De maten van de zon; Het leven en werk van Leonardo da Vinci

Serge Bramly: Leonardo. De cultuur van de Renaissance in Italie 1452-1519. Vert. Tjadine Stheeman. Uitg. Anthos, 441 blz. Prijs fl. 69,50.

Andre Chastel: Leonardo da Vinci. Samtliche Gemalde und die Schriften zur Malerei. Vert. Marianne Schneider. Uitg. Schirmer/Mosel, 398 blz. Prijs fl. 124,45

De Fransman Serge Bramly is met Leonardo. De cultuur van de Renaissance in Italie 1452-1519 niet de eerste die zich waagt aan een levensbeschrijving van Leonardo, het in 1452, in het Toscaanse plaatsje Vinci geboren renaissance-genie. De geschiedenis van Da Vinci's 'voortleven' is bijna even interessant als die van zijn leven. Elk tijdperk schept zijn eigen Leonardo. In de negentiende eeuw interpreteerde Walter Pater Leonardo als een held uit een gothic novel, die met de Mona Lisa een soort van 'ondode' had geschapen.

Een van de weinige aantekeningen over zijn prive-leven, waarin Leonardo schrijft over een wouw die hem in de wieg 'sloeg met zijn staart', wachtte als het ware op de komst van Sigmund Freud. Freud onderwierp Leonardo aan een postume psychoanalyse, waarbij hij zijn conclusies onder meer baseerde op de foutieve vertaling van het woord 'nibbio' (wouw) door 'Geier' (gier).

Bramly, die ruimschoots aandacht besteedt aan deze secundaire en tertiaire bronnen, ontmythologiseert de figuur van de kunstenaar in menig opzicht en geeft daarmee een moderne versie van Leonardo. Hij gaat uit van de schilderijen, tekeningen en geschriften van Leonardo zelf en van de uit de literatuur bekende feiten. De in een notenapparaat vermelde bronnen bestaan onder meer uit archieven en vroege levensbeschrijvingen, zoals die van Paolo Giovo (l527) en Giorgio Vasari (l550, verbeterd in l568).

Het is op zichzelf al een genoegen om een boek te lezen waarin het leven van Leonardo aan de hand van alle tot nu toe bekende feiten in kaart wordt gebracht. De figuur van de kunstenaar wordt er tastbaarder door, wat de fascinatie alleen maar doet toenemen. Neem Leonardo's grenzeloze nieuwsgierigheid naar natuurverschijnselen die bijna iets ontroerends heeft. In een notitie uit 1489 schrijft hij dat een Fransman hem beloofd heeft om de maten van de zon mee te delen, en dat hij zelf vooral niet moet vergeten om de koopman Benedetto Portinari te vragen 'hoe men in Vlaanderen over het ijs glijdt'. Deze Benedetto (het wordt door Bramly niet vermeld) was familie van Tommaso, de opdrachtgever van het zogenaamde 'Portinari-altaar' van Hugo van der Goes dat nu in de Uffizi in Florence hangt.

In zijn biografie brengt Bramly een duidelijk onderscheid aan tussen feiten en meningen. Hij geeft zichzelf de ruimte om te interpreteren en de lezer biedt hij de mogelijkheid om er het zijne van te denken.

Zijn werkwijze is schijnbaar eenvoudig. Bramly stelt zich niet als autoriteit op. Hij citeert, hij geeft bestaande interpretaties weer die hij van kanttekeningen voorziet, hij neemt Leonardo's werk onder de loep en tracht de kunstenaar, zoals dat heet, in zijn tijd te plaatsen. Zijn hypothesen worden in vragende vorm onder de aandacht van de lezer gebracht: 'Zou het niet kunnen zijn, dat... ?' Dat deze veronderstellingen op zichzelf niet zo opzienbarend zijn, doet aan de kwaliteit van het boek weinig af. Zijn vragen zijn inspirerend en kenmerkend voor de omtrekkende bewegingen waarmee de auteur het leven van de hoofdpersoon benadert.

Vliegen

Meer dan voorheen werd aangenomen beschreef Leonardo ook uitvindingen van anderen in zijn manuscripten, die hun belang vooral ontlenen aan de tekeningen en het ongeordende verslag van zijn wetenschappelijke en artistieke onderzoekingen. Hij bracht deze echter oneindig veel beter en mooier in beeld dan de uitvinders zelf.

Het vliegen en de vliegmachine behoorden tot zijn favoriete thema's. Bramly sluit niet uit dat de kunstenaar met behulp van een van de door hem bedachte constructies daadwerkelijk gevlogen heeft maar dat deze vlucht mislukte. Hoe men zich dit moet voorstellen, vertelt Bramly er echter niet bij. Kwam Leonardo met zijn machine niet van de grond en was het dus geen vlucht? Of was het een vlucht waarbij hij neerstortte? En hoe heeft de piloot zich dan gered?

De auteur relativeert en nuanceert het beeld van Leonardo als de grote uitvinder. De kunstenaar had een zekere voorkeur voor fantasievolle plannen die in zijn tijd volstrekt onuitvoerbaar waren. Zo heeft Leonardo volgens Bramly meegedacht over een krijgsplan van de stad Florence tijdens de oorlog met Pisa. Het was zijn bedoeling om de loop van de Arno zo te verleggen dat Pisa zonder (zoet) water kwam te zitten. Ondanks de vele Florentijnse dukaten en soldaten die voor het benodigde graafwerk werden ingezet, mislukte de onderneming falikant.

