Waterschapswet betekent officiele erkenning van bestaansrecht van de 'boerenrepublieken'; Waterschappen worden gedemocratiseerd

DEN HAAG, 13 nov. De boerenrepublieken worden gedemocratiseerd. Deze week zal de Tweede Kamer haar goedkeuring hechten aan de Waterschapswet. De waterschappen, waarvan sommige al meer dan 700 jaar oud zijn, mogen dat als een officiele erkenning van hun bestaansrecht beschouwen, terwijl daaraan begin jaren zeventig nog in tamelijk brede kring werd getwijfeld.

De Waterschapswet kan worden beschouwd als een pendant van de Gemeentewet en de Provinciewet. Zij geeft bovendien aanzienlijk meer burgers dan nu zowel de kans hun waterschapsbestuurders te kiezen als het privilege gekozen te mogen worden. Dat gaat ze wel geld kosten: de ingezetene-omslag en de pachtersomslag.

'Boerenrepubliek' was lange tijd een geuzennaam waarmee werd gesuggereerd dat het vooral de agrarische belangen waren die de doorslag gaven bij de beslissingen van de waterschappen. Een bijnaam die lang niet door alle bestuurders, van wie menigeen zich over zijn adellijke afkomst mocht verheugen (en wier functies worden aangeduid met termen als dijkgraaf en hoofdingeland), op prijs werd gesteld.

De belangen waren en zijn ook van een andere orde. Tenslotte zou, als de zee haar zin zou krijgen, een flink deel van Nederland onder water staan; de zorg voor waterkeringen die aan de waterschappen is toevertrouwd mag dus als een net zo essentiele taak worden beschouwd als de waterbeheersing. Hetzelfde geldt voor de verantwoordelijkheid die waterschappen hebben voor de waterkwaliteit en de strijd tegen de vervuiling. Dit laatste is tevens de reden waarom vrijwel alle burgers in een waterschap ('ingezetenen') ten minste een maal per jaar contact hebben met het waterschap, zij het vooral via postaal en giraal verkeer: als bij elk huishouden de rekening van de verontreinigingsheffing wordt bezorgd, al dan niet samen met een foldertje waarin staat waar dat goed voor is.

Over de invoering van de Waterschapswet wordt al sinds 1974 gepraat. Daarvoor had een adviescommissie ('diepdelverscommissie' genoemd) de vraag of waterschappen moesten blijven bestaan, na zes jaar studie met ja beantwoord. Hetgeen impliceerde dat de provincies de waterschapstaken niet overnamen, hoewel menigeen daar aanvankelijk wel iets in zag.

De autonomie en de kwaliteit van de boerenrepublieken was al eerder van vele vraagtekens voorzien: bij de watersnoodramp van 1953. Toen waren er nog 2.500 a 3.000 afzonderlijke waterschappen. Dat er gesaneerd diende te worden, was evident. Nu zijn er nog 127 en in waterstaatskringen wordt uiteindelijk een totaal van zo'n 100 waterschappen verwacht. De grenzen daarvan moeten aangeven dat het hier waterstaatkundige eenheden betreft, legt drs. H. J. Loijenga van de hoofddirectie waterstaat van het ministerie van verkeer en waterstaat uit. Te denken valt aan poldergebieden die op dezelfde boezem lozen of afstromingsgebieden die op hetzelfde water uitkomen. 'In die gebieden zijn de belangen op elkaar gericht.'

Daarin is tevens de reden gelegen waarom bij nader inzien het provinciaal bestuur toch niet het juiste niveau werd geacht voor de taken van het waterschap. Stromend water heeft niet de gewoonte zich iets van provinciegrenzen aan te trekken. Mr. J. H. A. Teulings, hoofd van de afdeling wetgeving van Rijkswaterstaat, is ervan overtuigd dat het waterschap ook dichter bij de burger staat dan de provincie, gezien de directe belangen die in het geding zijn. 'De waterstand een centimeter lager of hoger, dat kan voor een bloembollenkweker bepalend zijn of zijn zaak naar de knoppen gaat.'

De nieuwe wet geeft provincies wel de opdracht regels te stellen voor de waterschappen en vooral voor de verkiezingen van de besturen daarvan. Hierbij geldt weliswaar het systeem van een mens, een stem, om het in goed Nederlands te zeggen, maar het belang dat een ingezetene bij het functioneren van een waterschap heeft, bepaalt zijn invloed. De trits belang-betaling-zeggenschap geldt als leidraad voor de samenstelling van het waterschapsbestuur. Daarvoor is een indeling in vijf categorieen gemaakt: de eigenaren van ongebouwde grond; de pachters van ongebouwde grond; de eigenaren van gebouwen; de ingezetenen; de bedrijven.

