Shell-directeur bang voor dirigisme vanuit Brussel; Kansen off shore-industrie

AMSTERDAM, 13 nov. De Nederlandse offshore-industrie (installaties en transport voor olie- en gaswinning op zee) heeft in de jaren negentig een veelbelovende toekomst. Dit zei de president-directeur van Shell-Nederland, ir. P. van Duursen, vanochtend op het Holland Offshore congres in Amsterdam.

De instabiele situatie in het Midden-Oosten, het feit dat West-Europa een grote, netto-importeur van energie is en de verbetering van de handelsbalans die te verwachten is van meer energiewinning op de Noordzee zijn volgens Van Duursen zware argumenten om de Europese energiereserves zo goed mogelijk te ontwikkelen.

De Shell-directeur prees het Europese politieke klimaat waarin de offshore en de energiesector zich heeft kunnen ontwikkelen en waarbij de olieproduktie van 45.000 vaten per dag in 1974 tot 3,8 miljoen vaten per dag nu is gestegen en ook de gaswinning een snelle ontwikkeling doormaakte. Scherpe kritiek uitte hij alleen op recente ideeen van de Europese Commissie om de energiesector te 'coordineren' om de concurrentie te bevorderen door de introductie van nieuwe regels. 'Ik zou dat streven liever als dirigisme omschrijven. Laten we goed nota nemen van de lessen uit het voormalige Oostblok, die ons lieten zien waartoe economisch en sociaal dirigisme hebben geleid.'

Grote verwachtingen heeft de Shell-directeur van nieuwe plannen voor de winning van enorme aardgasreserves onder de Noorse en Russische wateren. De Sovjet-Unie exploiteert nu gasvelden die ongeveer 40 procent van de wereldvoorraden uitmaken, terwijl de reserves in grote delen van het land nog niet zijn aangeboord. Gigantische investeringen in technologie en materialen zullen nodig zijn om de nog maar kort geleden aangetoonde Russische gasreserves onder de bodem van 10.000 miljard kubieke meter naar boven te brengen. Gezien de barre klimatologische omstandigheden betekent dit een uitdaging in technische en financiele zin voor de industrie die slechts weinigen aan kunnen, aldus Van Duursen.

Volgens het vandaag gepresenteerde rapport 'Offshore 1992, lichtbaken op zee' van het bureau Public Affairs Consultants in Brussel, is de Nederlandse off shore-industrie onvoldoende georganiseerd om goed op de Europese eenwording te kunnen inspelen. Er moet hard gewerkt worden aan een betere belangenbehartiging omdat Europa '92, het vervallen van de Europese binnengrenzen, gevoelige economische veranderingen voor de toeleveranciers van de off shore met zich mee zal brengen.

Zowel de Europese Commissie als het Nederlandse ministerie van economische zaken vindt volgens het onderzoek dat de (toe)leveranciers in de off shore zelden met duidelijke, eensgezinde standpunten komen, terwijl de olie-industrie zowel in Brussel als Den Haag werkt met een stevig lobby-apparaat. De standpunten van de leveranciers zijn zelden voldoende concreet, waardoor 'Brussel' niet eens weet wat er in de sector omgaat.

Door de Europese Commissie wordt hard gewerkt aan nieuwe regelgeving die directe gevolgen heeft voor de off shore, zoals liberalisering van overheidsopdrachten, mededingingspolitiek en het wegnemen van technische handelsbelemmeringen. Volgens een nieuwe Richtlijn Nutsbedrijven (Europese wet) moeten alle leveranciers bijvoorbeeld gelijke kansen krijgen om mee te dingen naar opdrachten van nationale overheden. Ook wil de Commissie de systemen voor concessieverlening (vergunningen voor exploratie van gas en olie) liberaliseren, waardoor de relatie tussen opdrachtgever en concessieverlener minder vanzelfsprekend kan worden. Ook heeft de off shore groot belang bij een stevige greep op de Europese concurrentieregels. Een stevige lobby met eensgezinde standpunten is daarom zinvol, concludeert Public Affairs Consultants.