NEDERLANDSE KERAMIEK OP 21 PLAATSEN IN ZUID-HOLLAND; Een giraffe op een soepbord

De pot is passe. De keramisten van de jaren negentig hebben de functionele vorm ver achter zich gelaten. Net als de beoefenaren van toegepaste kunst die werken met glas of textiel streven zij er naar een tree te stijgen in de hierarchie der kunsten: zij willen worden aangesproken met beeldend kunstenaar. Met als gevolg dat er op 'Keramiek '90' nogal wat objecten te zien zijn die op die status vast een voorschot hebben genomen. Deze overzichtstentoonstelling van Nederlandse keramiek in 5 musea en 16 galeries in Zuid-Holland werd afgelopen vrijdag geopend.

Een van de voorbeelden van keramiek die koste wat het kost beeldende kunst wil zijn is de installatie 'Portretten van Oranje' (Prinsenhof) van de groep Cheops (Rob Brandt, Tjitse Dijkstra, Marja Hooft, Michel Kuipers en Jan van Leeuwen). Temidden van oranje vierkantjes in barokke lijsten van keramiek en Goudse pijpen plaatste Cheops een keramieken damesschoen op een troon. De schoen heeft een naaldhak in de vorm van een penis. Een flauwe grap die ik graag inruil voor een van de perfect gedraaide porseleinen schalen van Leen Quist: wit en ongenaakbaar, gedecoreerd met een blauwe geometrische lijnstructuur.

Wellicht is mijn smaak wat conservatief. Ik ga er van uit dat de thee ons beter bekomt uit een mooie pot dan uit een lelijke. Dat esthetische en karaktervolle gebruiksvoorwerpen ons dagelijks leven veraangenamen, en dat niemand zich ervoor hoeft te schamen als hij functionele voorwerpen van grote schoonheid maakt. Geen mens zal de beroemde Engelse keramiste Lucie Rie verwijten dat er bloemen in haar vazen kunnen staan.

Bij veel keramisten is dit standpunt echter niet in de mode. Ook niet bij de jury die twee prijzen uitreikte namens de galeries, en evenmin bij de keramische opleidingen, die werk van hun leerlingen tentoonstellen in het Stedelijk Museum Schiedam: het zijn haast allemaal monumentale opstellingen, terwijl toch lang niet elke keramist zo'n indrukwekkende boodschap heeft dat gigantische afmetingen een noodzaak zijn.

Natuurlijk is er niets op tegen dat kunstenaars klei als grondstof gebruiken voor vrije vormen, zoals Mieke de Groots tere vaasvormen (Prinsenhof) in roestkleuren die doen denken aan de dieren op de prehistorische grottekeningen van Lascaux. Jan Snoeck (Prinsenhof) maakt al jaren humoristische, en Kees van Renssen (Galerie Aelbrecht, Rotterdam) emotioneel geladen monumenten waarvan de voorbijgangers zelden zullen denken: hee, een staaltje toegepaste kleikunst.

Anderen streven naar illusionistische effecten, zoals Pablo Rueda Lara (Galerie Aelbrecht, Rotterdam) of recentelijk Barbara Nanning (Prinsenhof), de winnares van de galerieprijs die werd ingesteld bij de eerste manifestatie 'Keramiek '86'. Zij draait cilinders die ze met een touw heeft ingesnoerd, zodat een soort harmonica ontstaat. Die buigt ze open en bespuit ze met felgekleurd schelpenzand. Daardoor zien ze eruit alsof ze van gegoten spons zijn en vederlicht.

Al zulke objecten zijn een lust voor het oog: wat mij echter bedroeft is dat veel keramisten de traditionele vormen van het gebruiksgoed om puur ideologische redenen taboe lijken te verklaren. Net zoals het schilderen van landschappen en portretten in de hedendaagse schilderkunst not done is. Terwijl zij als 'beeldende kunstenaars' vaak nogal achter de ontwikkelingen aanlopen. Want wat wil Bastienne Kramer in 1990 nog bewijzen door een plakplaatje met een giraffenkop op een boerenbont soepbord te bevestigen? (Zij won overigens een op het laatste moment ingestelde extra prijs in de categorie installaties voor haar werk in de Leidse Waag).

Cynici zullen wijzen op de financiele kant van deze ontwikkelingen. Weinig keramisten kunnen van hun werk leven, omdat de belangstelling voor keramiek hier nog altijd veel geringer is dan in bijvoorbeeld Engeland of de Verenigde Staten. Zij zijn daarom vaak aangewezen op subsidies, en voor beeldende kunst zijn er meer subsidiepotjes dan voor toegepaste kunst. Bovendien zijn monumenten duurder dan vazen, en valt er in de opdrachten-sfeer meer mee te verdienen.

Er zijn dus meerdere oorzaken voor het feit dat er nogal wat gekunstelde objecten en installaties op de diverse lokaties aanwezig zijn. Toch roeien er ook keramisten tegen de stroom in. Olav Stevens (Boymans) draait adembenemende, robuuste porseleinen schalen en vazen, die hij soms met rasters beplakt en zandstraalt, dan weer met een goudkleurige band versiert. De met de hand opgebouwde dubbelwandige kommen van Veronika Poschl (Boymans en Prinsenhof) zijn uitgewogen vormexperimenten: evenwichtig en verbluffend in hun technische perfectie.

Niet alle Nederlandse 'top'-keramisten hebben werk ingezonden of zijn geselecteerd. Toch geeft de mammoetexpositie een goed overzicht van de grote varieteit die er heerst. De Utrechtse kunsthistoricus Thimo te Duits schreef bovendien een uitstekende inleiding bij de catalogus, waarin hij de actuele discussie omtrent de status van de keramist in een passend historisch kader plaatst.

Musea: Boymans-Van Beuningen in Rotterdam (keuze uit eigen collectie, recente aankopen), Stedelijk Museum Het Prinsenhof in Delft, Stedelijk Museum Schiedam (werk van afgestudeerde keramisten van beroepsopleidingen), Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden (familie Zaalberg), Gemeente Museum Maassluis. Galeries: Artihove in Bergschenhoek, De Fiets en Terra in Delft, Westeinde in Den Haag, de Waag en Time is Art in Leiden, Galerie Ridderkerk in Ridderkerk, Aelbrecht, Duo Duo, Kunst +, Maas, Van Mourik, Ram en STEK in Rotterdam, gemeentehuis en galerie Het Oude Raadhuys in Spijkenisse. Voor openingstijden en kunstenaars: zie elders in dit katern. Catalogus Moderne Keramiek in Nederland door Thimo te Duits Fl. 39,90.