COOPERATIES SCHIPPEREN TUSSEN LEDEN EN MARKT

Lange tijd wisten cooperaties wat ze moesten doen: zoveel mogelijk agrarische produkten verwerken ten behoeve van de aangesloten boeren. Dat gaat steeds minder op. Ook cooperaties moeten zich door de Europese eenwording en door veranderend consumentengedrag meer als echte ondernemingen gedragen. Zij hebben een handicap: het blijven verenigingen.

Cooperaties, de ruggegraat van de Nederlandse landbouw, staan onder druk. De Europese eenwording dwingt hen evenals andere ondernemingen tot schaalvergroting en internationale samenwerking. De liberalisering van het landbouwbeleid maakt een meer marktgerichte opstelling noodzakelijk, de cooperaties moeten in toenemende mate overschakelen op hoogwaardige en vaak trendgevoelige (consumenten)produkten.

Ir. J. Prins, president-directeur van Cebeco Handelsraad - een cooperatie van cooperaties - formuleert de strategie kortweg zo: 'Het gaat om het in boerenhand houden van toegevoegde waarde. Om dat te realiseren zal de Nederlandse landbouw zich, anders dan nu het geval is, moeten onderscheiden door kwaliteitsprodukten. Tegenwoordig stellen de afnemers steeds meer kwaliteitseisen.' Kwaliteit kan zich vertalen in de ontwikkeling van bij voorbeeld hoogwaardige zuivelprodukten als het Mona-toetje (Melkunie). Het boter-kaas-en-eieren-denken is uit de tijd.

In de concurrentieslag met particuliere bedrijven hebben de cooperaties een handicap: het blijven verenigingen waarin leden het laatste woord hebben. Hun belangen zouden weleens haaks kunnen staan op de belangen van de cooperatie als onderneming.

Gemiste kans

Het voorbeeld van een gemiste kans is de margarine. In het begin van deze eeuw leverden de zuivelcooperaties slag met de fabrikanten van margarine. Achteraf bezien waren ze misschien beter af geweest als ze zelf ook dit niet-zuivelprodukt waren gaan maken. Bij hun leden/veehouders hoefden ze daar niet mee aan te komen. Op dit moment verschijnen de 'spreads' op de markt: mengsels van roomboter en plantaardige olien en vetten. Volgens een EG-besluit moeten deze 'spreads' ook in Nederland worden toegelaten. Zuivelcooperaties staan voor de vraag of ze ook dergelijke produkten moeten maken. Als ze dat doen, lopen ze grote kans dat ze daarmee de leden tegen zich in het harnas jagen. Als ze het niet doen, geven ze een stukje van een interessante afzetmarkt weg aan het particuliere bedrijfsleven.

'Al bevat zo'n 'spread' negentig procent margarine, zolang je langs die weg ook je boter kwijt kunt, is dat niet erg', zegt prof.dr. C. Veerman, voorzitter van de Nationale Cooperatieve Raad (NCR). Hij vindt dat de leden/boeren onderscheid moeten maken tussen het lange termijn belang van de cooperatie en het korte termijn belang van een zo hoog mogelijke melkafzet.

De betekenis van cooperaties in de agrarische sector is sinds het eind van de vorige eeuw enorm gegroeid. In 1987 bedroeg de geldomzet van cooperaties, exclusief kredietcooperaties en onderlinge verzekeringen, 35 miljard gulden. Dat komt overeen met ruim zestig procent van de totale geldomzet in de landbouw. Ruim de helft van veevoer en kunstmest wordt via cooperatieve ondernemingen betrokken. Zuivelcooperaties hebben negentig procent van de zuivelmarkt in handen. Cooperatieve suikerfabrieken verwerken twee derde van de suikerbieten, terwijl cooperatieve veilingen tachtig procent van de groenten en negentig procent van de bloemen afzetten. De gezamenlijke land- en tuinbouwcooperaties bieden werk aan 80.000 mensen. Boeren zijn gemiddeld lid van drie a vier cooperaties.

Cooperaties vormen een ondernemingsvorm die eigenlijk alleen in de landbouw en de verwerkende industrie stand heeft gehouden. De eerste agrarische cooperatie in Nederland werd opgericht in 1877 in het Zeeuwsch-Vlaamse Aardenburg. Dat was een zogenoemde inkoopcooperatie die voor de leden onder andere kunstmest inkocht. De naam van de cooperatie luidde zeer toepasselijk 'Welbegrepen Tegenmacht Inkoopcooperaties vormden een 'countervailing power', een macht tegenover de fabrikant, aldus NCR-voorzitter prof. Veerman die ook nog eigenaar is van een 135 hectare groot akkerbouwbedrijf,

Bij de oprichting van afzetcooperaties, die zorgen voor de verwerking en afzet van de produkten van hun leden/boeren, stond eveneens de vorming van economische tegenmacht voorop. De eerste zuivelcooperatie, in het Friese Warga, ontstond doordat de melkveehouders ontevreden waren over de prijs die ze van de particuliere melkfabriek kregen voor de melk.

