HOUTENKLAZERIGE IDEEENFILM VAN MARLEEN GORRIS; Tropische ongewenste intimiteiten

The Last Island. Regie: Marleen Gorris. Met: Paul Freeman, Shelagh McLeod, Patricia Hayes. In 12 theaters.

Binnenkort verschijnt bij International Theatre en Film Books een uitgave met de scenario's van de drie films die Marleen Gorris schreef en regisseerde: De stilte rond Christine M. (1982), Gebroken spiegels (1984) en het Engelstalige The Last Island (1990). De kwaliteiten van Gorris als scenarioschrijfster zijn al vaak bezongen, zelfs door degenen die het met de strekking ervan niet eens waren. Er zijn in Nederland maar weinig filmregisseurs die zo helder een betoog in dramatische scenes en dialogen vorm kunnen geven. De stilte rond Christine M. was een case study van drie vrouwen, die elkaar niet kenden en impulsief besloten gezamenlijk een willekeurige man te doden. Gebroken spiegels legde een verband tussen de mentaliteit van bordeelbezoekers en de gespleten persoonlijkheid van een sadistische lustmoordenaar. The Last Island behandelt de wederwaardigheden op een onbewoond eiland van de overlevenden van een vliegramp: vijf mannen, twee vrouwen en een hond. Ook in Gorris' meest recente film wordt gespeculeerd over de onoverbrugbare kloof tussen de denkwereld van mannen en vrouwen. De lokatie is, net als de rechtszaal in de eerste en de seksclub in de tweede film, een gesloten universum, waarvan de beperkingen als psychologische katalysator werken en resulteren in een onberedeneerde uitbarsting van geweld.

Over de consistente thematiek van Gorris' films, die zij zelf als een drieluik beschouwt, valt een aardige boom op te zetten. Toch is haar laatste, internationale film, die met een budget van rond de zeven miljoen gulden een veelvoud kostte van de vorige twee, in bijna alle opzichten een teleurstelling. Een bezwaar tegen de werkwijze van Gorris is dat haar personages eerder illustraties zijn van een idee dan mensen van vlees en bloed. In de beide volledig Nederlandse films woog de kunstmatigheid minder zwaar dan in deze door de internationale opzet ook uiterlijk anonieme produktie. Je kunt niet zeggen dat The Last Island zo'n opzettelijk in een niemandsland gesitueerde grensoverschrijdende coproduktie geworden is. Formeel is de op het Caraibische eiland Tobago opgenomen film een door First Floor Features (Laurens Geels en Dick Maas) geproduceerde Nederlandse film met Engelstalige dialogen en acteurs en een geheel Nederlands produktieteam. De personages zijn grotendeels voorzien van een herkenbare nationale, sociale en psychologische identiteit: een Canadese advocate (Shelagh McLeod), een oudere dame van vaag Oosteuropese afkomst (Patricia Hayes), een homoseksuele Schotse miljonair (Paul Freeman), een jonge, vermoedelijk Amerikaanse macho-versierder (Ian Tracey), een timide Franse bioloog (Marc Berman), een nietszeggende, mooie Australische jongen (Mark Hembrow) en een Engelse militair met godsdienstwaan (Kenneth Colley). Het noodlot dwingt hen tot het formeren van een samenleving zonder geschiedenis, waar de voertaal uiteraard Engels is. Maar de adequate vertolking van de personages door goede acteurs van de tweede garnituur, wier namen met enige moeite zijn terug vinden in de onderste helft van de credits van andere internationale speelfilms, heeft net te weinig karakter om van Gorris' bordkartonnen figuren spannende mensen te maken, die je in de loop van de film leert kennen, haten of beminnen.

Als de toeschouwer de acteurs al bij voorbaat zou kennen, omdat het Nederlandse of internationale sterren waren, dan had het staketsel van het scenario misschien niet zo opzichtig in de weg gezeten. Die transparantie van het verhaal hindert nu des te meer omdat aan het basisgegeven van (lucht)schipbreukelingen op een verlaten tropisch eiland ook al weinig eer meer te behalen valt. Aan het overleven met behulp van een vrachtruim vol bagage, een geweer en een rijke flora besteedt Gorris terecht weinig aandacht. De pogingen om in contact te komen met de buitenwereld worden iets meer uitgewerkt, omdat ook de kijker langzaam het vermoeden moet bekruipen dat de beschaving met dezelfde knal van de vliegramp totaal verdwenen is. De meeste tijd neemt de film voor de interactie tussen de laatste zeven mensen op aarde, die allengs minder harmonisch wordt. De rolverdeling in deze primitieve maatschappij voltrekt zich aanvankelijk langs aannemelijke lijnen: een man, de wijze, enigszins onthechte miljonair, ontpopt zich als leider, een andere, de militair, jaagt en verwerft zich daarmee ook een beschermde positie. Een derde man, zachtmoedig intellectueel, is tevreden met een bestaan als individualistische buitenstaander, de andere twee lopen in het gareel, totdat de jongste amok maakt en het gezag tart. De vrouwen houden zich afzijdig, maar voor de jongste van hen beiden wordt het steeds lastiger haar lichamelijke integriteit te handhaven. Ongewenste intimiteiten zijn moeilijk te pareren, als je niet weg kunt lopen en bovendien steeds vaker gewezen wordt op de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de menselijke soort. De psychologische en sociale spanningen escaleren totdat alle mannen elkaar uitgemoord hebben en ten slotte slechts de beide vrouwen en de hond onder de palmen overblijven: misschien is dat Gorris' idee van het paradijs, maar voor het zover is maakt het scenario wel een paar rare sprongen, verpakt in wonderlijke bijbelse allegorieen over een slang, een giftige appel en een kruisiging. De boodschap is, zo lichtte Gorris in een interview toe, dat vrouwen de rationaliteit vertegenwoordigen en mannen zich door hun emoties laten leiden. Dat is een reuzenzwaai ten opzichte van het betoog in De stilte rond Christine M., toen de intuitie van de vrouwelijke personages juist superieur bevonden werd aan de redelijke overwegingen van de mannelijke rechters en advocaten, die in al hun beperktheid meenden dat het zomaar vermoorden van een onbekende geen pas geeft.

Dergelijke inhoudelijke bezwaren tegen The Last Island vormen stof voor discussie, maar geen definitief argument. Als je zo nodig wilt generaliseren over het verschil tussen vrouwen en mannen, dan is het onderscheid tussen pragmatisch en ideologisch handelen, wat ook uit het scenario valt te halen, misschien wel valide. Ernstiger is de houtenklazerigheid van een ideeenfilm met een tamelijk realistische vormgeving. Die is even bekwaam als kleurloos, en sluit niet aan bij de pamflettistische strekking. The Last Island oogt als een gemiddelde Australische speelfilm, om maar eens iets te noemen en mikt op de mondiale consument van bioscoop-, video- en televisievoer. Dat die vorm van internationalisering geen echte oplossing vormt voor de problemen van de Nederlandse speelfilmindustrie is een conclusie die producenten Geels en Maas waarschijnlijk al na de premiere van de tegelijkertijd opgenomen Wings of Fame getrokken hebben.