Howe's 'loyaliteitsconflict'

Het Conservatieve Lagerhuislid Sir Geoffrey Howe heeft de beweegredenen voor zijn ministeriele aftreden afgelopen dinsdag uiteengezet in een toespraak, die algemeen is geinterpreteerd als een oproep tot politieke muiterij tegen het anti-Europese beleid van premier Thatcher. Hieronder volgt de tekst van zijn toespraak.

Tot mijn verbazing merk ik dat er een kwart eeuw is voorbijgegaan sinds ik van de backbenches heb gesproken. Ik had echter het voorrecht de laatste twaalf maanden van die periode te dienen als voorzitter van het Lagerhuis. Zo werd ik zeer onlangs herinnerd aan de traditionele grootmoedigheid en verdraagzaamheid van deze plaats. Ik hoop dat ik vandaag daarop mag rekenen, nu ik voor dit Lagerhuis een verklaring afleg over mijn terugtreden uit de regering.

Er is gesuggereerd, zelfs door een paar van mijn geachte vrienden, dat ik heb besloten mij terug te trekken louter om kwesties van stijl en niet om inhoudelijke zaken. Zeker als ik sommigen van mijn voormalige collega's mag geloven, ben ik de eerste minister in de geschiedenis die zijn ontslag heeft aangeboden omdat hij het volledig eens was met het regeringsbeleid.

De waarheid is dat stijl en inhoud in vele opzichten van de politiek in elkaars verlengde liggen. Vaak vormen zij twee kanten van de medaille. De eerste minister en ik hebben samen in de afgelopen tien jaar zo'n zevenhonderd zittingen van het kabinet of het schaduwkabinet meegemaakt, zo'n vierhonderd uur aan elkaars zijde vertoefd bij meer dan dertig internationale topconferenties. Dat is, voor beiden, zo meen ik, een nogal indrukwekkend record.

Het Huis kan toch wel aanvoelen dat, om een breuk te veroorzaken in een dergelijke beproefde relatie, meer dan eenvoudige stijlkwesties nodig zijn.

Het was inderdaad een voorrecht als minister van financien van deze premier te dienen, deel te hebben aan de verandering van onze industriele betrekkingen, te helpen ons vrije markt-programma lanceren, te beginnen met de afschaffing van deviezencontroles, en bovenal een wezenlijk succes te boeken in de strijd tegen de inflatie, en die van tweeentwintig naar vier procent te brengen door strenge monetaire discipline bij de financiele strategie op middellange termijn.

Geen van onze economische successen zou mogelijk zijn geweest zonder de moed en het leiderschap van onze premier. En, staat u mij toe dit te zeggen, misschien droeg de aanwezigheid van een minister van financien die zelf ook niet echt dom was, hieraan bij.

Het was een grote eer om zes jaar te dienen als minister van buitenlandse zaken en het Britse Gemenebest en met de premier te delen in enkele bijzondere successen van de Europese gemeenschap, van Fontainebleau tot het Enkelvoudig Europese Verdrag.

Maar toen we de wezenlijke monetaire kwesties in een Europese context verder bekeken begon ik een toenemende ongerustheid te voelen.

Een aantal redenen voor die ongerustheid is al genoemd door Nigel Lawson in zijn ontslagrede iets meer dan een jaar geleden. Want, net als hij, kwam ik zeker vijf jaar geleden tot de conclusie dat ons beleid tegen de inflatie niet langer louter kon berusten op pogingen om de binnenlandse geldvoorraad te peilen en te beheersen.

Wij twijfelden er niet aan dat we in die strijd, en ook bij andere zaken, steun zouden vinden als we ons zouden aansluiten bij het wisselkoersmechanisme van het Europese Monetaire Stelsel. In de aansluiting bij het EMS zou niets nieuws moeten zitten. Het is een al lang bestaande verplichting. En wij vonden, een kwart eeuw na de Tweede Wereldoorlog, dat de vergelijkbare Bretton Woods-afspraak fungeerde als een nuttig instrument.

En nu kan, zoals de premier twee weken geleden heeft ingezien, onze toetreding tot het wisselkoersmechanisme inderdaad gezien worden als 'extra hulpmiddel om de inflatie laag te houden'.

