Geen consensus in afsluitend debat over schaalvergroting basisonderwijs; 'Droomschool' verdeelt deskundigen

BIDDINGHUIZEN, 15 nov. Het ging over moorkoppen en volkorenbiscuits. De moorkop is een onderwijskundige die meedenkt met beleidsmakers en hen helpt de optimale school te ontwerpen. Een volkorenbiscuit is een onderwijskundige die zich bij zijn leest houdt en alleen wat zegt als hij zijn stellingen empirisch kan onderbouwen. Een moorkop ziet er lekkerder uit, een volkorenbiscuit is op de lange duur gezonder.

Het symposium dat gisteren in Biddinghuizen de discussie over schaalvergroting in het basisonderwijs moest afsluiten, was gewijd aan de relatie tussen politiek en wetenschap. Aanleiding voor het symposium was de ruzie die kort na het verschijnen in augustus van het rapport 'Schaal en kwaliteit' is ontbrand tussen onderwijskundigen.

De hoogleraren dr. N. A. Lagerweij en dr. J. F. M. Claessen hebben in dat rapport geschreven dat een basisschool pas goed kan functioneren als zij een zekere omvang heeft, het liefst van ongeveer 500 leerlingen. Behalve veel kritiek van verontruste ouders, schoolbesturen en onderwijzers leverde hun dat ook boze reacties op van collega-professoren. Onder het motto 'zij zetten het onderwijs-onderzoek te kijk en verdienen het daarom ook zelf te kijk te worden gezet' schreven die dat het empirisch gehalte van 'Schaal en kwaliteit' bedroevend laag was. Volgens prof.dr. B. P. M. Creemers viel er geen enkel onderwijskundig argument op te voeren dat tot de uitkomst van 500 leerlingen leidde.

Gisteren zaten ze tegenover elkaar: vier leden van de projectgroep die het rapport 'Schaal en kwaliteit' heeft opgesteld en vier opponenten die van dat rapport weinig heel lieten. De optimistische verwachting van de voorzitter van het symposium dat vandaag zou blijken dat 'de verschillende benaderingen van onderwijskundigen elkaar in hun uitkomst op den duur ontmoeten' kwam niet uit.

Want hoewel iedereen het eens was dat bij de huidige stand van zaken kleine scholen financieel worden bevoordeeld boven grote, bleven de opponenten volhouden dat het rapport onderwijskundig niet klopt en dat dankzij een andere financiering van het onderwijs (het 'formatiebudgetsysteem') schaalvergroting 'niet noodzakelijk is om onderwijzers anders in te zetten'. Ook zou in de bedrijfskunde inmiddels vaststaan 'dat het belang van omvang vaak wordt overtrokken en dat groot ook nadelen heeft' en kon het rapport 'juridisch niet door de beugel'.

Volgens Creemers had het rapport beter 'Schaal en geld' kunnen heten. Daar draait het in feite om, en bovendien 'zou het financiele argument dat dankzij schaalvergroting 700 miljoen gulden vrijkomt, voldoende aanleiding zijn geweest voor een diepgaande discussie over de voor- en nadelen van grotere basisscholen'. Claessen gaf dit toe. Eerder al hadden Lagerweij en hij betoogd dat het rapport empirische onderbouwing mist. 'Maar dat onderzoek is er ook niet. De in het rapport beschreven optimale school bestaat immers nog niet.'

Lagerweij meent dat 'om deze school te bepleiten eerder verbeelding nodig is dan gegevens uit onderwijsonderzoek'. Hij had het gisteren over een 'droomschool', met gespecialiseerde onderwijzers, een van lesgeven vrijgestelde directeur, een eigen schoolbeleid en meer aandacht voor zwakke leerlingen. Op de suggestie van Lagerweij dat ook andere onderwijskundigen 'een droom' hadden, reageerden de opponenten echter als gestoken.

'Dromen is geen beleid maken', zei dr. A. van Dongen. 'Ik hoop nooit te gaan dromen dat het formatiebudgetsysteem de oplossing voor alle problemen in het onderwijs is.' In het formatiebudgetsysteem krijgen scholen de vrijheid om een eigen personeelsbeleid te voeren. Het geld voor onderwijzers en onderwijs ondersteunend personeel wordt vanaf 1992 niet meer door het ministerie verdeeld, maar door de scholen zelf.

Volgens Van Dongen biedt dit systeem dezelfde mogelijkheden als het vergroten van basisscholen, zonder dat er een pijnlijk en verstrekkend fusieproces aan voorafgaat. Bedrijfskundige prof.dr.ir. A. C. J. de Leeuw meende dat 'je niet kunt zeggen dat kleine scholen duur zijn, je moet zeggen dat het bekostigingssysteem niet deugt als kleine scholen zo veel geld krijgen'.

Het gehoor, voornamelijk schoolbestuurders en schoolbegeleiders, zat intussen driftig te pennen. Vooral de stelling van jurist mr.dr. D. Mentink dat 'de wetgever in strijd met de wet handelt als hij de voorstellen in het rapport integraal overneemt' was onverwachte munitie in hun strijd tegen het rapport.

De onderwijsvakbonden en de organisaties van schoolbesturen voelen meer voor bestuurlijke schaalvergroting: fusies van besturen die moeten leiden tot doelmatiger gebruik van het beschikbare geld en een beter personeelsbeleid.

In het onlangs uitgebrachte rapport 'Weer samen naar school' stelt ook staatssecretaris Wallage bestuurlijke schaalvergroting voor. Clusters van zo'n vijftien basisscholen en een school voor speciaal onderwijs zouden meer voor zwakke leerlingen kunnen doen dan wanneer elke school zelf de problemen moet oplossen, zoals nu.

'Het dilemma van het ministerie is: wie krijgt meer autonomie, de school of het schoolbestuur', verklaarde drs. S. Boef-Van der Meulen van de projectgroep deze tegenstrijdigheid.

Het symposium was ook bedoeld om staatssecretaris Wallage te horen zeggen hoe schaalvergroting er nu precies uit moet zien. Maar de staatssecretaris had griep en liet zich 's ochtends afmelden.