Het is aan de provincie om na te gaan hoe zwaar de afzonderlijke belangen van de categorieen wegen. Naarmate dat belang hoger wordt geschat, betaalt de categorie meer geld aan het waterschap en heeft zij recht op een grotere vertegenwoordiging in het bestuur ervan. Interessant zijn daarbij de 'ingezetenen'. Omdat daaronder ook de huurders van woningen worden verstaan, krijgen zij ook voor het eerst stemrecht en, de andere kant van de medaille, een nieuwe heffing te betalen, de ingezetene-omslag die naast (en niet in plaats van) de verontreinigingsheffing moet worden betaald. Want ook huurders worden geacht een belang te hebben bij droge voeten.

De ingezetene-omslag wordt als gelijk bedrag per woning geheven en zal voor grond- en huiseigenaren gepaard gaan met een verlaging van het bedrag dat ze nu al gewoon zijn te betalen. De belangen zullen per provincie en dus per waterschap anders worden gewogen. Dat de nieuwe wet onderlinge verschillen tussen de waterschappen mogelijk maakt is trouwens toch al een prijs van de bestuurlijke decentralisatie, die de Tweede Kamer bereid is te betalen.

De waterschapsverkiezingen hebben dus straks een meer algemeen karakter en dat zal de belangstelling van politieke partijen hiervoor wellicht vergroten. Niettemin blijft het een vorm van functioneel bestuur, die de situatie voorkomt dat binnen een gemeente bijvoorbeeld de uitgaven voor de schouwburg worden afgewogen tegen de kosten van het gemaal.

Het Tweede-Kamerlid mr.dr. J. T. van den Berg (SGP) vindt de nieuwe wet een mijlpaal in de bestuurlijke geschiedenis van de waterschappen die het tot nu toe met verbrokkelde wetgeving moesten doen. Van den Bergs kennis op dit terrein is moeilijk te overtreffen; hij is gespecialiseerd in waterschapsrecht en zijn proefschrift handelde over 'waterschap en functionele decentralisatie'. 'De bestuurlijke plaats van de waterschappen wordt nu duidelijk. Ze hebben nu een zelfstandige positie naast de gemeenten.' Wat hem betreft wordt die positie nog iets versterkt door de waterschappen de mogelijkheid te geven bij de Kroon in beroep te gaan tegen de provinciale reglementering.

Een omstreden punt in de Waterschapswet is of zij voldoende waarborgen biedt dat de belangen van natuur en milieu fatsoenlijk worden behartigd. Werkzaamheden van de waterschappen ten behoeve van agrarische belangen kunnen het milieu aantasten, bijvoorbeeld doordat ze verdroging van de bodem veroorzaken of bij het inlaten van 'gebiedsvreemd' water de natuur bedreigen. De natuur- en milieu-organisaties die terreinen beheren (de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, de Unie van Provinciale Landschappen) claimen daarom een eigen plaats in het waterschapsbestuur. In de Tweede Kamer ondervindt hun wens enige weerklank. D66 heeft een voorstel ingediend om de mogelijkheid te scheppen natuur- en milieu-organisaties rechtstreeks zetels in het bestuur te geven die de categorie 'ingezetenen' toevallen. De PvdA wil nog een stap verder gaan door de zorg voor natuur en milieu uitdrukkelijk in het takenpakket van de waterschappen op te nemen.

Ook het democratisch gehalte van de toekomstige waterschapsbesturen staat nog ter discussie. De PvdA vindt dat alle 18-jarigen stemrecht moeten krijgen en niet alleen de belastingplichtigen (in de praktijk de hoofden van huishoudens). D66 wil bovendien het rechtstreekse kiesrecht voor de ingezetenen tot regel verheffen; nu schept de Waterschapswet uitdrukkelijk de mogelijkheid dit kiesrecht aan gemeenteraadsleden te delegeren.

Kansrijk is een voorstel van D66 om de verkiezingen voor de waterschappen tegelijk te houden met die voor provinciale staten, om daarmee de opkomst te stimuleren. Omdat de wet, als ook de Eerste Kamer ermee instemt, in 1992 in werking treedt en er dan nog een overgangsperiode van drie jaar geldt, kunnen waterschapsverkiezingen-nieuwe-stijl voor het eerst in 1995 worden gehouden.