MEISJESSCHOLEN

F. W. Schneider c.s.: The High School Environment: a Comparison of Coeducational and Single-Sex Schools. Journal of Educational Psychology, 74, 6, 898-906, 1982.

V. E. Lee c.s.: Effects of Single-Sex Secondary Schools on Student Achievement Attitudes. Journal of Educational Psychology, 78, 5, 381-395, 1986.

H. W. Marsh: Effects of Attending Single-Sex and Coeducational High Schools on Achievement, Attitudes, Behaviors and Sex Differences. Journal of Educational Psychology, 81, 1, 70-85, 1989.

V. E. Lee c.s.: Effects of Single-Sex Schools: Response to Marsh. Journal of Educational Psychology, 81, 4, 647-650, 1989.

Het kortste interview waaraan ik ooit meewerkte betrof mijn middelbare school. Ik werd enkele maanden geleden opgebeld met een vraag van ongeveer de volgende strekking: Ik ben van het vrouwenblad Opzij en wij doen onderzoek onder werkende vrouwen naar wie van hen op meisjesscholen hebben gezeten en wie op gemengde scholen. Wilt u zeggen wat voor middelbare school u hebt bezocht?

Ik antwoordde dat dat een gemengde school was geweest en daarmee was het interview ten einde. Over de resultaten van dit telefonisch rondvragen heb ik nooit meer iets gehoord. Ze zullen ook weinigzeggend zijn geweest, omdat er waarschijnlijk geen systematisch onderzoeksplan aan ten grondslag zal hebben gelegen.

Wetenschappelijk onderzoek naar verschillen in effectiviteit in het vervolgonderwijs tussen gemengde scholen enerzijds en aparte jongens- en meisjesscholen anderzijds zou interessant zijn, maar is in Nederland niet meer mogelijk bij gebrek aan voldoende aparte scholen. Dat is vooral jammer als het gaat om meisjesscholen, want nu kunnen we niet te weten komen of met de drastische afschaffing daarvan in de jaren zestig en zeventig niet iets ten nadele van de vrouwenemancipatie is gebeurd.

De seksuele bevrijding in die tijd maakte dat men wilde breken met alles dat riekte naar het angstvallig gescheiden willen houden van seksen uit puriteinse overwegingen. Gemengd werd de norm, van schoolzwemmen tot studentencorpora. En ook de MMS en de meisjes-HBS moesten eraan geloven als 'niet meer van deze tijd'. Ideologische motieven lagen hieraan ten grondslag, geen onderwijskundige, al werd de opheffing meegenomen in de Mammoetwet.

Heel voorzichtig komt nu een discussie op gang of het voor optimale onderwijskansen van meisjes toch niet beter zou zijn als er in het vervolgonderwijs weer aparte scholen zouden komen. Een discussie op eieren, want het mag er natuurlijk niet op lijken alsof voor meisjes een vorm van buitengewoon onderwijs in het leven zou moeten worden geroepen, omdat zij het gewone vervolgonderwijs minder goed kunnen bijbenen dan jongens en bijvoorbeeld voor wiskunde andere lesmethoden nodig zouden hebben. Zelfs met de suggestie dat meisjes geen mindere aanleg hebben, maar een beetje andere, moet men oppassen, omdat de onvermijdelijke en traditionele rolpatronen die daarvan het gevolg zijn niet door het onderwijs nog eens extra moeten worden aangedikt.

Waarom is het dan toch goed over het nut van aparte meisjesscholen na te denken? Omdat er in dat schoolklimaat als zodanig helemaal los van de aanlegvraag misschien elementen zitten die het leren en daarmee de latere carrierekansen ten goede komen.

Dat kan men ten minste opmaken uit de Angelsaksische literatuur, waarin een levendige discussie aan de gang is en men bovendien het voordeel heeft beweringen te kunnen staven met onderzoeksresultaten. Want hoewel ook daar het gemengde onderwijs heeft toegeslagen, zijn in Engeland, de VS, Canada en Australie voldoende gescheiden scholen overgebleven om vergelijkend onderzoek te kunnen doen. De resultaten zijn lang niet altijd eenduidig en men slaat elkaar om de oren met methodologische kritiek, maar er komt wel stof tot nadenken uit tevoorschijn.

