Alders biedt uitzicht op Nederland in de 21ste eeuw

DEN HAAG, 15 nov. Nederland is nu in staat om op een inspirerende manier over het jaar 2000 heen te kijken en zich een beeld te vormen wat het qua ruimtelijke vormgeving in de 21ste eeuw te wachten staat. Die woorden staan aan het begin van de extra Vierde nota over de ruimtelijke ordening die minister Alders gisteren heeft gepubliceerd.

De extra nota vormt het vervolg op de Vierde nota over de ruimtelijke ordening die in 1988 door Alders' voorganger, de VVD'er Nijpels, werd opgesteld. Enerzijds gaat het nu om een vervolgnota, anderzijds om een werkstuk waarmee de huidige PvdA-minister bepaalde accenten duidelijk heel anders legt dan Nijpels deed.

In de nota van oud-minister Nijpels ging het erom Nederland economisch weer gezond te maken en zijn internationale concurrentiepositie te vergroten en te verstevigen. Voor het derde kabinet-Lubbers waren die doelen blijkbaar net iets te eenzijdig en ook niet sociaal genoeg. Alders schrijft namelijk dat zijn nota ook moet passen in de plannen van het kabinet voor sociale vernieuwing. Het gaat volgens hem bij het bieden van uitzicht op de 21ste eeuw niet alleen om benutten van economische kansen. Ook de relatie tussen economie en ecologie moet meetellen. Rekening houden met het milieu betekent dan dat de economische ontwikkeling wordt beperkt, maar uiteindelijk zal dat zo meent Alders de economie ook weer ten goede komen.

In tegenstelling tot eerdere nota's over ruimtelijk beleid ademt die van gisteren een agressieve toon. Alders kondigt aan dat hij niets over zijn kant zal laten gaan en een uiterst streng en stringent ruimtelijk beleid wil voeren. Zo zou het rijk zich op planologisch terrein niet langer 'door eigenwijze provincies en gemeenten' willen laten dwarsbomen.

Meer dan ooit is de nieuwe ruimtelijke nota een werkstuk over bouwen en milieu, en tegen de auto. Gebouwd moet er worden, maar met mate en alleen op plekken die door het rijk zijn toegestaan en aangewezen. Het gebruik van de auto moet ruimtelijk zo veel mogelijk worden beperkt.

Bovendien moeten milieu en natuur worden gespaard. Daarom geeft Alders duidelijke grenzen aan voor het Groene hart van Holland, waar de verstening en verglazing nog steeds doorgaan en in strijd met bestaand beleid nog 66.000 huizen dreigen te worden gebouwd. Wat binnen die grenzen valt wilt hij definitief tegen verdere verstedelijking behoeden. Eenzelfde soort bescherming wil hij ook geven aan tal van plattelandsgebieden die het slachtoffer van agressieve agrarische praktijken zouden kunnen worden.

In het westen van het land moet de nieuwe woningbouw (110.000 huizen tot 1995, 210.000 in de periode 1995-2005 en 140.000 in de jaren 2005-2015) vooral binnen de steden worden verwezenlijkt. Zo kunnen de Randstadgewesten ieder met 215.000 (Amsterdam), 93.000 (Den Haag), 87.000 (Rotterdam) en 65.000 (Utrecht) woningen uitbreiden. De behoefte aan de 210.000 woningen die voor de periode na 2005 zijn gepland, is nog niet zeker.

Alders houdt er namelijk ernstig rekening mee dat de vraag naar woningen en bedrijfsterreinen over tien jaar aanzienlijk lager ligt dan nu is geraamd; daarom wil hij de ruimtelijke planning zo flexibel mogelijk houden. Voorlopig ziet hij af van de bouw van een 'Parkstad' tussen Rotterdam en Den Haag en van de kustuitbreiding tussen Hoek van Holland en Scheveningen. Ook heeft hij Amsterdam slechts een tamelijk zwak groen licht gegeven om te bouwen.

In de Vierde nota ruimtelijke ordening extra (Vinex) wordt krachtig gewaarschuwd tegen de bouw van afgelegen steden als Lelystad, evenals tegen zulke stedebouwkundige teleurstellingen als de Bijlmer. Voorop staat dat alle nieuwbouw dicht bij de stad en vlak bij het werk moet zijn, makkelijk te bereiken met het openbaar vervoer.

Alders stelt de provincies en gemeenten die zich verzetten tegen zijn planologische voorkeuren keiharde rijksmaatregelen in het vooruitzicht. Overigens zijn de plannen van Alders nog niet definitief, er volgen nog inspraakprocedures.

De nadelen deze concentratie hogere grondprijzen in de stedelijke gebieden wil minister van VROM positief ombuigen. De meeropbrengst die gemeenten voor de gronduitgifte krijgen wil Alders afromen en vervolgens gebruiken voor infra-structurele werken.

De nieuwe nota is helder over de ontwikkeling van het westen des lands. De minister vermoedt vooral daar het kloppend hart der natie. Zijn toekomstschets is echter veel minder duidelijk over de rest van Nederland en de landelijke gebieden. Zo mag Nijmegen weliswaar de 'sprong over de Waal' wagen en noordwaarts uitbreiden en krijgen ook de regio Eindhoven/Helmond en het gebied van Venlo, een nieuw stadsgewest, bijzondere aandacht, maar hoe het verder moet met de zogenoemde 'regio's op eigen kracht' blijft grotendeels verborgen. Dat is ook het geval met de landelijke gebieden. Daarvoor hebben Alders en zijn ambtenaren vier koersen bedacht: een groene, gele, blauwe en een bruine. In het ene gebied ligt het accent op puur natuur en in anderen op diverse vormen van landbouw alsook op integratie van uiteenlopende ruimtelijke functies. Maar die kleurbepalingen lijken elkaar voortdurend te overlappen en te doorkruisen. Hierdoor is er weinig meer zichtbaar van de eerder dit jaar door de ministers Braks en Alders voorgestelde 'ecologische hoofdstructuur' die de grondslag vormt van het Nationaal natuurbeleidsplan.