Maar het moet worden gezegd dat deze belangrijke praktische conclusie slechts is bereikt ten koste van aanzienlijke schade aan haar eigen regering, en ernstiger nog, aan wat al was bereikt in de strijd tegen de inflatie. Want zoals Nigel Lawson heeft uitgelegd, is de werkelijke tragedie dat wij niet al vijf jaar geleden zijn toegetreden tot het EMS. Dat was, zoals hij ook duidelijk maakte niet omdat daar niet voldoende pogingen toe waren gedaan. Zeker, de zogenoemde voorwaarden van Madrid kwamen pas tot stand nadat de toenmalige minister van financien en ikzelf als minister van buitenlandse zaken duidelijk hadden gemaakt dat wij niet konden aanblijven tenzij er een specifieke verbintenis werd aangegaan om tot het EMS toe te treden. Zoals het Lagerhuis ongetwijfeld heeft opgemerkt zit geen van dit speciale tweemanschap nog in de regering.

Onze opvolger als minister van financien (John Major) heeft het afgelopen jaar een groot deel van zijn talent ingezet om duidelijk te maken hoe deze voorwaarden van Madrid tot stand zijn gekomen, om het mogelijk te maken te voldoen aan een verplichting waarvan het welslagen in het nationale belang is.

Het is nu helaas onmogelijk een andere conclusie te trekken dan dat het huidige hogere inflatiepercentage zeer wel vermeden had kunnen worden als de kwestie van het lidmaatschap van het EMS in een veel eerder stadium op een juiste manier was overwogen en tegemoetgetreden.

Er is, zo vrees ik, steeds meer reden voor een zelfde ongerustheid over de hantering van een verstrekkender en opener vraag van een Economische en Monetaire Unie, en niet alleen bij en na de topconferentie van Rome.

Laat ik eerst bepaalde belangrijke punten verduidelijken waarop ik niet van mening verschil met mijn geachte vrienden. Ik beschouw het Rapport Delors niet als een soort heilige tekst die zonder discussie geaccepteerd of zo men wil verworpen moet worden. Maar het is een belangrijk werkdocument. Zoals ik vaak onomwonden heb gezegd is het zeer gebrekkig in belangrijke opzichten.

Ik beschouw de leiding van de Italiaanse voorzitter van de Topconferentie van Rome niet als een perfect voorbeeld verre van dat. Zoals de premier zich zal herinneren was dat vijf jaar geleden in Milaan, net zo.

Ik vind het in geen enkel opzicht verkeerd voor Engeland om dergelijke kritische opmerkingen te maken, ronduit en beleefd, ook vind ik het in geen enkel opzicht onjuist om dat als het nodig is, als enige land te doen. Zoals ik al duidelijk maakte heb ik evenals de premier en andere geachte vrienden te veel Europese gevechten geleverd in een minderheidspositie van een om ook maar enige illusie te hebben over die uitslag.

Maar het is van wezenlijk belang dat wij deze argumenten aanvoeren op grond van een duidelijk begrip van de ware verhoudingen tussen dit land, de Gemeenschap en onze partners van die Gemeenschap. En wat dit betreft, zo vrees ik, zet de eerste minister steeds meer op het spel door zichzelf en anderen op een dwaalspoor te brengen in kwesties van inhoud en stijl.

Het was Lord Stockton (oud-premier Harold Macmillan) die voor het eerst duidelijk stelde waarom het ging.

Al in 1962 betoogde hij dat wij onszelf binnen de Europese Gemeenschap moesten plaatsen en daar moesten blijven. Hij vond het toen essentieel en dat is het nu nog dat wij onszelf niet zouden afsluiten van de werkelijke macht en ons niet zouden terugtrekken in een getto van sentimentele gevoelens over ons verleden en zo onze greep op ons eigen lot in de toekomst zouden verminderen. Het is betreurenswaardig dat de visie van Macmillan niet een decenniun eerder, in de jaren vijftig, beter is begrepen. Het zou ons de afgelopen twintig jaar veel problemen hebben bespaard als we van het begin af aan lid waren geweest van de Gemeenschap, als we in een veel eerder stadium bereid waren geweest om, maar dit is een te simpele bewoording 'wat soevereiniteit prijs te geven'.

Als we van meet af aan erbij betrokken waren geweest, en dat geeft nu bijna iedereen nu toe, zouden we meer, niet minder invloed hebben gehad op het Europa waarin we op het moment leven. We moeten nooit de les over dat isolement vergeten, het als buitenstaander toekijken hoe de zaken verlopen. Het beste ging het op de momenten dat we de Gemeenschap niet zagen als een statische eenheid waaraan weerstand moest worden geboden en die in toom moest worden gehouden, maar als een actief proces, waaraan vorm kan worden gegeven vaak beslissend mits wij onszelf toestaan ons volledig ervoor in te zetten, met vertrouwen en enthousiasme en ter goeder trouw.

