AMERIKAANSE DROOM

Sinds de eerste oliecrisis in 1973 is de 'American Dream' van automatische welvaartsverbetering achterhaald door de werkelijkheid. Vanaf dat tijdstip is het gemiddelde gezinsinkomen volgens officiele gegevens nauwelijks meer gestegen. Democraten en Republikeinen, schrijft het Britse weekblad The Economist, ruzien nu over de interpretatie van de cijfers en over de schuldvraag. Maar iedereen is het erover eens dat de stagnatie in de groei van de levensstandaard sinds 1973 een feit is. Het dispuut spitst zich nu echter toe op de verdeling van het nationale inkomen. De ongelijkheid tussen arm en rijk is sinds het eind van de jaren zeventig toegenomen en verscherpt door belastingmaatregelen ten gunste van de rijken en ten koste van de armen. Het verschil tussen beide groepen is volgens The Economist nu bijna even groot als in 1947.

Het blad noteert enkele bedenkingen bij de officiele cijfers. Het wijst er bij voorbeeld op dat de gezinnen kleiner zijn geworden. Dat is de reden waarom het gemiddelde gezinsinkomen ongewijzigd bleef terwijl het inkomen per hoofd van de bevolking steeg. Evenmin komen demografische veranderingen tot uitdrukking in de gegevens. Het aantal gezinnen met tweeverdieners mag dan sinds 1960 meer dan verdubbeld zijn, uit onderzoek blijkt ook dat dertig procent van het tweede inkomen opgaat aan kosten voor kinderopvang en huishoudelijk werk. Daarbij komt dat de huizenprijzen verdrievoudigd zijn in dezelfde periode waarin het gemiddelde gezinsinkomen stagneerde. Ook de studiekosten zijn sinds 1977 meer dan verdubbeld, zodat het voor de middengroepen moeilijk of onmogelijk wordt hun kinderen te laten studeren aan de betere universiteiten. Het blad meent ten slotte dat de nog steeds groeiende sector dienstverlening in de VS de levensstandaard vaker verslechtert dan verbetert. Als voorbeeld noemt het blad het feit dat het aantal advocaten per 100.000 Amerikaanse burgers is gegroeid van 145 in 1960 tot 301 in 1990. De levensstandaard kan pas weer stijgen als de groei van de arbeidsproduktiviteit weer op het peil komt van voor 1973, door meer te sparen en te investeren. Het probleem is echter dat niemand weet hoe dat moet, aldus The Economist.

Barron's

Michael Boskin, voorzitter van de raad van economische adviseurs van president Bush, is het zat om te discussieren over de veranderingen in de inkomensverdeling en de onrechtvaardigheid van de inkomstenbelasting. Desgevraagd zegt hij tegen het Amerikaanse weekblad Barron's, dat er de afgelopen twintig jaar maar heel weinig is veranderd in de spreiding van het inkomen. De meest opvallende verandering in de afgelopen tien jaar is volgens hem dat het aantal huishoudens met een inkomen van meer dan 50.000 dollar per jaar is gestegen van 16 tot 23 procent. De veranderingen wijt hij aan demografische ontwikkelingen als de groei van het aantal eenoudergezinnen en de vergrijzing.

Volgens Boskin staat het op dit moment nog steeds niet vast of er sprake is van een recessie. Goed, de economische ontwikkeling is al enkele kwartalen vertraagd, en de effecten van de oliecrisis worden merkbaar. Maar, geen nood. Boskin verwacht dat de olieprijzen medio 1991 weer zullen dalen. Hij baseert zijn verwachting onder andere op de ontwikkelingen op de termijnmarkt. Verder wijst hij erop dat de recessies na de Tweede Wereldoorlog gemiddeld slechts elf maanden duurden. Boskin moet niets hebben van overheidsregulering ter oplossing van de economische problemen, en heeft uitsluitend vertrouwen in monetaire maatregelen. De omvang van de begrotingstekorten is volgens hem minder belangrijk dan de manier waarop geld wordt uitgegeven. De regering zal zich meer moeten toeleggen op investeren dan op consumeren.

Wirtschaftswoche

Het wetenschappelijk onderzoek bij Daimler Benz levert te weinig op in verhouding tot de kosten ervan: 380 miljoen mark. Omdat het organisatiebureau McKinsey heeft vastgesteld dat het onderzoek plaatsheeft in een contraproduktief bedrijfsklimaat, heeft de nieuwe directeur van het centraal laboratorium, Hartmut Weule, besloten het werk van zijn onderzoekers te decentraliseren, zo schrijft het Duitse weekblad Wirtschaftswoche. In plaats van een centrale afdeling komen er nu aparte onderzoeksinstituten voor de autosector en voor de elektronicapoot. Daarnaast komt er een strategische afdeling die zich uitsluitend toelegt op produktietechniek. Dat betekent onder andere dat er geen onderzoek meer wordt gedaan naar alternatieve energiebronnen en naar de gevolgen van technologie voor het milieu.