou immers 'elitair' zijn. Met regelmatige tussenpozen heeft Poll voor- en achterhoedegevechten moeten leveren tegen deze onuitroeibare vorm van weldenkendheid: 'de lezer heeft geen behoefte aan ingewikkelde beschouwingen', of 'recensies van obscure boeken die niemand leest', gewoonlijk vergezeld van de overtuiging dat kritieken alleen maar positief mogen zijn: 'er is immers niemand die wil weten waarom je een boek niet moet lezen'. Wat er ook nog bij hoort is de moedeloos makende kreet dat literatuurpagina's en kunstrubrieken vooral gericht moeten zijn op 'nieuws' - met veel 'korte orienterende notities', interviews, het signaleren van trends, 'literaire journalistiek' (whatever that is), etc.

Niet alleen met het Cultureel Supplement en zijn eenmanstijdschrift Hollands Maandblad, maar ook met zijn aandeel in de Stichting Nederland-Muziek en de Vereniging Onderwijs Kunst en Wetenschap heeft Poll verzet geboden tegen de lawine van oppervlakkigheid en modieus gewauwel die zich de laatste decennia over ons heeft uitgestort. Het is bon ton om daar wat ironisch over te doen, maar het is natuurlijk toch de enig juiste houding tegenover dat verschijnsel; ik verwijt mijzelf nu dat ik misschien toch nog te weinig heb laten merken van mijn instemming en bewondering.

Bijvoorbeeld voor een philippica als de volgende, nog kort geleden verschenen in het Hollands Maandblad, aan het adres van de onderwijsdeskundigen die het opstel af willen schaffen: 'Ze schrijven en spreken zelf vaak afschuwelijk Nederlands, maar dat zien ze niet en dat horen ze niet. Zolang de eindexamenhervormers woorden gebruiken als 'gedocumenteerdheid' en 'communicatiegerichtheid' en niemand vreemd opkijkt als er gezegd wordt: 'centraal staat dat leerlingen door middel van een procedure leren het schrijfproces te beheersen', zolang valt er niets te beginnen. Wie zo schrijft is niet bereid zich te laten overtuigen door tegenargumenten. Zolang het communicatiegerichte analfabetisme hoogtij viert in de adviescommissies kun je als buitenstaander tekeer gaan zoveel als je wilt, het helpt niet. De vernieuwers horen niet wat er gezegd wordt, ze geloven het niet, want ze missen de vertrouwde monstertermen die voor hen een waarborg zijn voor kennis van zaken. Wie die dode rapportentaal vervloekt treft hen in hun ziel. Dat doet pijn en daarom brengen ze direct hun afweermechanisme in stelling: wie ons uitlacht bewijst daarmee dat hij niet op de hoogte is van de praktijk want wij zijn de praktijk. De vergaderaars van de commissies schrijven nooit een zin die klinkt. Ze bedenken nooit een beeld dat verrast. Ze parafraseren elkaars verslagen van twee of tien jaar geleden. Ze nemen elkaars termen en criteria over, of daar nu kritiek op geweest is of niet en op een gegeven moment wordt een advies geaccepteerd en verandert de taalles. Het is hetzelfde als wanneer een commissie amuzikalen die er geen idee van hebben hoe een viool klinkt, die zelfs het instrument nog nooit van dichtbij hebben gezien, zou decreteren hoe er voortaan vioolles gegeven moet worden.' (Pleidooi voor het opstel, Maart '90).

In ontboezemingen als deze was Poll op zijn best; dan hoor ik ook duidelijk het geluid van zijn stem en herinner mij niet zonder emotie de talloze uren die wij pratend en fantaserend hebben doorgebracht. In de jaren dat ik in Holland woonde was ons huis schuin tegenover het zijne, met alleen de gracht er tussen. Elke week liep ik naar de overkant om hem het manuscript van mijn artikel te brengen, meestal 's avonds, en als het vroor stak ik over het bepoederde en dof in het licht van de straatlantarens glanzende ijs de gracht over. Hoe graag zou ik dat nog eens doen, en hem nog een paar dingen zeggen die ik op mijn hart heb; maar er is geen half uur meer om een boodschap in te spreken. Geen onschuld meer, geen plaats meer voor alle dingen.

Er is een tijdperk voorbij.

Zij huisde onder een grote steen;

Wat niet in Wertheims kraam te pas komt noemt hij eenvoudig niet. Geen woord over Prisoner of Mao, het onthullende boek van Jean Pasqualini; de recente BBC-film over Mao wilde hij niet eens zien. Altijd en overal verzwijgt hij de essentie: dat waarschuwingen en kritiek met geweld werden onderdrukt. En zo kon niets verhinderen dat miljoenen mensen crepeerden voordat Mao het eindelijk welletjes vond; niet overigens dat hij ooit enig blijk van spijt of bekommernis heeft gegeven, en officieel waren er trouwens helemaal geen hongersnoden geweest, precies zoals Wertheim het nu nog steeds tracht voor te stellen.

    • Rudy Kousbroek