Wij moeten tegen elke prijs vermijden ons nu weer een te eenvoudige keus voor te leggen, een valse antithese, een pseudo-dilemma tussen een alternatief dat ruwweg wordt gekwalificeerd als 'samenwerking' tussen onafhankelijke soevereine staten' en een tweede alternatief dat even onnauwkeurig wordt gekwalificeerd als 'gecentraliseerde federale superstaat', alsof er geen tussenweg is.

Wij begaan een ernstige fout als we altijd denken in termen van opgeven van de soevereiniteit en proberen steeds voet bij stuk te houden bij een bepaalde verordening, door te verkondigen, zoals onze eerste minister twee weken geleden deed, dat we genoeg hebben prijsgegeven. Het Europese avontuur is niet zo en moet niet op die manier worden gezien als een soort alles-of-niets-spel.

Sir Winston Churchill stelde het veertig jaar geleden veel positiever, toen hij zei: 'Is het niet mogelijk, en misschien zelfs aangenamer om dit 'offer van vermenging van de nationale soevereiniteit te zien als de geleidelijke aanvaarding door alle betrokken naties van die grotere soevereiniteit die alleen hun verschillende en kenmerkende gewoontes en eigenschappen en hun nationale tradities kan beschermen.'

Ik moet zeggen dat ik Churchill's gezichtspunt veel overtuigender vind en bemoedigender voor de belangen van onze natie dan het spookbeeld dat soms door de eerste minister wordt opgeroepen die het vasteland van Europa schijnt te zien als een broeinest van mensen met slechte bedoelingen die er volgens haar allemaal op uit zijn 'om de democratie uit te roeien, onze nationale identiteit te verwateren, en ons via de achterdeur een federaal Europa binnen te leiden.'

Wat is dat voor een visie voor onze zakenmensen, die daar iedere dag handel drijven, voor onze bankiers, die trachten Londen de financiele hoofdstad van Europa te maken of voor alle jonge mensen van tegenwoordig?

Deze zaken zijn vooral van belang als we het centrale onderwerp van Economische en Monetaire Unie benaderen. Wij moeten bij dit debat positief en nauw zijn betrokken en niet angstig en afwijzend. De prijs voor afzijdigheid hierbij zou hoog kunnen zijn.

Er is natuurlijk aprake van de invoering van een enkele munteenheid voor Europa. Ik geef toe dat er aan het concept zowel economische als politieke bezwaren kleven. En natuurlijk, zoals ik vermeldde in mijn eigen ontslagbrief, wil niemand van ons de dwang van een enkele munteenheid. Maar dat is niet het wezenlijk gevaar.

De elf andere landen kunnen niet hun wil opleggen aan het twaalfde land dat ertegen is. Maar zij kunnen wel verder gaan zonder ons.

Het gevaar is niet dwang maar isolement.

De werkelijke bedreiging is dat wij achterblijven zonder zeggenschap in de monetaire regelingen die de rest van Europa voor zichzelf kiest met Engeland dat weer achteraan komt sukkelen om zich toch aan te sluiten bij de club, nadat de regels zijn opgesteld, en de macht door anderen is verdeeld, in ons nadeel. Dat zou de slechts denkbare uitkomst zijn. Juist om dat te vermijden en om een compromis te vinden dat zowel in de regering als in Europa aanvaardbaar is, heeft de minister van financien zijn 'harde'-ecuvoorstel ingediend. Dit voorstel legt voorzichtig de nadruk op de mogelijkheid dat de harde ecu zich na verloop van tijd van algemene munteenheid zou kunnen ontwikkelen tot de enige munteenheid. Ik heb natuurlijk het harde ecu-voorstel ondersteund. Maar na Rome en na het commentaar van de eerste minister, twee weken geleden, bestaat er een groot gevaar dat de harde ecu onbereikbaar is.

Er waren twee voorvallen. Het eerste was dat de eerste minister van het begin af de indruk wekte ieder compromis in elke fase van elk basisprincipe die volgens alle elf andere landen deel moeten uitmaken van de EMU af te wijzen: een muntsoort of vaste wisselkoers, een centrale bank of een gemeenschappelijk monetair beleid.

Toen de premier werd gevraagd of zij haar veto zou gebruiken bij elke regeling die het pond sterling in gevaar bracht, antwoordde zij eenvoudigweg: 'Ja.' Die verklaring betekent niet dat we de EMU kunnen tegenhouden, maar dat zij zonder ons verder kunnen gaan.

