KOREA'S KATER NA HET OLYMPISCHE FEEST

De Olympische Spelen gaven Zuid-Korea allure. Na het feest zit het land met de kater. Groeiende politieke onrust, afnemende economische groei en ernstige stagnatie van de investeringen markeren de Koreaanse 'crisis'. Arbeidsonrust is aan de orde van de dag, de loonkosten stijgen onrustbarend. Groeistuipen of het einde van een illusie?

Het zag er allemaal zo rooskleurig uit. De Olympi sche Spelen van 1988 in Seoul, weggekaapt voor de neus van de Japanse mededinger Nagoya en met trots bestempeld als internationale erkenning van Zuid-Korea's succesvolle ontwikkeling, zouden de impuls geven aan verdere economische expansie. Immers zo was het ook Japan vergaan na de organisatie van de Spelen van 1964. In plaats daarvan kent Zuid-Korea nu afnemende groei en toenemende arbeidsonrust, veelvuldig uitmondend in gewelddadige confrontaties op de werkvloer en op straat. Daarbij komt nog eens de wispelturigheid van Zuid-Korea's binnenlandse politiek en de krampachtige houding rond het vraagstuk van de noord-zuid-deling en de vraag dringt zich op: is hier sprake van de kater na het feest, het eind van een illusie of zijn dit groeistuipen? Hoe staat Zuid-Korea ervoor en wat staat er te gebeuren?

Vooropgesteld, Zuid-Korea kan nog steeds bogen op een groei van het bruto nationaal produkt: dit jaar zeven procent. In 1989 was dat 6,2 procent maar het jaar daarvoor nog elf procent. Volgens prognoses zal de komende jaren het besteedbaar inkomen, en dus ook de consumptie, blijven stijgen. Bovendien vertonen de handelsbalans en de lopende rekening van de betalingsbalans nog steeds een positief saldo, zij het dat ook Zuid-Korea als energie-arm land binnenkort de rekening van de Golfcrisis gepresenteerd zal krijgen. Ook op het politieke vlak laat het land zich niet geheel onbetuigd. De contacten met China worden steeds intensiever, eerder dit jaar had president Roh Tae-woo een ontmoeting in Los Angeles met Gorbatsjov, en de regerende partij heeft twee van de drie oppositiepartijen in eigen gelederen weten op te nemen. Niettemin blijft het beeld van onzekerheid hangen.

Stormachtig

Zuid-Korea's overgang van agrarische naar industriele samenleving is snel en stormachtig geweest. Weliswaar heeft zij zich voltrokken in de luwte van Japans ontwikkeling en met dat land als lichtend voorbeeld, maar het is zeker niet zo geruisloos gegaan. Het overheidsbeleid met nadruk op de ontwikkeling van de zware en kapitaalintensieve industrie heeft financieel, economisch en sociaal een zware tol geeist. Seoul is het onbetwiste machtscentrum van waaruit met straffe hand wordt geregeerd. De groeistrategie van de overheid heeft de grote industriele groepen, de chaebol, bevoorrecht maar tegelijkertijd ook weerstand gekweekt in andere delen van de samenleving. De groeiende politieke onrust, de roep om meer democratie en een evenwichtiger inkomensverdeling alsook buitenlandse druk zijn het signaal voor de regering een democratischer koers te volgen, een rechtvaardiger inkomensverdeling na te streven en de binnenlandse groei te bevorderen, ten koste van de 'zorg' voor het bedrijfsleven. Gevolg: een toenemende afstandelijkheid tussen overheid en de chaebol. Investeringen in produktiemiddelen blijven uit; in plaats daarvan vluchten de grote ondernemingen in belegging in onroerend goed en buitenlandse waardepapieren. De economische groei neemt af, het handelsoverschot loopt drastisch terug, de betalingsbalans verslechtert terwijl de loonkosten onrustbarend stijgen.

