Anders maar voor alles minder

Aan de militaire dreiging in Europa is een einde gekomen. De Amerikanen verleggen hun pantserdivisies van de Bondsrepubliek naar de Golf, het Kremlin maakt zich zorgen over de verloedering van zijn in Oost-Duitsland gelegerde soldaten en de slechte bejegening door de plaatselijke bevolking ondervinden. Wat nog betrekkelijk kortgeleden een vechtmachine was die ieder ogenblik heel het continent onder de voet kon lopen, is binnen een jaar verworden tot een moreel verslagen en gehavend leger.

Het defensie-establishment in West-Europa vraagt zich af: wat nu? Eerste antwoord: het kan met minder. Maar daarmee is niet alles gezegd. Het tweede antwoord luidt dat zich in de gewijzigde omstandigheden nieuwe veiligheidstaken aandienen. Zo wordt de 'out of area'-problematiek ter sprake gebracht, de redenering dat buiten het verdragsgebied van de NAVO militair mag en moet kunnen worden opgetreden.

In de theoretische fase van het debat over Europa's toekomstige defensie voor augustus stond de techniek centraal, de nieuwe opzet van benodigde strijdkrachten. De zwaar bewapende troepen bestemd voor het afschrikken van een conventionele aanval door de Duitse laagvlakte dienden te worden vervangen door lichte eenheden, voldoende mobiel om snel ter plaatse te kunnen zijn waar dat zou zijn gewenst een echte Rapid Deployment Force voorzien van ultramoderne bewapening. Een dergelijke strijdmacht moest multinationaal van opzet zijn en de gemeenschappelijke Europese wil tot uitdrukking brengen. Volgens de een bood de Westeuropese Unie, volgens de ander de Europese Gemeenschap het geeigende politieke raam voor dergelijke strijdkrachten.

De 'out of area'-problematiek ligt in het ene partnerland gevoeliger dan in het andere. De regeringen van Groot-Brittannie en Frankrijk beschikken van oudsher over, bescheiden, mogelijkheden en middelen om tot militaire actie over te gaan waar zij dat noodzakelijk achten. In Nederland wordt er onderscheid gemaakt tussen de marine en de luchtmacht enerzijds en de landmacht aan de andere kant. (Hier wordt het bezwaarlijk genoemd dienstplichtigen buiten Europa in te zetten; de Verenigde Naties worden beschouwd als een bijkans onmisbare opdrachtgever.) De bondsrepubliek Duitsland zou grondwettelijk helemaal niet aan 'out of area'-operaties kunnen deelnemen. De federale regering zegt wijziging van de constitutie te overwegen.

De verovering van Koeweit door Irak op 2 augustus heeft de theoretische discussie plotseling een actuele dimensie verschaft. Een drietal hoofdpunten kwam aan het licht. Ten eerste, de Verenigde Staten blijven onmisbaar, ook buiten Europa. Ten tweede, operaties 'out of area' vereisen een maximale inspanning. Ten derde, het politieke draagvlak voor een militaire operatie 'out of area' is fragiel.

De eerste lessen van de dagen volgende op 2 augustus waren tweeledig. Uitsluitend de Amerikanen hadden de beschikking over de middelen om de 'out of area'- en 'rapid deployment'-strategie te volvoeren, en zelfs zij waren aanvankelijk niet klaar voor de gevaren waarmee zij werden geconfronteerd. Onthullend waren in dit verband de uitspraken die een verslaggever van deze krant onlangs optekende uit de mond van de als eersten in Saoedi-Arabie gearriveerde Amerikaanse luchtlandingssoldaten. Aanvankelijk opgesteld in de voorste linies, waren zij zich er wekenlang van bewust geweest absoluut niet te zijn opgewassen tegen de in de woestijn geharde en zwaar bewapende Irakezen aan de andere kant van de grens. De stelling dat zware eenheden overbodig zijn geworden, is dus al achterhaald. Het hangt er maar vanaf.

Met enige vertraging mocht nog een derde les worden genoteerd. Met veel moeite kon er in het maritieme vlak enige Europese coordinatie tot stand worden gebracht, maar de samenwerking gaat niet zover dat van een operatie in het kader van de WEU kan worden gesproken, laat staan van de Europese Gemeenschap. Wat de grondtroepen betreft werd en wordt er uitsluitend op nationale titel geopereerd, de Britten hebben zich nauw verbonden met de Amerikanen, de Fransen staan op zichzelf en de rest van het verenigde Europa heeft zijn infanterie, cavalerie en artillerie thuis gehouden. Zelfs op het verzoek om medische teams werd niet ingegaan. Daar waar wordt gestudeerd op een toekomstige militaire plaatsbepaling van Europa horen genoemde lessen op het rooster.

Al studerend zou de vraag moeten worden gesteld naar de relatie tussen doel en middelen. Met andere woorden, wat bepaalt wat? In het geval van de Iraakse agressie gaat bijvoorbeeld de 'containment', laat staan de bestrijding van dat verschijnsel, het Europese vermogen ver te boven; voorzover er een bijdrage aan de Amerikaanse inspanningen wordt geleverd, heeft die nauwelijks een militaire betekenis, de Britse bijdrage uitgezonderd. Anders dan zou mogen worden verwacht zijn de Europese autoriteiten niet in de weer om in de geconstateerde lacunes te voorzien en de geregistreerde tekortkomingen op te heffen. Integendeel. Het debat over de toekomstige financiering van de defensie knoopt gemakshalve aan bij de nieuwe toestand in Europa, niet bij de actuele problemen 'out of area'. Tussen theorie en praktijk gaapt een wijde kloof. Misschien anders, maar vooral minder, luidt het motto.

    • J.H. Sampiemon