Is dat, zo schreef ik in mijn ontslagbrief, een situatie die ons garandeert dat we een invloedrijke positie innemen en houden bij dit uiterst belangrijke debat! Ik ben bang van niet.

Om wel invloed te hebben, moeten we , zoals ik zei, oppassen om niet iedere oplossing onvoorwaardelijk te omarmen of af te wijzen. We moeten worden gezien als onderdeel van dezelfde onderhandeling.

Het tweede voorval was, naar ik vrees, zelfs nog verontrustender. Toen de premier rapport uitbracht aan dit Huis merkte zij bijna terloops op dat zij dacht dat veel mensen de harde ecu toch niet wilden gebruiken, zelfs niet als gemeenschappelijke munteenheid, laat staan als enige.

Het was merkwaardig zelfs tragisch te horen hoe de eerste minister met een dergelijk subjectief ongeloof afrekende met het idee dat in toenemende mate instemming zou kunnen krijgen onder de Europese bevolking, net zoals het buitengewoon was te horen hoe zij beweerde dat het hele idee van een EMU misschien overwogen kon worden, maar alleen door toekomstige generaties.

Die toekomstige generaties zijn vandaag de dag onder ons. Hoe kunnen de minister van financien en de president (gouverneur) van de Bank of England, die trachten de harde ecu te propageren, in vredesnaam als serieuze deelnemers in het debat worden gezien met dat soort achtergrondgeluiden.

Ik geloof dat zowel de minister van financien als de president van de bank cricket-liefhebbers zijn. Dus hoop ik dat er geen alleenrecht bestaat op cricketmetaforen. Het is net zoiets als je eerste slagmannen naar de lijn sturen, alleen om te merken op het moment dat de eerste ballen worden geworpen dat hun slaghouten voor de wedstrijd door de captain van het team doormidden zijn gebroken.

Waar het om draaide, werd misschien puntiger geformuleerd door een Engelse zakenman die handel drijft in Brussel en elders, en die mij vorige week een brief schreef. 'De mensen in heel Europa', zei hij, 'zien de vermanende vinger van onze eerste minister en horen haar hartstochtelijke nee, nee, nee, veel duidelijker dan de inhoud van de zorgvuldig geformuleerde teksten.'

'Het is wel heel makkelijk voor hen', zo gaat hij verder, 'om te geloven dat wij allemaal haar opvattingen delen, want waarom is zij anders al zo lang onze eerste minister?' 'Dit is', besluit mijn briefschrijver, 'een uitzonderlijk ernstige situatie voor ons land.' En helaas moet ik hem gelijk geven.

De tragedie is en het is voor mij persoonlijk, voor mijn partij voor ons hele volk en voor de eerste minister zelf een zeer tastbare tragedie dat de waargenomen houding van de eerste minister ten opzichte van Europa steeds meer een ernstig gevaar voor de toekomst van onze natie wordt. Door deze houding bestaat het gevaar dat onze invloed tot een minimum wordt beperkt en de kans dat wij weer worden buitengesloten wordt groter.

Wij hebben duur betaald voor onze late start en we hebben kansen in Europa verkwanseld. Wij mogen dit niet weer laten gebeuren.

Als we ons als partij of als natie volkomen losmaken van het Europese continent, zullen de effecten onvoorspelbaar zijn en zeer moeilijk ooit weer te herstellen. In mijn ontslagbrief, die ik met de grootste droefheid en weerzin indiende, zei het bij collegiaal bestuur erom draait elkaar te overtuigen. Dat was mijn morele verplichting aan de democratie, namelijk om mijn collega's en het land te overtuigen.

Ik dit geprobeerd als minister van buitenlandse zaken, en daarna. Maar ik besef nu dat het nutteloos is geworden te trachten de betekenis van de woorden tot ongeloofwaardigheid uit te rekken, te veinzen dat er een gemeenschappelijk beleid was, als iedere stap voorwaarts door een toevallig commentaar of impulsief antwoord kon worden ondermijnd.

Het loyaliteitsconflict, van loyaliteit aan de premier en na meer dan twee decennia samen is die intuitieve loyaliteit zeer wezenlijk en van loyaliteit aan wat ik zie als werkelijke belangen van de natie, dat loyaliteitsconflict is veel te groot geworden.

Ik geloof niet langer dat het mogelijk is om dat conflict op te lossen binnen de regering. Daarom ben ik afgetreden. Door zo te handelen heb ik gedaan wat ik goed acht voor mijn partij en mijn land.

Het tijdstip is aangebroken dat anderen nadenken over hun reactie op het tragische loyaliteitsconflict waarmee ikzelf misschien te lang heb geworsteld.