De binding tussen de leden/boeren van een afzetcooperatie wordt nog eens versterkt door het feit de kosten van verwerking voor de individuele boer niet zijn op te brengen.

Daar staat tegenover dat de boeren ook niet zomaar hun deelname aan de cooperatie kunnen opzeggen. Vooral bij afzetcooperaties zou het wegvallen van de aanvoer van produkten door een of meer leden rampzalige gevolgen kunnen hebben. Om dat te voorkomen moeten boeren die uit de cooperatie willen stappen, vaak een boete betalen. Afhankelijk van de hoeveelheid grondstof die de boer levert, kan dat uittreegeld oplopen tot een bedrag van een ton of meer.

Een aantal boeren vecht momenteel de uittree-regeling aan van de cooperatieve zuivelfabriek DMV-Campina. De boeren achten de regeling in strijd is met de kartelbepalingen van de EG. Het Europese Hof buigt zich thans over de vraag of de relatie tussen de cooperatie en zijn leden inderdaad onder die kartelwetgeving valt.

Bulk

Jarenlang konden de landbouwcooperaties zich beperken tot het zo efficient mogelijk verwerken en afzetten van de produkten die de boeren - de eigenaren van de cooperatie - leverden. Het was in het belang van de leden om zo groot mogelijke hoeveelheden melk, aardappelen en aardappelmeel, suikerbieten en wat dies meer zij af te zetten tegen zo laag mogelijke verwerkingskosten.

Die bulkgerichte benadering konden de cooperaties lang volhouden, omdat voor een aantal agrarische produkten, zoals suikerbieten, aardappelmeel en zuivel het marktmechanisme geheel of gedeeltelijk buiten werking was gezet. Dank zij interventieprijzen en subsidies van de EG kwam er voldoende geld binnen.

'Die tijd is voorbij', meent prof. dr. ir. G. van Dijk, directeur van de NCR en buitengewoon hoogleraar in Wageningen. Aan de ene kant verdwijnt de beschermende paraplu van het EG-landbouwbeleid. Aan de andere kant stelt ook de detailhandel steeds meer kwaliteitseisen. Volgens Van Dijk moeten de cooperaties het spel van de industrie meespelen. Dat betekent dat ze, evenals de Unilevers en de Nestle's, moeten inspelen op de wensen van de consument.

Prof. dr. C. Veerman, voorzitter van de NCR, legt uit welke strategie daarvoor nodig is. 'Als je voor de markt produceert', zegt hij, 'heb je te maken met een 'value chain', een keten van toegevoegde waarde. Degene die het meest verdient aan het vlees is de slager aan het eind van de keten. Degene die het minst verdient aan het vlees is de boer. Wat je dus moet proberen is om een aantal schakels op te schuiven in die keten waardoor je dichter bij de consument komt.'

Kwaliteit kan ook gevonden worden in gezamenlijke distributiesystemen met de detailhandel. Het voordeel daarvan is dat de winkelier bij een dergelijke verwevenheid niet om een cent prijsverschil naar een ander gaat.

Om een marktgericht beleid te voeren moeten de cooperaties investeren. Niet alleen in nieuwe produkten en nieuwe processen, maar ook in het bewerken van de markt en het opzetten van distributiesystemen. De meeste cooperaties zijn te klein om dat zelfstandig te kunnen doen. Dat betekent dus schaalvergroting, bij voorbeeld door fusie, zoals momenteel volop gebeurt tussen de zuivelfabrieken in het Noorden en ook tussen DMV Campina en Melkunie.

Joint ventures

Een andere manier om schaalvergroting te realiseren is de vorming van joint-ventures. Suiker Unie en Cebeco Handelsraad werken sinds begin dit jaar samen op het gebied van de aardappelverwerking en handel in groente en fruit. Elk van de cooperaties neemt voor dertig procent deel in de desbetreffende dochter van de ander. Het voordeel van zo'n samenwerking is onder andere dat men elkaar op een bepaald terrein niet voor de voeten loopt.

Behalve schaalvergroting binnen Nederland zoeken de cooperaties ook samenwerking met ondernemingen in andere EG-landen. Zo werkt Cebeco samen met een Franse inkoopcooperatie. Prins: 'In de kunstmest heb je een geweldige concentratie van bedrijven gehad. Er zijn nog maar enkele kunstmestproducenten in de wereld. Daardoor verzwakt je positie als afnemer. Het is toch veel gemakkelijker als wij samen met een Franse cooperatie met zo'n kunstmestfabrikant over prijs en leveringsvoorwaarden praten.'

