Vliegende messen

Polen houden van feestvieren, soms uitbundig met zingen en dansen, soms sentimenteel in de buurt van een wodkafles. Maar hun hoofdstad Warschau is een grijze, dode stad geworden waar de brede boulevards in het centrum zijn uitgestorven zodra de avond het daglicht heeft verdreven. De straten zijn leeg en troosteloos, de grote pleinen donker en verlaten, en bij de warenhuizen hangt slechts hier of daar een flikkerend neonlicht. De stadsbewoners zitten thuis, achter de televisie, rondom een tafel met gasten of in een stoel een boek te lezen. Voor hun is donker Warschau te gevaarlijk en is het uitgaansleven te duur.

De recessie heeft het sobere leven van de Polen nog soberder gemaakt. De prijzen zijn flink gestegen, de inkomens niet. Het uitgaansleven is dus praktisch ingestort, behalve voor de Polen die de vruchten van het kapitalisme reeds hebben geplukt, degenen die rondrijden in luxueuze Westerse auto's en die bij voorkeur in een Westers hotel dineren voor een bedrag waarvan een doorsnee Pool twee weken moet leven. Alleen voor de 'snobs' in de Poolse hoofdstad is er een nieuwe attractie: de Heinekenbar. Aan de muur van een gebouw dat van buiten lijkt op een vervallen pakhuis hangt een verlicht reclamebord met het merkteken van de Amsterdamse bierbrouwer. Binnen ziet de bar er beter uit, met Delfts blauw, posters met tulpen en een levensgrote Heineken-vlag. Een glas Heineken bier van 12.000 zloty (een bedrag waarvan vijf broden kunnen worden gekocht) behoort weliswaar tot de duurste van Warschau, maar veel keus hebben de hoofdstedelijke nouveaux riches niet.

De weinige bars die Warschau kent zijn verwaarsloosd, vies en leeg, terwijl ze in de stadswijk Praha, aan de andere oever van de Vistula, levensgevaarlijk zijn. De inwoners van Warschau mijden deze stadswijk, bijgenaamd 'de oever van de vliegende messen', die het werkterrein is van criminele bendes, groepen souteneurs en individuele straatrovers. De cafes in het centrum ademen vooral vergane glorie uit ooit met pretentie ingericht, nadien niets veranderd, nooit onderhouden zoals Corso aan de Plac Zbawiciela, het Plein van de Verlosser. In de jaren zeventig was Corso het trefpunt van scholieren en studenten die onder het genot van een glas wijn of een bord spagetti over zichzelf en de wereld spraken. Die tijd is voorbij: Corso is leeg, vervallen met een afgerafeld tapijt, bruine plastic bankjes, lauw bier en een enkeling die doelloos voor zich uit staart, kennelijk hopende op de Verlosser.

Andere etablissementen, de 'restaurants-dancing' en nachtclubs rondom het hoge, gelige Forum-hotel worden wat drukker bezocht, maar zijn in werkelijkheid het operationele terrein van vrouwen voor wie het oudste beroep de broodwinning is geworden. Het restaurant Kaukaska ziet er van buiten nog aanlokkelijk uit: de neonlichten boven de ingang doen het. Maar binnen, na het omkopen van de 'uitsmijter' die ten minste 120 kilo weegt, hangt tussen de rode lichten in de rokerige eetzaal een atmosfeer van verval, van decadentie. Op het versleten bruine tapijt kijken al wankelend dronken bezoekers hoe hun metgezellen, die dat nog net niet zijn, krampachtig over de dansvloer schuiven met vrouwen van het lichte beroep die hun jaren van hoogconjunctuur reeds achter de rug hebben.

Als Kaukaska zijn attractie, een 'striptease-show', aankondigt zitten de meeste mannelijke bezoekers laveloos achter hun glazen lauw bier, terwijl hun 'vrouwen van de avond' naar voren schuiven om de vormen van het naakt dansende meisje te keuren. Zij werpen kritische blikken op de danseres, schampere opmerkingen blijven niet uit. Alleen aan een vrouw ontgaat de hele naaktshow: de bejaarde toiletdame die met een lege en berustende blik naar het plafond tuurt alsof zich in Kaukaska de 'last days of Saigon' afspelen.