DE ECONOMIE VOLGENS EEN GROENE BRIT

Future wealth. A new economics for the 21st century. Auteur: James Robertson. Uitgever: Cassell, 1990. Prijs: 16,95 pond. ISBN 0-304-31930-9

Voorbij socialisme en kapitalisme, voorbij Marx, Smith en Keynes - dat is volgens de Engelse econoom James Robertson in zijn boek Future Wealth het kenmerk van de economie van de volgende eeuw. Deze economie dient 'enabling' en 'conserving' te zijn, er dient een harmonie te komen tussen economie en ecologie. Omdat de natuur en haar wetten een hard gegeven vormen, vereist zo'n harmonie een volledige herorientatie van ons huidige economische denken en doen.

Vele punten in zijn boek herinneren aan de thema's van groene partijen: produceren op menselijke schaal en voor werkelijke behoeften in plaats van voor marktprofijt; hernieuwd streven naar autarkie en decentralisering; werkelijk zuinig omgaan met energie en grondstoffen, en niet slechts wat recycling; flinke heffingen op milieu-belastende activiteiten en produkten; een meer maatschappelijke orientatie bij investeringen; en het kwijtschelden van de schulden van de Derde Wereld, zodat de betrokken landen zich wat autonomer en gezonder kunnen ontwikkelen.

Volkskapitalisme

Het 'enabling' is het interessantste doel van Robertsons economie. Een ruimere toegankelijkheid tot kapitaal en een algemeen basisinkomen moeten alle mensen in de gelegenheid stellen eigen werk te creeren, alleen of samen met anderen, of vrijwillig en niet langer als niet-meedenkende loonslaaf te werken in bedrijven of instellingen. Hij komt uit bij een soort volkskapitalisme maar haast zich aan te tonen dat dit hemelsbreed verschilt met wat de regering Thatcher onder die naam probeert te bereiken. Zowel kapitalisme als socialisme ruineren niet alleen hun eigen bestaansbasis - het milieu - maar, stelt Robertson, maken ook de mensen afhankelijk. En wel van het grote geld en het a-morele rendementsdenken, respectievelijk de a-morele staatsbureaucratie, en van beide moeten we af. Werkelijke en gelijkwaardige participatie van alle burgers wil Robertson de glasbak mijlen voorbij. Algemene 'self-reliance', cooperatieve zelfredzaamheid van de mensen en hun economie; dus niet die van het benepen, geindividualiseerde soort om slechts het sociale vangnet goedkoper te maken.

Voorbij markt en staat ziet hij de komende economie dus. De kloof tussen producenten en consumenten dient sterk te worden verminderd. Bedrijven zouden bestierd moeten worden door alle belanghebbenden - aandeelhouders, personeel en klanten voorop.

De economie van de 21ste eeuw vindt haar zwaartepunt op het lokale en regionale vlak, maar is tegelijk een een-wereld systeem, een mondiale economie met autonome maar onderling verbonden sub-economieen.

Onder de instrumenten om dit te bereiken een overlevingsnoodzaak volgens de auteur - is het opvoeren van de talloze kosten die nu nog verplaatst of genegeerd worden van het grootste belang, evenals een basisbelasting op energie en land en verdere 'eco-taxing' (de vervuiler betaalt). Ook pleit hij voor een ander geldsysteem dan het huidige dat de rijken rijker maakt en de armen armer.

Een geldsysteem moet, aldus Robertson, niet overheersen maar werken als middel om te informeren en te reguleren. Hij refereert aan hervormers als George (grondbelasting), Gesell (rentevrij geld), Hayek (de-nationalisering van geld), en Douglas (sociaal krediet). Robertson voorziet een aanstaande ineenstorting van ons huidige financiele systeem en raadt ons aan dit voor te zijn en het liever te zoeken in een zachte landing. Hoe dit ook zij, waardevol is dat hij het geldsysteem ter sprake brengt omdat de discussie erover, zoals de econoom Binswanger (Hochschule Sankt Gallen) zegt, uit onze maatschappij 'weggekatapulteerd' is.

Agenda

Robertson is niet de eerste de beste. Als ambtenaar bij de Britse ontwikkelingssamenwerking schreef hij al in 1974 een artikel 'Is een non-profit economie mogelijk?'. Hij is mede-oprichter van The Other Economic Summit, een progressief alternatief voor de officiele periodieke economische topconferentie van de rijke landen. Praktisch ingesteld, besluit hij zijn boek met een agenda voor de jaren negentig. Deze behelst voorstellen voor de vele noodzakelijke detailstudies en haalbaarheidsonderzoeken en voor de dringende sensibilisering van de opinie. Economie is geen objectieve wetenschap en zoals zij nu functioneert en gebruikt wordt is zij toe aan grondige herziening. De heilige huisjes mogen daarbij niet ontzien worden, stelt de schrijver.

Zijn voorstellen komen niet uit de lucht vallen. Overal ter wereld worden alternatieve oplossingen uitgeprobeerd, in de gezondheidszorg en de stadsplanning, in bedrijven en scholen, in de landbouw en de energie-sector, op het gebied van zeggenschap en controle. Om er slechts een te noemen, uit de recente TV-serie 'Where on earth are we going?' van een andere groene Brit, Jonathon Porrit: een bank in een vervallen wijk van Chicago die besloot zich op locale investeringen toe te leggen en er beslissend toe heeft bijgedragen dat de wijk zich nu in een zich opwaarts ontwikkelende spiraal bevindt.

Mij lijkt dit boek een 'must' voor onze smaak- en beleidmakers. Het zorgt voor de hard nodige frisse wind. Dat er naieve stukken inzitten, is alleen maar begrijpelijk waar het een zo moeilijk en gevoelig onderwerp betreft. Waar stukjes geschiedenis geschetst worden, is Robertson, zoals vaak bij wetenschappers, wat onmaterialistisch, ik bedoel: hij laat de onderliggende economische oorzaken te weinig meewegen.

Als je ecotaxing (de vervuiler betaalt - red.) propageert, dien je meteen de vraag te behandelen hoe je denkt te vermijden dat het milieu aldus aan de kapitaalkrachtigsten wordt uitverkocht.

Economie gaat over macht, stelt Robertson in het begin, maar zijn voorstellen voor verandering zijn vervolgens grotendeels afhankelijk van het ontwaken, bij ondernemers, financiers, vakbondsleiders en staatslieden, van een totaal ander inzicht - meer algemeen maatschappelijk, meer sociaal, meer toekomstgericht, de deelbelangen voorbij: ja, meer altruistisch vaak ook.

Juist deze mensen zitten echter in een dwangpositie, als veroorzakers en gevangenen van voortgaande kapitaalacumulatie, schaalvergroting en van verscherpte concurrentie of van een gegroeide constellatie voor werkgelegenheid en sociale uitgaven. Nog afgezien van de algemene onwil om eenmaal bereikte macht af te staan. Dat dit hun anders denken en doen behoorlijk in de weg staat, benadrukt Robertson te weinig.

De hele wereldeconomie en onze hele welvaart zijn gebaseerd op het routinewerk van miljoenen 'werkbijen'. Stedelijke 'white-collars' staan daar vaak ver van af, hetgeen in de onderbouwing en aard van hun voorstellen te bespeuren valt.

Toch blijf ik bij mijn oordeel: een aanrader. Noodzakelijke lectuur voor economische, financiele en politieke kringen. Hier heeft iemand wat verder en praktischer gedacht dan menig andere econoom. In 1996, als we niet meer in de zon kunnen zitten en ons drinkwater op de bon is, is het te laat om dit boek te lezen.