Emancipatie restaurateur in belang van cultuurbezit; Conserveren kunst maakt stormachtige ontwikkeling door

Het Delta-plan voor cultuurbehoud van minister d'Ancona heeft in het Nederlandse museumbedrijf voor een spraakverwarrend rumoer gezorgd waarin zich een positieve ontwikkeling in de verhouding tussen 'conservator' en 'restaurateur' weerspiegelt.

De laatste decennia hebben de techniek en de wetenschap van het conserveren van kunst een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Een aantal Nederlandse musea is uitgegroeid van expositieruimten en oudheidkamers tot volwaardige museale instituten op internationaal niveau. Mammoettentoonstellingen worden georganiseerd en museumcollecties groeien uit tot volwaardige verzamelingen van internationale allure en topkwaliteit. Parallel aan deze positieve ontwikkeling is die van het conserveren van kunst.

Op 1 maart 1963 werd het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap te Amsterdam opgericht, onder verantwoordelijkheid van het toenmalige ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen, in de persoon van ingenieur J. Lodewijks. Een aantal mensen heeft zich ontwikkeld tot specialisten van hoog niveau in conservering en restauratie van kunstvoorwerpen en heeft een plaats gevonden binnen de museumwereld. Om een bestaand tekort aan specialisten in Nederland op te heffen zijn zelfs buitenlandse specialisten aangetrokken.

Uit een historisch gegroeide situatie wordt op dit moment de kunsthistoricus die werkzaam is binnen een museum, 'conservator' genoemd en heet degene die zich bezighoudt met het behoud van de collectie, restaurateur. De kunsthistoricus heeft evenwel geen opleiding tot conserveringsdeskundige gevolgd: hij houdt zich bezig met het beheer van de collectie, het organiseren van tentoonstellingen, et cetera. De restaurateur daarentegen richt zich in zijn activiteiten op het voorkomen van verval van het kunstvoorwerp, van welke aard dan ook, op het herstellen ervan waar nodig en op het scheppen van condities die verval moeten voorkomen of tegengaan. Beide disciplines zijn radicaal verschillend en vereisen een aparte scholing.

Op grond hiervan wordt de kunsthistoricus ten onrechte conservator genoemd. De naam curator of beheerder van de collectie zou passender zijn. Het conserveren van kunstvoorwerpen valt feitelijk steeds onder de verantwoordelijkheid van de restaurateur die om deze reden dan ook 'conservator' zou moeten heten: hij die het object in stand houdt dan wel herstelt.

Steeds meer echter heeft men oog voor de feitelijke verhoudingen: men spreekt niet meer van conservator wanneer men een curator bedoelt. In kunstrecensies wordt de vergissing nog wel gemaakt: men gebruikt de term 'conservator' ten overvloede en spreekt over iemand die een tentoonstelling heeft gemaakt of de collectie beheert. In de Verenigde Staten wordt iemand die zich bezighoudt met conservering en restauratie 'conservator' genoemd, in Frankrijk 'conservateur'.

Naast de hierboven besproken verwarring over de benoeming van de functie van twee verschillende soorten museum-medewerkers bestaat er een wanverhouding tussen hun disciplines. Het conserveren en het restaureren worden nog steeds als onvolwaardig beschouwd. Binnen de Nederlandse musea ligt de prioriteit bij het organiseren van tentoonstellingen en het aanleggen van collecties, niet bij het conserveren ervan. Dit in tegenstelling tot de buitenlandse musea.

Toch zijn er positieve ontwikkelingen: alles wijst erop dat bij de overheid het besef doordringt dat het conserveren van kunst moet worden beschouwd als een volwaardige en zelfstandige discipline; dat zij de noodzaak ziet van op hoog niveau opgeleide specialisten in conservering en restauratie. Onderdeel van deze ontwikkeling kan een reflectie op het stellen van prioriteiten zijn: een nieuw evenwicht kan worden gezocht tussen het aankopen van kunst, het conserveren en restaureren ervan en het organiseren van tentoonstellingen. Zodoende zou aan het onderhouden van kunstvoorwerpen een geheel nieuwe en vooral eigen plaats kunnen worden toegekend.

Het is aan te bevelen de nieuwe conservator een zodanige plaats toe te kennen binnen de organisatie van de musea, dat een optimaal gebruik van zijn kennis en capaciteiten mogelijk wordt. Hierbij valt te denken aan actieve deelname van de conservator in het tot stand komen van tentoonstellingen, in het aankoopbeleid, in het opslaan van kunstvoorwerpen in de depots en in de discussie over de omgang met het kunstvoorwerp (conserveringsethiek). Ruggespraak tussen de in de musea werkzame kunsthistorici en de conservatoren is hiervoor noodzakelijk. De conservatoren zouden deel kunnen uitmaken van de wetenschappelijke staf, naast de kunsthistorici en als gelijkwaardige gesprekspartners.

Ook zou de reeds bestaande opleiding tot conservator op geheel andere leest moeten worden geschoeid. Nu nog valt deze opleiding onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van welzijn, volksgezondheid en cultuur en kan zij niet worden afgesloten door het behalen van een algemeen erkend diploma. Het zou beter zijn deze opleiding te laten ressorteren onder het ministerie van onderwijs en wetenschappen en de opleiding zodanig te reorganiseren, dat afronding met een diploma mogelijk is en de afstuderende conservator een opleiding heeft genoten die vergelijkbaar is met die in het buitenland.

Op deze manier kunnen het conserveren en het restaureren van kunst worden verzelfstandigd, wat nodig is voor de realisatie van het ermee geimpliceerde doel en wat ten goede zal komen aan ons cultuurbezit.

    • K. H. Aben