Schoffelen en wieden in de Oostduitse Academie

De integratie van de Oostduitse onderzoeksinstellingen met de Westduitse verloopt zeer moeilijk. Wordt alles opgeheven, dan is men ook het waardevolle kwijt. Maar kunstmatig in stand houden is strijdig met de Westduitse eis van competitie.

Nu de Bondsrepubliek en de DDR zijn herenigd, staat men voor de enorme taak om binnen afzienbare tijd het Oostduitse potentieel aan wetenschappers en wetenschappelijke instellingen in dat van West-Duitsland te integreren. Over de manier waarop dat moet gebeuren bestaat nog grote onduidelijheid, evenals over de vraag op welke manier het onderzoek in Oost-Duitsland in de toekomst gefinancierd moet worden.

De eerste taak is nu om uit te zoeken in welke staat de wetenschap in Oost-Duitsland verkeert, want ook daarover is nog weinig bekend. De situatie verschilt per vakgebied en per instituut en sinds de ineenstorting van het communistische systeem zijn de omstandigheden soms van dag tot dag veranderd.

Zeker is dat de reorganisatie van de Oostduitse wetenschap, naar Westduits model, nog veel tijd zal kosten. Zeker is ook dat de Oostduitse onderzoekers die dachten na de hereniging ook in wetenschappelijk opzicht een luxe leven te kunnen gaan leiden, bedrogen zullen uitkomen. In de eerstkomende jaren zal waarschijnlijk ook onder academici de werkeloosheid toenemen als gevolg van het nieuwe klimaat van competitie, waarin de meesten niet gewend waren te leven. Oostduitse onderzoekers zullen moeten leren hoe de wetenschap in het Westen in zijn werk gaat en hoe men daar publiceert en onderzoekfondsen verwerft. De grote angst die bij velen leeft is dat de weg naar de eenwording van de Duitse wetenschap een soort afvalrace wordt, waarin vele personen en instituten de eindstreep niet zullen halen.

De Westduitse adviesraad voor de wetenschap, de in Keulen gevestigde Wissenschaftsrat, onderzoekt nu de gezondheidstoestand van met name de Oostduitse Academie van Wetenschappen, de centrale organisatie die het grootste deel van de wetenschappelijke instellingen in de voormalige DDR in haar ijzeren greep hield. Met haar 76 onderzoeksinstituten, 24.000 medewerkers en haar traditie van 290 jaar om op terug te vallen, zou de academie in deze woelige tijden de meest stabiele organisatie moeten lijken. Maar in feite heeft deze overgecentraliseerde, overbemande en ondergeoutilleerde organisatie juist de minste levenskansen.

De Oostduitse Academie van Wetenschappen werd in het jaar 1700 op aandrang van Leibniz in Berlijn opgericht door Frederick III van Brandenburg, die er naar streefde om van deze stad een 'Athene van het Noorden' te maken. De academie was bedoeld als tegenhanger van de soortgelijke academies die al eerder in Parijs (1666), Londen (1662) en Rome (1603) waren opgericht. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw was de 'Preussische Akademie der Wissenschaften' niet alleen in Duitsland, maar in geheel Europa toonaangevend.

Bureaucratischer

Na het uitroepen van de DDR in 1949 werd de academie naar Sovjetrussisch voorbeeld gereorganiseerd en werd haar naam veranderd in 'Akademie der Wissenschaften der DDR'. De academie werd toen steeds bureaucratischer, het werd een door de staat bestuurde moloch. Haar wetenschappelijke roem verbleekte. Hiertoe werd tevens bijgedragen door het feit dat er, anders dan bij bijvoorbeeld de Westduitse Max-Planck-Gesellschaft, een scheiding werd aangebracht tussen de gemeenschap van academieleden enerzijds en de gemeenschap van onderzoekers op de academie-instituten anderzijds. Instituutsdirecteuren waren niet noodzakelijkerwijs academielid en academieleden behoefden niet noodzakelijkerwijs in het onderzoek werkzaam te zijn.

Daar kwam bij dat de academie nog een groot aantal instellingen en structuren had die niet tot haar eigenlijke onderzoeksgebied behoorden (en die nu aan het verdwijnen zijn of al verdwenen zijn): partij- en vakverenigingsorganisaties, verscheidene viceprsidenten met hun vaste staven, omvangrijke afdelingen voor plannings- en personeelszaken en zelfs veiligheidsafdelingen (waarbij men dan niet alleen aan zaken als brandveiligheid moet denken). Ook een instituut voor de bouw van wetenschappelijke instrumenten en een uitgeverij behoorden tot de academie.

