Cees Nooteboom over Berlijn; Teveel mensen, nu dieren

Cees Nooteboom: Berlijnse notities. Uitg. De Arbeiderspers, 192 blz. Prijs fl. 44,90 (geb.), fl. 29,90 (ing.)

Cees Nooteboom was in Berlijn toen de muur viel. Met een vriend en een fotograaf zat hij in een taxi en hij hoorde het nieuws over de radio. De taxichauffeuse zet de meter af en rijdt naar de Brandenburger Tor. Nooteboom: 'Geschreeuw, gejoel, het blitzlicht van honderd camera's alsof het steen van de Muur eigenlijk al doorzichtig geworden is, alsof hij er al bijna niet meer is.'

Nooteboom was toen al bijna een jaar in Berlijn. Op uitnodiging van de DAAD, de Deutscher Akademischer Austauschdienst, woonde hij er, met uitzondering van zijn zomerverblijf in Spanje, anderhalf jaar. De nu gebundelde artikelen over zijn verblijf verschenen eerder in Elsevier en De Volkskrant.

Begin 1989 was er nog geen sprake van politieke opwinding in de DDR. Nooteboom nestelt zich in zijn huis, bezoekt tentoonstellingen, concerten en toneelstukken, geeft lezingen en houdt bespiegelingen over Berlijn en de geschiedenis: 'Als er een plek op de wereld is waar het verleden zich thuis voelt moet het Berlijn zijn.' Al snel wordt Nooteboom, zoals hij zelf in het laatste, niet eerder gepubliceerde hoofdstuk schrijft, 'achterhaald door de gebeurtenissen' en bevindt hij zich plotseling in het midden van een draaikolk. Verandert dit iets aan zijn notities?

Nooteboom gaat in ieder geval meer televisie kijken, en net als de journalisten die de omwenteling in de DDR voor de Nederlandse kranten verslaan, schrijft hij daar uitgebreid over. Ook koppen en artikelen uit Duitse kranten worden door Nooteboom aangehaald en van commentaar voorzien. Maar om de politieke omwenteling in de DDR te begrijpen is volgens Nooteboom de literatuur het belangrijkst. Op de Buchmesse die hij in maart in Leipzig bezoekt, leest hij onder de portretten van een aantal prominente Oostduitse schrijvers de wervende zin 'Autoren als Vordenker und Wegbegleiter des Revolutionaren Aufbruchs'. Volgens Nooteboom is de functie van de literatuur een andere. Wat de schrijvers thuis, in stilte geschreven hadden, zal later verklaren waarom de 'menigte' de straten op was gegaan om zelf te schrijven.

Dat mensen hun eigen geschiedenis kunnen maken, is ook voor Nooteboom een van de opzienbarendste ervaringen van de afgelopen twee jaar. Het is daarom jammer dat zij in zijn boek zo weinig aan het woord komen. Uit de notities blijkt niet dat hij veel mensen heeft gesproken en de gesprekspartners die hij opvoert blijven meestal anoniem, als om aan te geven dat wat ze zeggen toch inwisselbaar is, dat de meeste Oostduitsers hetzelfde zeggen en de meeste Westduitsers ook.

Degenen die voor een kroniek van de Duitse hereniging niet op Nooteboom zijn aangewezen, moeten dit boek dus lezen om Nootebooms eigen waarnemingen en gedachten. Helaas zijn die niet zo vaak bijzonder. Zijn beschrijvingen zijn de beschrijvingen van iedereen. Bij de Pools-Duitse grens denkt Nooteboom na over plekken die twee namen hebben ('Oder', zeg ik tegen het vandaag zo blauwe water voor me, 'Odra' zegt de soldaat aan de andere kant van de brug.'), rijdend over de Westduitse autowegen merkt hij op dat het lijkt alsof daarop alle nationale frustraties worden uitgeleefd, symbool van Berlijn als de stad van het 'iets niet' zijn de kogelgaten die je er nog zo vaak ziet.

Slechts een enkele keer slaagt hij erin met een vergelijking te verrassen, bij voorbeeld als het aflossen van de Hauptwache in Oost-Berlijn hem doet denken aan het gedrag van een uitstervende diersoort: 'de soort die zich overleeft heeft en gaat uitsterven, maar waarvan de laatste vertegenwoordigers zich niet anders kunnen gedragen dan al hun voorgangers'.

Ook de gedachten die in Nooteboom opkomen als hij in Weimar is, het graf van Brecht bezoekt, in Oost-Berlijn een demonstratie bijwoont of de grens passeert, zijn niet erg origineel. Het kan zijn dat wij al te veel van deze plekken en gebeurtenissen weten, want als Nooteboom van het gebaande pad afwijkt, worden zijn notities aantrekkelijker. Zo bezoekt hij eind november in Oost-Berlijn de dierentuin. 'Teveel mensen deze week, nu wil ik dieren.'

Misschien vindt Nooteboom het niet erg dat er zoveel cliches in zijn boek staan. Naar aanleiding van een opmerking van Armando, een van de weinige gesprekspartners die van hem een naam krijgen, schrijft hij: 'Cliches, datgene wat iedereen opmerkt en wat je toch moet zeggen.' Misschien zijn een zekere mate van welsprekendheid en eruditie hem genoeg.