'Zet je dit boek op je lijst?' 'Nee', zegt Ursula vastbesloten. De klas schatert.

Ursula Fokkens (vanaf volgende week 18) ziet er bedrukt uit. Ze zit op het MBO-college Oost Groningen in Winschoten en voor het vak Nederlands moet ze een kinderboek bespreken. Vanochtend ging het nog wel met de zenuwen, maar nu ze op school is en iedereen vraagt of ze zenuwachtig is, is ze het ook. Doodzenuwachtig zelfs, want ze kan zich ineens niet herinneren wie de schrijfster van het kinderboek is.

Met een wit gezicht en een muizestemmetje begint ze in vloeiend Gronings: 'Het heet Het Fluwelen Konijn. Er was een jongetje en die kreeg met kerst allemaal cadeautjes en daartussen zat ook een fluwelen konijn. Hij vond het hartstikke leuk en twee uur achter elkaar heeft hij aandacht aan dat konijn geschonken. Maar toen kwamen er tantes en ooms op visite en kreeg hij nog meer cadeaus. Het konijn werd vergeten en kwam in de kinderkamer terecht waar nog ander speelgoed stond. Dat andere speelgoed keek neer op het konijn omdat het ouderwets was en van binnen van zaagsel. In de kinderkamer leerde het konijn een leren paard kennen dat van een oom van het jongetje was geweest en ook van binnen van zaagsel was. Op een dag zei het paard: 'Het gaat niet om hoe je gemaakt bent, maar om wat je voelt. Als een kind echt van je houdt, word je ook echt.

'Op een dag was het jongetje ziek. Zijn zus gaf hem een speelgoedbeest uit de kinderkamer en dat was het fluwelen konijn. Ze deden samen spelletjes. Toen het jongetje beter was, ging hij buiten spelen. Hij zette het konijn tussen de varens. Het konijn zat tussen de varens en zag twee echte konijnen. Die lachten hem uit omdat hij lelijk was en geen achterpoten had. Hij was daar verdrietig om.

'Op een dag kreeg het jongetje roodvonk en omdat hij het konijn in bed had gehad, zat het vol bacillen en moest het weggegooid worden. De moeder heeft het konijn toen maar achter het huis gezet. Daar stond het zachtjes te huilen en er viel een traan op de grond. Daar ontstond een bloem en uit de bloem kwam een fee die het konijn omtoverde zodat het echt werd. Ineens voelde hij dat hij achterpoten had en hij was heel blij.

'Er ging een jaar om en hij ging naar het jongetje kijken en het jongetje dacht: hee, dat lijkt heel veel op het konijn dat ik had en dat is weggeraakt toen ik roodvonk had.'

'Dat is het verhaal', besluit ze en kijkt de klas rond.

De leerlingen kijken verwachtingsvol terug. Ursula zucht: 'Het boek past goed bij de leeftijd van zes tot zeven jaar, omdat kinderen dan nog in de sprookjesfase verkeren.'

De klas zwijgt.

De fantasie heeft het probleem opgelost, ' vervolgt Ursula, 'De fee lost de moeilijkheden op.'

Ze is een poosje stil.

'Niemand heeft een naam in dit boek, ' zegt ze, 'het jongetje heet het jongetje en het konijn heet het konijn. Alleen de zus heeft een naam. Die wel.'

Ze zwijgt weer even. In het belendende lokaal heeft iemand muziek opgezet. Daardoor mis ik een paar zinnen, maar zo te zien is ze begonnen met het laatste gedeelte van de spreekbeurt, het voorlezen.

Bij het vragen stellen, heeft alleen de leraar een vraag: 'Zet je dit boek op je lijst?'

'Nee', zegt Ursula vastbesloten.

De klas schatert.

'Nou ja, misschien', zegt ze blozend.

Na de les legt ze uit hoe het zit: 'Ik had drie boekjes uitgezocht waarvan ik dacht dat ze leuk waren. Maar dat waren ze niet. Dit was de minst erge. Maar dat wilde ik in de klas niet zeggen.'

'Het leek wel of je in de klas maar het liefst helemaal niks had gezegd', zeg ik.

'Ja', beaamt Ursula, 'het ging nogal in stukjes. Toen ik aan het voorlezen begon, ging het over. Maar toen was de spreekbeurt al bijna afgelopen.'

Wie moet erg ver of ingewikkeld reizen om naar school te gaan? Schrijf naar Yvonne Kroonenberg, NRC-Handelsblad, Paleisstraat 1, 1012 RB Amsterdam.