De Berlijnse academie lag stevig ingekapseld in het centrale machtsapparaat van de staat, de Socialistische Eenheidspartij van Duitsland (SED). Tot aan de val van de Muur, eind vorig jaar, was voor iedere beslissing op het gebied van positieveranderingen, dus loopbanen, de goedkeurig van het partij-apparaat nodig. In twijfelgevallen kregen mensen die lid waren van de SED voorrang. Dat betekende niet dat er niet ook naar de loopbaan werd gekeken, maar dat kwam op de tweede plaats. Zo waren er in september 1989 van de 14 hoogleraren aan het Zentralinstitut voor spraakwetenschappen slechts 4 geen SED-lid, een verhouding die als representatief voor alle instituten kon worden genomen. De directeur van een instituut en zijn beide plaatsvervangers behoorden vanzelfsprekend tot de partij. En ook de leden van de academie werden onder het toeziend oog van de partij gekozen.

Bevoorrechting

De gecentraliseerde wetenschapsplanning in de voormalige DDR leidde ertoe dat het wetenschappelijk onderzoek hoofdzakelijk in de Zentralinstitute werd geconcentreerd en dat de universiteiten in het kader van de Volksbildung vooral de taak van onderwijs en 'opvoeding' kregen. Dit had tot gevolg dat het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten steeds meer verarmde en dat de academie steeds verder van de universiteiten vandaan groeide en in een geisoleerde positie raakte.

Deze politiek van bevoorrechting heeft de academie-instituten niet veel geholpen, want ook daar deed het nadelige effect van de gedwongen centrale planning zich gelden. Gemiddeld bestond ongeveer de helft van de activiteiten in de academie-instituten uit onderzoek dat in opdracht van de Kombinate (industriele ondernemingen) werd verricht en een kwart uit door de staat gestuurd toegepast wetenschappelijk onderzoek. Slechts een kwart van het onderzoek op de instituten betrof min of meer zuiver wetenschappelijk onderzoek.

De omstandigheden waaronder dit moest worden verricht (bijvoorbeeld wat betreft de laboratoriumuitrusting en het bibliotheekbestand) waren echter zo slecht, dat men op internationaal gebied vrijwel niet meetelde.

Een tweede oorzaak van de isolering van de Academie en haar instituten was het gevolg van de beruchte Abgrenzungspolitik: het verhinderen van onofficiele contacten met westerse instituten en wetenschappers. De maatregelen tegen zulke contacten (Westkontakte) liepen uiteen van het reglementeren en controleren van het post- en telefoonverkeer tot het opleggen van strenge reisbeperkingen. Hele groepen van onderzoekers raakten op die manier geisoleerd. Ook daardoor verloor de academie als wetenschappelijke organisatie uiteindelijk al haar geloofwaardigheid.

Leopoldina

In de voormalige DDR bestond er, in tegenstelling tot in andere Oosteuropese landen, nog een tweede wetenschappelijke academie: de in 1652 in Halle opgerichtte Akademie der Naturforscher Leopoldina. Dit was een van de weinige organisaties in de DDR die gevrijwaard waren van communistische invloeden. De leden ervan waren (en zijn) zowel afkomstig uit Oost- als uit West-Duitsland. Zo is ongeveer een kwart van de leden van de (Westduitse) Max-Planck-Gesellschaft ook lid van de Leopoldina en velen van hen zijn zelfs jarenlang lid van haar senaat geweest. Via de Leopoldina konden de niet-officiele contacten in het verdeelde Duitsland enigszins in stand worden gehouden.

De Westduitse Wissenschaftsrat heeft nu adviesraden ingesteld die gaan onderzoeken welke instituten van de Berlijnse academie in aanmerking kunnen komen voor verdere financiele steun, welke er in universiteiten of andere (Westduitse) onderzoeksorganisaties zouden kunnen opgaan, welke zich tot zelfstandige ondernemingen zouden kunnen ontwikkelen en welke er zouden moeten worden opgeheven.

Dit onderzoek wordt verricht door 32 Westduitse wetenschappers, industrielen en overheidsfunctionarissen. Het ziet er naar uit dat de Academie flink zal worden afgeslankt en dat er in Berlijn niet veel meer dan een echt wetenschappelijk genootschap zal overblijven.

