Afschaffen van historische letterkunde voor Havo-examen is geen detail; Betje Wolff wordt historisch relict

Deze zomer ontstond grote beroering door een voorstel van drie wetenschappers om voor het eindexamen Nederlands tot een verplichte literatuurlijst van 21 boeken te komen. Dat voorstel is gelukkig van tafel verdwenen, maar nu is er een ander plan uitgedacht dat als het werkelijkheid wordt voor het literatuuronderwijs rampzalige gevolgen zal hebben.

De Commissie Vernieuwing Eindexamenprogramma's Nederlands heeft voorgesteld om de letterkunde uit de periode voor 1916 uit het eindexamenpakket voor het HAVO te halen. Elsbeth Etty schreef hierover in deze krant dat dit een 'amputatie' van het literatuuronderwijs zou betekenen en ze merkte dan ook veelzeggend op: 'Dag Multatuli, dag Couperus, dag Gorter'.

Hiermee week ze kennelijk sterk af van de mening van dr. A. Braet, voorzitter van de commissie, die in het culturele programma van Jan Meng voor de NOS-radio opmerkte dat deze verandering slechts een 'detail' betreft. Dat is een wonderlijke opvatting van het woord 'detail', zeker voor iemand die ook nog hoofddocent Nederlandse taalbeheersing is. Of zou Braet werkelijk menen dat het reduceren van Van den vos Reinaerde, Joost van den Vondel, Betje Wolff, Piet Paaltjens en Herman Heijermans voor duizenden HAVO-leerlingen tot historische relicten wat zeg ik: prehistorische relicten een kleinigheid betekent?

Er is in dit geval nog iets wonderlijks aan de hand. In een artikel in NRC Handelsblad van 10 oktober merkte Braet op dat de uitkomst van een onderzoek onder oud-leerlingen, docenten, werkgevers en 'ontwikkelde Nederlanders', uitgevoerd door de Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek te Amsterdam, voor de commissie zwaar heeft gewogen, ja voor haar zelfs uitgangspunt is geweest.

Wie hierna dit onderzoek zelf ter hand neemt in de verwachting dat dit dus het voorstel van de commissie zal ondersteunen, wrijft zijn ogen uit. Een van de conclusies van het onderzoek is: 'Ook het lezen van literatuur uit het tijdvak 1880-1945 en literatuur van voor 1880 zou in het SO (schoolonderzoek) aan bod moeten kunnen komen'. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen HAVO en VWO

Met andere woorden: Braet en de leden van zijn commissie kunnen zich op dit belangrijke punt helemaal niet op de conclusies van het onderzoek beroepen, want hun voorstel gaat wat het HAVO betreft diametraal ertegen in. Dit ondanks de opdracht van de staatssecretaris om deze conclusies als leidraad te nemen en ondanks de veelbelovende opmerking van Braet in zijn eerder genoemde artikel dat hij het 'behoud van de historische letterkunde' heel belangrijk acht.

In een verantwoording schrijft de commissie dat haar voorstel werd ingegeven 'door de cursusduur van het HAVO en de aard van de meeste HAVO-leerlingen'. Wat met het laatste wordt bedoeld, is mij niet duidelijk, maar in ieder geval kan het niet betekenen dat HAVO-leerlingen in het algemeen weinig belangstelling voor literatuur hebben. Uit het onderzoek blijkt immers dat op het HAVO van alle onderdelen van het vak Nederlands de literatuur verreweg het best onderwijsbaar en toetsbaar is. En de cursusduur? Die is gelijk aan vroeger, maar misschien vormt een probleem dat de commissie in haar voorstel zo'n gigantische hoeveelheid rompslomp aan de exameneisen heeft toegevoegd dat daarvoor de historische letterkunde moet wijken. Alleen het meer masochistisch ingestelde deel van het lerarencorps zal daar gelukkig mee zijn.

Ook om andere redenen kan het voorstel van de commissie desastreus worden genoemd. Doordat geschiedenis alleen nog maar een keuzevak is, zijn talrijke leerlingen nauwelijks op de hoogte van wat er zich in vroeger eeuwen op deze planeet heeft afgespeeld. Ook de esthetische vorming is in onze tijd tot de bedreigde soorten gaan behoren. De ontwikkeling van het gevoelsleven en van het vermogen tot genieten krijgt op onze scholen steeds minder kans. Vanwaar dan de onzalige ijver van de commissie om in afwijking van de uitkomsten van het eerder genoemde onderzoek kennis van de historische letterkunde niet langer verplicht te stellen?

Het voorstel van de commissie is vervat in een 'nieuwsbrief', die in oktober aan alle middelbare scholen is toegestuurd. Er zal nog een enquete worden gehouden onder een a-selecte groep docenten en verder zijn er tot begin december op zaterdagen twee bijeenkomsten gepland waarop hooguit honderd leraren acte de presence mogen geven. Wie zich aanmeldt, nadat het maximale aantal is bereikt, krijgt helaas geen toegang. Daarna wordt het voorstel definitief geformuleerd en kan het begin februari aan de staatssecretaris worden aangeboden. Een van de meest ingrijpende wijzigingen in het literatuuronderwijs in deze eeuw zal dan zonder veel tamtam haar beslag hebben gekregen.

De conclusie uit dit alles zal duidelijk zijn: 'behoud van de historische letterkunde' is kennelijk gediend met afschaffing van die letterkunde uit alle eeuwen voor 1916. Wellicht hebben dr. Braet en zijn commissieleden het futuristisch manifest uit het begin van onze eeuw waarin werd voorgesteld de rivier de Arno door de musea van Florence te laten stromen, met iets te veel enthousiasme bestudeerd.