De overheid

In februari van dit jaar besloot de regering het tij te keren en lanceerde een plan om het vertrouwen van de zakenwereld te herstellen en de groei te stabiliseren. Het recept is stimulering van de export en verbetering van de concurrentiekracht door extra investering in onderzoek en ontwikkeling (R en D). Dit laatste wordt vooral ingegeven door het feit dat buitenlandse technologie, Westerse en Japanse, niet meer onbeperkt toegankelijk is terwijl door de sterke loonkostenstijging de opbrengst van de low-profit-high-volume standaardprodukten minimaal is geworden. Het is duidelijk: Zuid-Korea's economie bevindt zich in een overgangsfase naar volwassenheid. Om de produktiviteit te verhogen en de concurrentiekracht van de industrie te verbeteren, dient het technologisch niveau van zowel het grote als kleine bedrijf te worden opgevijzeld door investering in R en D.

Interventie in het economisch proces is niet nieuw in Zuid-Korea; de hand van de overheid is overal zichtbaar en het technologiebeleid is geen uitzondering. Echter, in tegenstelling tot de eerdere fase van industriele ontwikkeling is thans geen sprake van een uniform beleid. Integendeel, de betrokken ministeries zijn verdeeld en betwisten elkaars competentie in de constante strijd om de hegemonie.

Zo komt het ministerie van handel en industrie (MTI), geheel naar Japans voorbeeld met een vijfjarenplan dat voorziet in selectie, protectie en financiele ondersteuning van kansrijke industrieen. Deze aanpak beoogt technologie te ontwikkelen die snel in produktie kan worden toegepast. Favoriete terreinen van het MTI zijn luchtvaart, elektronica en biotechnologie.

Het ministerie van wetenschap en technologie (MOST) daarentegen schuift een langere termijnvisie naar voren en benadrukt basis-research ten behoeve van de toekomst. De scenario's wijken niet af van de Westerse of Japanse ideeen daaromtrent. Ze beklemtonen onder andere communicatie en transport en zo werkt, bij voorbeeld, de ontwikkeling van een eigen supersnelle trein sterk tot de verbeelding van MOST.

Het Economic Planning Bureau, van oudsher de centrale coordinator van het overheidsbeleid, bepleit een marktgericht beleid en een algemene verbetering van het investeringsklimaat voor R en D door middel van belastingfaciliteiten.

Ofschoon in deze richtingenstrijd het pleit nog niet beslecht is, lijkt de positie van het MTI het sterkst. In elk geval beoogt de interventie van het MTI de ontwikkeling van een nieuwe generatie technologie te bevorderen die haar weg kan vinden bij de produktie van HDTV (nieuwe generatie TV), elektronische telefoons, super minicomputers, fax, DAT, video disc spelers, kortom al die produkten met een grote marktpotentie waarin Japan nu nog dominant danwel marktleider is.

De chaebol

Bij de uitvoering van het nieuwe technologiebeleid rekent men heel sterk op de medewerking van de grote Koreaanse ondernemingen, de 'chaebol', bij ons bekend onder namen als Hyundai, Daewoo, Samsung, Lucky Goldstar e.d. Achter deze namen gaan grote industriele groepen schuil die zich met zeer uiteenlopende activiteiten bezighouden. Zo produceert Hyundai niet alleen auto's maar is ook actief in de bouwwereld, off-shore, ijzer en staal, precisie-instrumenten, aluminium, elektronica enz. De Zuidkoreaanse chaebol zijn niet alleen sterk gediversificeerd waardoor zij het karakter van 'potpourri conglomeraat' hebben gekregen, zij zijn ook sterk geintegreerd. Hyundai bij voorbeeld houdt zich zowel bezig met de produktie van basisprodukten (ijzer en staal) als met die van kapitaalgoederen (machines), halffabrikaten (chips), eindprodukten (auto's) en verzorgt tevens tal van diensten op het terrein van bij voorbeeld verzekering, distributie, in- en export.

De verticaal geintegreerde en sterk gediversificeerde kolossen worden op een autocratische manier geleid door de oprichters en hun naaste familieleden. Behalve de familieband speelt in de chaebol ook de relatie met politici en ambtenaren een belangrijke rol terwijl men tussen de chaebol onderling vanuit het circuit van afgestudeerden van de drie Koreaanse topuniversiteiten: Seoul National University, Korea University en Yonsei University, elkaar de bal regelmatig toespeelt.