De Academie is niet in de positie om tegen de conclusies van de raad bezwaar te maken. Haar financiele budget is vrijwel op, zodat haar voortbestaan, in wat voor vorm dan ook, afhankelijk is geworden van het Westduitse kapitaal. Bonn heeft nu al moeten bijspringen om de banen van mensen van enkele instituten voorlopig veilg te stellen. Eind 1991 zou de Wissenschaftsrat haar onderzoek voltooid moeten hebben, maar de voorzitter ervan, Dieter Simon, betwijfelt of dit haalbaar is. Al die tijd blijft het gevaar bestaan dat de instituten door gebrek aan financiele middelen zelf de deur hebben moeten sluiten, of dat Oostduitse onderzoekers in West-Duitsland hun heil, c.q. baan gaan zoeken.

De Max-Planck-Gesellschaft is in het afgelopen jaar meermaals genoemd als een mogelijke fusiepartner voor de afgeslankte Berlijnse academie. Tijdens een bijeenkomst van de MPG eerder dit jaar vond haar scheidende voorzitter, Heinz A. Staab, het echter nog te vroeg om op hoog niveau over fusie te praten.

De MPG biedt thans hulp aan Oostduitse instituten, maar voordat verdere stappen worden overwogen zou de academie eerst ingrijpend gereorganiseerd moeten worden en zou het onderzoek op haar instituten voor een groot deel naar de universiteiten moeten terugkeren, zodat daar de verstoorde verhouding tussen onderzoek en onderwijs verbeterd wordt en meer in overeenstemming wordt gebracht met de situatie in West-Duitsland.

Universiteiten

Intussen behoeven de universiteiten in de voormalige DDR (in Berlijn, Dresden, Greifswald, Halle, Jena, Leipzig en Rostock) zich om hun voortbestaan niet zo'n zorgen te maken. Hoewel zij qua organisatie, personeel en outillage met gelijksoortige problemen kampen als de academie-instituten, zullen zij hard nodig blijven voor het onderwijs. Aan de Westduitse universiteiten bestaat momenteel een tekort aan studieplaatsen en in Oostduitsland zullen er nu wellicht meer jongeren een kans grijpen om te gaan studeren.

Een belangrijke rol bij de wederopbouw van de wetenschap in de voormalige DDR zal worden gespeeld door de Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG), de grootste organisatie ter bevordering van de wetenschap in de vroegere Bondsrepubliek. Bij deze in 1920 als Notgemeinschaft der Deutschen Wissenschaft opgerichte organisatie zijn universiteiten, onderzoeksinstellingen, de Max-Planck-Gesellschaft, de Fraunhofer-Gesellschaft en enkele andere wetenschappelijke organisaties aangesloten. De DFG ondersteunt en financiert onderzoeksprojecten op vooral het gebied van zuiver en toegepast wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast heeft zij een belangrijke adviserende taak.

Al in januari dit jaar, dus direct na de val van de Muur, kwam de DFG met een urgentieprogramma ter bevordering van de wetenschappelijke samenwerking tussen de twee Duitslanden. Wetenschappers uit de DDR kregen de gelegenheid congressen en colloquia in de Bondsrepubliek bij te wonen, enige tijd op instituten daar te werken (terwijl Westduitse onderzoekers een kijkje in Oostduitse instituten konden nemen) en ook de literatuurvoorziening naar het oosten kwam op gang.

De voorzitter van de DFG, Hubert Markl, vindt dat de wetenschap in de beide delen van Duitsland nu zo snel mogelijk samengesmolten moet worden. En om dat te bereiken en tevens te voorkomen dat Oostduitse onderzoekers westwaarts verhuizen, zouden deze net als hun Westerse collega's een beroep moeten kunnen doen op alle financieringsmogelijkheden die de DFG biedt. Deze organisatie heeft daarom gevraagd om een aantal budgetverhogingen, oplopend van 9% in 1991 tot 25% in 1996, om aan de verwachte stroom van subsidie-aanvragen uit Oost-Duitsland te kunnen voldoen. De DFG wordt nu gefinancierd door de Westduitse regering en door de afzonderlijke deelstaten (Lander). Haar budget voor 1990 bedraagt 1,167 miljard DM.

Twee varkens

Westduitse onderzoekers maken zich echter zorgen over de mogelijkheid, die volgend jaar gaat spelen, van Oostduitse onderzoekers om een beroep op de DFG-fondsen te doen. Sommigen vrezen dat het geld dat wordt uitgegeven om academie-instituten te redden, of tijdelijk op de been te houden, ten koste zal gaan van hun eigen onderzoek. Deze situatie is al omschreven als 'twee varkens (de Berlijnse academie en de Westduitse onderzoeksinstellingen) die uit dezelfde trog moeten vreten'.