De vraag is of bij alle schaalvergroting de leden/boeren zich nog wel herkennen in hun onderneming. Volgens Veerman, zelf bestuurslid van de Suiker Unie, stelt de schaalvergroting zeer hoge eisen aan de kwaliteit van het bestuur van de cooperatie. Het bestuur vertegenwoordigt de leden. Aan de ene kant moet het dat op een zodanige wijze doen het de directie niet voortdurend hindert. Aan de andere kant moeten de leden nog wel, via het bestuur, zeggenschap kunnen uitoefenen over de cooperatie.

In de cooperatieve structuur ligt altijd de spanning besloten tussen het korte termijn belang van de boer en het belang van de cooperatie als onderneming. Naarmate de cooperaties in omvang toenemen en zij zich meer gedragen als 'echte' ondernemingen, zal de spanning tussen boer/lid en cooperatie groter worden. Een manier om die spanning te verminderen heeft men nog niet gevonden. Volgens prof. Van Dijk zou dat ook de kwadratuur van de cirkel zijn. Als de cooperaties willen overleven, zullen ze voor dit probleem toch een oplossing moeten vinden.

DE DODE HAND VAN DE BOEREN

De orientatie op de markt kost de cooperatie vooralsnog geld, veel geld. Het vermogen van cooperaties is afkomstig van de leden. De overdracht gebeurt op verschillende manieren. De belangrijkste is de inhouding van de winst van de cooperatie. Elk jaar beslissen de leden welk deel van de winst de cooperatie uitkeert, bij voorbeeld in de vorm van een nabetaling op de geleverde grondstoffen en welk deel in de onderneming blijft. Dat eigen vermogen heeft als naam 'de dode hand'; het is van de boer, maar hij krijgt het nooit in handen.

Een tweede, theoretische vorm van vermogensoverdracht, is de ledenaansprakelijkheid. Vooral in de begintijd, toen de cooperaties nog geen eigen vermogen hadden, moesten de leden met hun eigen have en goed garant staan voor de onderneming. Tegenwoordig is bij veel cooperaties de aansprakelijkheid beperkt. Bij de Rabobank bij voorbeeld bedraagt de ledenaansprakelijkheid maximaal vijfduizend gulden.

Een derde vorm is de ledenrekening. Leden/boeren krijgen een bepaald bedrag voor geleverde grondstoffen. Een klein deel daarvan wordt niet uitbetaald, maar op rekening gezet. Dat bedrag wordt na een bepaalde periode, tien jaar bij voorbeeld, uitbetaald. Op die manier beschikt de cooperatie over een soort 'revolving fund'. Strikt genomen is dat geen eigen vermogen, maar is het een schuld van de cooperatie aan de leden.

De cooperatieve ondernemingsvorm is een fundamentele barriere om geld aan te trekken via de effectenbeurs. Een aandeelhouder die zijn kapitaal belegt in een onderneming wil daarop liefst een zo hoog mogelijk rendement hebben. De onderneming zal dus, om zijn aandeelhouders te behagen, zoveel mogelijk winst moeten maken.

Is die onderneming een cooperatieve zuivelfabriek dan moet de directie ook het bestuur en de leden van de cooperatie te vriend houden door een zo hoog mogelijke prijs voor de melk uit te betalen. Daar schuilt een fundamentele belangentegenstelling; de cooperatie kan niet en de winst maximaliseren voor de aandeelhouder en tegelijkertijd ook de uitbetaling aan de leden/boeren.

Om in de behoefte aan risicodragend vermogen te voorzien, bewandelen de cooperaties verschillende wegen. Cebeco-Handelsraad bij voorbeeld heeft de aangesloten leden-cooperaties aangeboden de leden-schuldrekening om te zetten in participaties, aandelen eigenlijk - al mogen ze zo niet worden genoemd - die tussen de aangesloten leden-cooperaties verhandelbaar zijn.

Volgens Prins van Cebeco-Handelsraad zouden ook cooperaties waarvan boeren rechtstreeks lid zijn, kunnen overwegen dergelijke participaties uit te geven. Een fundamenteel probleem is dat de leden/boeren op een gegeven moment hun participaties willen verzilveren. Er moeten dus duidelijke regels komen voor de uitgifte van participaties. De Rabobank heeft een andere methode ontwikkeld om aan risicodragend vermogen te komen. Deze cooperatieve bank is met een financieringsvorm gekomen waarbij de bank zelf als kapitaalverschaffer optreedt. Dat gebeurt in de vorm van de uitgifte van cumulatief preferente aandelen in de cooperatie waarbij het rendement dus van te voren is vastgesteld. Deze financieringsvorm is het afgelopen jaar toegepast bij de cooperatieve slachterij Coveco en bij de aankoop van slachterij Lunenburg door de Encebe.

Financieel specialist R. Broekhuyse van de Rabo: 'De essentie van dit soort participaties is dat we de onderneming, in dit geval de cooperatieve onderneming, tijdelijk bijstand verlenen om zijn behoefte aan vermogen te vervullen. Het is altijd tijdelijk en we willen ook geen zetel in de raad van Commisarissen of in het bestuur. We verkopen gewoon kapitaal.'