Plaats en invloed van de chaebol staan momenteel volop ter discussie. Critici vinden het hoog tijd dat zij zich herstructureren en, conform de internationale tendens, concentreren op enkele kern-activiteiten. Dit impliceert dat de chaebol meer aandacht zullen besteden aan de ontwikkeling van eigen technologieen maar ook dat het midden- en kleinbedrijf actiever als toeleverancier wordt ingeschakeld dan tot nu toe het geval is geweest. Verder hebben de meeste chaebol zich veel te diep in de schulden gestoken en zou de autocratische wijze van leidinggeven moeten plaatsmaken voor een modernere management-aanpak. Bovendien dient de beschermende paraplu van de overheid te worden ingeklapt.

Of het inderdaad tot drastische wijzigingen komt, kan worden betwijfeld. Immers, het is niet de eerste keer dat de chaebol onder vuur liggen. Telkens zijn zij in staat gebleken de ontwikkelingen naar hun hand te zetten, beschuldigingen van corruptie en dreiging met hoge straffen ten spijt. Maar al te vaak bleken de Zuidkoreaanse politieke leiders de ondernemers te hard nodig te hebben voor de verwerkelijking van hun economische plannen. In plaats van de chaebol te kortwieken, kregen zij groeisectoren toebedeeld (staal, scheepsbouw, automobielen, elektronica), werden zij van goedkope kredieten voorzien en genoten zij bescherming waar dat maar nodig was. Dit beeld domineerde de jaren zestig, ten tijde van de militaire overheersing, en zette zich voort in de jaren zeventig en daarna. Het werd steeds duidelijker dat de Koreaanse economie volledig afhankelijk was geworden van de prestaties van de chaebol. Pogingen van de presidenten Park en Chun om de chaebol te dwingen hun schulden te saneren, subsidies terug te betalen, hun structuur aan te passen en bij voorbeeld het aantal dochterondernemingen te verminderen, liepen op niets uit. Integendeel, de chaebol groeiden door: in 1989 namen de vier grootsten maar liefst de helft van het Zuidkoreaanse BNP voor hun rekening, terwijl veertig procent van de export via de zeven grootste handelshuizen van de chaebol liep.

Onzekere tijden

De 'crisis' waarin de Koreaanse economie zich sedert 1989 bevindt, heeft de regering van president Roh doordrongen van de noodzaak de binnenlandse markt voor buitenlandse concurrentie open te stellen, de kapitaalmarkt te liberaliseren, het dirigistische industriebeleid door een meer indirect technologiebeleid te vervangen, alsmede een krachtig midden- en kleinbedrijf te ontwikkelen. Tegelijkertijd beseft zij dat dit niet zonder de steun van de chaebol kan worden gerealiseerd. Sinds februari van dit jaar is een opmerkelijke klimaatsverbetering ingetreden. De regering heeft aangekondigd de vakbonden met hun hoge looneisen en stakingsdreigingen hard te zullen aanpakken. Sectoren die in de knel komen (bij voorbeeld de scheepsbouw bij Daewoo) zullen worden geholpen terwijl het nieuwe technologiebeleid een bijdrage moet leveren aan de versterking van de concurrentiekracht van de chaebol en een herstructurering van hun organisatie.

De structurele wijzigingen waarvoor de Zuidkoreaanse economie staat, zijn een zaak van lange adem en het is de vraag of de politiek, de bureaucratie en het bedrijfsleven die tijd wordt gegund. In het gunstige geval loopt het vinden van een nieuw evenwicht tussen MTI, MOST en EPB, het herstructureren van de chaebol, het opbouwen van een krachtiger midden- en kleinbedrijf en het wortelen van de democratie in de Zuidkoreaanse maatschapppij parallel met de liberalisering van de binnenlandse markten en de aandrang van de vakbeweging op meer zeggenschap en een rechtvaardige verdeling van de welvaart. In het ongunstige geval kunnen de emoties nog wel eens hoog oplopen.