Misschien berustte Leonardo's faam op het gebied van de ingenieurskunst voor een deel op de mooie, soms vrolijke tekeningen van zijn projecten waarmee zijn broodheren vermoedelijk zeer ingenomen waren. In een prachtige, overigens niet door Bramly vermelde tekening, illustreert Leonardo met poetische bolletjes, sterretjes en rookpluimen de kracht van 'het dodelijkste werktuig dat er bestaat'. Deze uitvinding, een soort fragmentatiebom, zou de tegenstander nog net de tijd gunnen 'om een weesgegroetje te bidden'.

Bramly gaat wel uitvoerig in op de indrukwekkende, aan Leonardo toegeschreven tekening die zich in de Koninklijke Bibliotheek van Turijn bevindt. Deze voorstelling van een waardige grijsaard, die volgens de Da Vinci-kenner Kenneth Clark uit circa l5l2 dateert, zou een zelfportret zijn. Omdat de ogen van het model niet op de toeschouwer zijn gericht, is het naar Bramly's mening Da Vinci zelf. De objectivering van zijn eigen beeltenis met behulp van verschillende spiegels zou kenmerkend zijn voor Da Vinci's wetenschappelijke aard en aanpak.

Over Leonardo's uiterlijk werd in 1545 door een anonieme schrijver onthuld dat de schilder 'een roze kleed droeg dat tot zijn knieen reikte, terwijl de heersende mode lange kleding voorschreef'. Het roemen van zijn fysieke schoonheid en zijn lange, golvende haren maakt deel uit van de reeks superlatieven waarmee Leonardo wordt overladen. Bramly roert ook de kwestie van Leonardo's homoseksualiteit aan. Hij citeert Leonardo, die schreef: 'Giacomo is bij mij ingetrokken op de dag van Santa Maria Magdalena van het jaar 1490; hij is tien jaar oud'. Al de daarop volgende dag stal de nieuwe leerjongen, beter bekend onder de naam Salai, vier lire van zijn meester, en de dag daarna 'at hij voor twee en was ondeugend voor vier'. Evenals vele anderen vraagt Bramly zich af of de kunstenaar voor dit schurkje een 'ladro', verzuchtte zijn meester meer dan knorrige vaderlijke gevoelens is gaan koesteren. Toen Leonardo in 1519 te Cloux in Frankrijk stierf behoorde Salai, die het als schilder nooit ver bracht, nog steeds tot zijn huishouden.

Toch ontkomt ook Bramly er niet altijd aan om een vermoeden als waarheid aan te nemen. Hij schrijft bijvoorbeeld dat Leonardo in 1452 geboren is uit 'een vluchtig avontuurtje'. Van deze kwestie heeft Freud indertijd ook al veel werk gemaakt. Leonardo's geboortejaar staat vast en dat Ser Piero da Vinci, Leonardo's vader, niet getrouwd was met Leonardo's moeder, een zekere Caterina, eveneens. Maar de conclusie dat het daarom een 'vluchtig avontuurtje' zou zijn geweest, berust op een al te moderne interpretatie van vijftiende-eeuwse zeden.

Wat Bramly slechts aanstipt in zijn boek en waarvoor hij verder geen afdoende verklaring geeft, is de enorme discrepantie tussen Leonardo's faam en invloed en het kleine schilderkunstige oeuvre dat hij naliet. Er zijn acht schilderijen die met zekerheid aan hem worden toegeschreven en circa dertien waaraan hij heeft meegewerkt of waarvan zijn auteurschap wordt betwist. Van zijn beroemde wandschildering, Het Laatste Avondmaal in het klooster Santa Maria delle Grazie in Milaan, resteren nog slechts enkele fragmenten die van zijn hand zijn, 'ghostly stains upon the wall', zoals Clark ze omschreef. Van een wandschildering die het Florentijnse stadsbestuur in 1503 bij hem bestelde, De Slag van Anghiari, en die nooit werd afgemaakt, zijn zelfs geen vlekken over. Voordat in het Florentijnse Palazzo Vechio de laatste sporen van dit werk werden uitgewist, was het echter al door kopieen en prenten onsterfelijk gemaakt.

Retoriek

Voor Leonardo's aantekeningen over de schilderkunst heeft Bramly menigmaal geciteerd uit Leonard de Vinci. Traite de la peinture van Andre Chastel (Parijs 1987), dat nu onder de titel Leonardo da Vinci. Samtliche Gemalde und die Schriften zur Malerei onlangs in het Duits verscheen. In zijn inleiding roert Chastel, wiens publikaties soms lijden aan de wat gratuite retoriek waarop Franse geleerden het patent schijnen te hebben, onder andere Da Vinci's invloed op de moderne kunst aan. Leonardo's geschriften over de schilderkunst worden voorafgegaan door afbeeldingen van zijn schilderijen en door de zestiende-eeuwse levensbeschrijvingen van Paolo Giovio, de anonymus Gaddiano en Giorgio Vasari.

Na Leonardo's dood in 1519 werd onder leiding van zijn leerling en erfgenaam Francesco Melzi, een compilatie gemaakt van zijn aantekeningen over de schilderkunst. Deze werden pas in 1651, in gewijzigde vorm, in Parijs gedrukt en zijn sindsdien voortdurend verbeterd en heruitgegeven. In Chastels uitgave vormt deze compilatie, de Trattato della pittura, de kern. Deze wordt aangevuld met andere, over verschillende manuscripten van Leonardo verspreide aantekeningen over de schilderkunst. Het geheel is vervolgens door Chastel opnieuw gerangschikt. Het was beter geweest als Leonardo's aantekeningen in het Italiaans in facsimile waren afgedrukt, te meer omdat Chastel deze van tekstkritische kanttekeningen voorziet. Met behulp van een spiegeltje zou men dan de in spiegelbeeld geschreven notities van de beroemde linkshandige kunstenaar op de voet hebben kunnen volgen.