De discussie in de tijdschriften start meestal met een verwijzing naar het werk van twee pioniers, die tegenover elkaar staande stellingen innamen. De een is de Amerikaan Coleman die in 1961 waarschuwde dat coeducatie in het middelbaar onderwijs slecht zou zijn voor zowel de sociale ontwikkeling als voor de leerresultaten niet alleen voor meisjes, maar ook voor jongens. De ander is de Engelsman Dale, die eind jaren zestig, begin zeventig stelde dat coeducatie een veel natuurlijker leefomgeving vormt en daardoor een betere voorbereiding is op het latere sociale functioneren.

Coleman redeneerde op basis van zijn research ongeveer als volgt: de puberteit is voor velen sowieso een onzeker makende periode. Het toch al wankele zelfvertrouwen kan extra worden ondermijnd door beoordelingen door leeftijdgenoten.

Op gemengde scholen wordt de status sterk bepaald door andere factoren dan leerprestaties. Jongens en meisjes moeten zich voortdurend waarmaken in de ogen van de andere sekse. Uiterlijk, bezit van de juiste attributen en sportprestaties spelen daarbij een grote rol. Daaraan niet kunnen voldoen betekent even zovele aanslagen op het zelfvertrouwen en hindert dus de ontwikkeling van sociale vaardigheden. Bovendien leiden die zorgen af van de aandacht voor het leren.

Op gescheiden scholen onder seksegenoten is die ondermijning van het zelfvertrouwen in de strijd om waardering door de andere sekse er niet en is die waardering veel eenduidiger afhankelijk van leerprestaties.

Dale daarentegen meende op basis van zijn gegevens te kunnen stellen dat jongens op gemengde scholen beter af zijn zowel wat betreft hun sociale ontwikkeling als hun leerprestaties en dat meisjes er in ieder geval niet op achteruit gaan.

Later onderzoek vormt steeds een variatie op de thema's van Coleman en Dale, waarbij slechts onderzoeksmethoden en statistische technieken werden verfijnd. Ook is de onderzoeksvraag meestal subtiel verlegd van het nut van gescheiden scholen voor beide seksen naar die van het voordeel van meisjesscholen.

Er zijn daarbij twee typen research te onderscheiden. Onderzoek dat de verschillen in schooleigenschappen tussen gemengd en apart probeert in kaart te brengen, inclusief het welbevinden van de leerlingen. En onderzoek dat het verschil in eindresultaten van de leerlingen probeert te meten voor diverse vakken.

Een voorbeeld van het eerste is dat van de Canadees Schneider c.s. op 13 scholen (2029 leerlingen van 15 en 17 jaar) naar mogelijk wezenlijke verschillen in schoolsfeer. Heel duidelijk kwam naar voren dat leerlingen op gemengde scholen vergeleken met leerlingen van aparte scholen veel positiever spraken over het sociale klimaat op hun school. Veel vaker werd gesproken over activiteiten, over tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, over mogelijkheden je eigen gang te kunnen gaan, over een vriendelijke en tamelijk ontspannen omgang tussen leerlingen en docenten. Kortom: zij vonden het op school leuker en gezelliger dan de leerlingen van aparte scholen.

Er werd geen verschil geconstateerd tussen beide schooltypen in de mate waarin leerlingen vonden dat intellectuele eisen aan hen werden gesteld. Het positievere sociale klimaat op de gemengde scholen ging dus niet ten koste van het leerklimaat. Maar de leerlingen van de aparte scholen vonden in tegenstelling tot die van gemengde scholen wel dat de waardering van je klasgenoten vaak iets te maken had met je leerprestaties. Dat laatste kwam dus in de buurt van Colemans opvatting. Bovendien werd op aparte scholen meer aandacht besteed aan regelmaat en discipline.

Schneider onderzocht echter niet of dat leukere van gemengde scholen ondanks het feit dat er ook leereisen worden gesteld niet toch tot mindere resultaten leidt. Valerie Lee c.s. deden dat wel en zij zijn zeer stellig over hun resultaten, die zij fel verdedigen tegen critici. Vooral meisjesscholen lieten een positief verband zien met hogere eindresultaten, plannen voor verdere opleiding, zelfvertrouwen, en minder seksestereotiepe opvattingen. Meisjes leken zowel hun sociale als hun intellectuele mogelijkheden beter te ontplooien. En zelfs als dat een minder gezellige schooltijd zou opleveren (wat zij niet hebben geconstateerd) vinden Lee c.s. dat de moeite waard. Ik ben geneigd het daarmee eens te zijn.

En angst voor het benauwde van seksueel puritanisme hoeft men nu niet meer te hebben. Na schooltijd kan naar hartelust worden gemengd.