Interdependentieketens

Wie lekker zit te eten maakt daar wel eens een geluidje bij: smakken bij voorbeeld. Ook kan het gebeuren dat iemand een boer laat, of een wind, of dat iemand even zijn neus in het tafelkleed wil snuiten. Allemaal heel natuurlijke zaken, maar als men ze tegenwoordig aan een beschaafde tafel zou doen, zou dat hoogst pijnlijk worden gevonden.

Dat is niet altijd zo geweest.

De lijst van dingen die in net gezelschap als pijnlijk worden gevoeld is sinds de middeleeuwen ontzettend gegroeid. Iedere uiting van geweld, van te grote lichamelijkheid, evident egoisme, minachting van een ander, vertrouwelijkheid jegens vreemden is taboe. Het sociale leven zit vol subtiele regels. De kansen om betrapt te worden op een overtreding zijn niet groot, en de sancties niet erg zwaar, maar bijna iedereen houdt zich er aan. Uiterste zelfbeheersing wordt van de moderne mens gevraagd.

Over de 'verhoging van de pijnlijkheidsdrempel' heeft een socioloog een beroemd boek geschreven. Hij geeft honderden voorbeelden van gedragingen die de laatste eeuwen not done zijn geworden. Hij zou geen socioloog zijn (geweest, want hij is dit jaar overleden) als hij niet een model had bedacht waar die ontwikkeling in past om niet te zeggen, die haar verklaart. Het is, voor een sociologisch model, een erg mooi model, dat hij presenteert met een indrukwekkende historische eruditie. Globaal zou je het zo kunnen beschrijven, dat in de loop van de tijd de menselijke verhoudingen steeds ingewikkelder zijn geworden (de socioloog spreekt liever van de 'verdichting van de netwerken tussen de individuen'). De mensen zitten hoe langer hoe dichter op elkaar en storen zich dus meer aan elkaar, terwijl zij in hun dagelijkse leven ook almaar afhankelijker worden van steeds meer mensen die zij niet kennen. Steeds meer kan, dus steeds meer mag niet. Mag niet van de wet of, subtieler, niet van henzelf.

Vorige week is een sociologe en volgelinge van Norbert Elias (die was het natuurlijk) in Amsterdam gepromoveerd op een boek dat diens theorieen betrekt op de sfeer van het eten. Het is Anneke van Otterloo, en haar boek heet Eten en eetlust in Nederland 1840-1990, een historisch-sociologische studie.

Voor eten ligt toepassing van Elias' gedachten heel erg voor de hand, alleen al vanwege de hierboven reeds genoemde tafelmanieren. Helaas gaat Van Otterloo daar niet op in. Eten en eetlust wil een boek zijn over het totale gebied van het eten in Nederland, van de tragische armoede van het volk honderdvijftig jaar geleden, tot het beleid van gewone moeders in onze tijd inzake de chips en de cola waar hun kinderen maar geen genoeg van kunnen krijgen. Een terrein, zo groot dat je er radeloos van zou worden.

In eerste aanzet heeft de schrijfster het daarom, heel verstandig, in deelonderwerpen gezocht. Zij deed onderzoek, compleet met veldwerk in de vorm van gesprekken, naar de opkomst van de huishoudscholen en wat de vrouwen die daar achter zaten precies bewoog. Naar hoe apparaten hun intrede deden in de keuken. Naar de buitenlanders en hun keuken in Nederland om drie heel interessante thema's te noemen. Je krijgt het gevoel dat Van Otterloo pas naderhand heeft besloten om van haar boek een algemene geschiedenis van het eten in Nederland te maken. Zo'n boek was er nog niet, tenminste, geen goed boek. Zij zocht een heleboel literatuur bij elkaar, vooral over de negentiende eeuw. Mooi materiaal soms; het schrijnendst vond ik een citaat over 'de Zeeuwse arbeider' uit een deftig boek uit 1841: 'De man heeft alles wat hij wenst... Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebrood en zijn vochten weten niets van een onmatig gebruik van spek... Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal: aardappelen, door zijn eigen hand geteeld en met een heerlijken saus overgoten die honger heet en een groot feest: rust na arbeid.'

Het probleem is alleen dat dit geen geschiedenisboek is, maar een sociologische studie. En dus werd wat een aardige geschiedenis-in-vogelvlucht had kunnen zijn de berg materiaal was duidelijk te groot om meer te doen dan wat typerende voorbeelden uitkiezen toch een beetje iets anders. Het zit vol met vlechtwerken, figuraties en interdependentieketens. Slachthuizen verdwijnen niet zomaar naar de rand van de stad, maar tevens 'achter de coulissen van het maatschappelijk leven', want zo formuleerde Elias het. Af en toe wordt gewezen op het feit dat de mens reeds sinds de oudste tijden kookt. En als er iets verandert wordt er aan toegevoegd dat 'de constellatie van politieke verhoudingen en opinies zodanig gewijzigd' is dat de overheid maatregelen gaat nemen.

Dat is jammer. Het is wel te verklaren: sociologen zitten nu eenmaal in een netwerk waar men geacht wordt zo te praten en te schrijven. Om van de interdependentieketens nog te zwijgen.

Toch is het mooi dat er zo'n boek over het eten in Nederland is gekomen. Het zal hopelijk navolgers inspireren, want er is nog lang niet genoeg geschreven over de geschiedenis van het eten in Nederland (en misschien zelfs over de sociologie ervan niet). Die navolgers doen er mischien wijs aan om zich voorlopig op kleinere gebieden te richten een of twee gerechten echt proeven, in plaats van de hele spijskaart te laten aanrukken. Dat zou een voorbeeld zijn van loffelijke zelfbeheersing.

    • Ileen Montijn