Bovendien bestaat er nog grote onzekerheid over de criteria die er bij het toekennen van fondsen zullen worden aangelegd. Zouden aan onderzoekers uit beide delen van Duitsland nu al dezelfde eisen worden gesteld, dan maken die uit het oosten vanwege hun achterstand steeds de minste kans. Het gevaar bestaat dan dan zij hun instituut vaarwel zullen zeggen. Zou men Oostduitse onderzoekers echter een voorkeursbehandeling geven, dus positieve discriminatie toegepassen, dan botst dat met het principe van de 'gezonde competitie' dat in de Westduitse wetenschap wordt gehanteerd.

Bij dit alles speelt ook nog een zeer emotioneel beladen zaak mee: vele Oostduitse wetenschappers hebben hun positie in een instituut of universiteit niet te danken aan wetenschappelijke prestaties, maar aan het feit dat zij om politieke redenen werden uitgekozen. Zo had meer dan de helft van alle academieleden geen binding met de wetenschap. Sinds de omwenteling in 1989 zouden er nog maar weinig mensen om deze redenen van hun post zijn ontheven en zouden er teveel zijn die zich als kameleons aan de nieuwe situatie hebben aangepast, zonder hun macht te verliezen. De voorzitter van de Akademie Leopoldina, Heinz Bethge, deed eerder dit jaar de uitspraak dat zestig procent van alle hoogleraren in Oost-Duitsland er om deze redenen 'uit zouden moeten worden gegooid'.

Nog pijnlijker ligt het feit dat het nog steeds niet mogelijk is gebleken om de Oostduitse onderzoekers op te sporen die voor de beruchte Staatsveiligheidsdienst (Stasie) hebben gewerkt. Deze mensen gaven informatie door over 'afvallige' collega's en over onofficiele contacten met westerse onderzoekers, waardoor vele talentvolle studenten en jonge onderzoekers al bij voorbaat van een loopbaan in de wetenschap waren buitengesloten. 'Het is goed om zich te bekommeren over steun aan het oude wetenschaps-establishment in de DDR, maar wie bekommert zich om de slachtoffers?', aldus een verbitterde celbioloog uit Heidelberg.

Het is mede door deze gevoeligheden dat er ook bezorgdheid bestaat over de plannen om Oostduitse onderzoekers lid te maken van de Wissenschaftsrat. 'Wanneer er fouten worden gemaakt bij de samenstelling van de expert-groepen, zullen deze in de toekomst moeilijk te corrigeren zijn', aldus Dieter Bimberg, hoogleraar fysica aan de Technische Universiteit van (West-) Berlijn. Aan de andere kant bestaat het gevaar dat er in Oost-Duitsland nu levensvatbare instituten worden opgegeven, die in de komende tien jaar dan weer moeizaam moeten worden opgebouwd.

Decentralisatie

Wat men in de organisatie van de wetenschap in het herenigde Duitsland zeker zal voorkomen, is het opnieuw optreden van concentraties, met name in Berlijn. Berlijn heeft nu drie grote universiteiten (de Vrije en de Technische Universiteit in het westelijke deel en de Humboldt Universiteit in het oostelijke deel) en herbergt tevens meer dan de helft van alle onderzoeksinstellingen van de voormalige DDR. Werner Vath, vicepresident van de Vrije Universiteit, heeft onlangs opgemerkt dat 'we op zijn minst kwantitatief op hetzelfde niveau staan als de belangrijkste wetenschapssteden in Europa en zelfs in de Verenigde Staten'.

Deze concentratie is ontstaan doordat zowel West- als Oost-Berlijn vroeger door hun respectievelijke overheden zwaar gesubsidieerd werden. De Deutsche Forschungsgemeinschaft en andere organisaties die de wetenschap steunen zullen er echter naar streven dat de wetenschap in het herenigde Duitsland zo veel mogelijk wordt gedecentraliseerd: een strategie die in West-Duitsland en andere westerse landen al geruime tijd wordt gevolg en de beste resultaten blijkt op te leveren. De vijf nieuwe deelstaten in het oosten van Duitsland zullen in de toekomst elk hun rol in de financiering van wetenschappelijk onderzoek moeten gaan spelen. Maar zolang deze deelstaten nog niet voldoende kunnen opbrengen, zal Bonn de grootste last moeten dragen.