In nabije toekomst zal Nederland het vrijwel zonder exact opgeleide mensen moeten stellen; Leraren exacte vakken worden zeldzaam

Het gaat niet goed met het onderwijs in de exacte vakken. Ondanks campagnes kiezen niet meer leerlingen van HAVO en VWO scheikunde, natuurkunde of wiskunde in hun examenpakket. Tegelijk kampen lerarenopleidingen met een terugloop aan studenten exacte vakken. In de nabije toekomst zullen er daarom onvoldoende bevoegde docenten scheikunde, natuurkunde en wiskunde zijn.

De minister van onderwijs probeert met gegarandeerde banen en teruggave van collegegeld de vaart er in te houden, maar de perspectieven zijn niet rooskleurig. De lerarenopleidingen staan ieder voor zich te dringen om een bodembekostiging voor de noodlijdende studierichtingen binnen te halen, en aan samenwerking en afspraken over sanering van de opleidingscapaciteit wordt vooralsnog niet gedaan.

De klaagzang van het voortgezet onderwijs, de lerarenopleidingen en de universiteiten is niet van gisteren. Al jaren brengen ze om beurten de aftakeling van de exacte vakken voor het voetlicht. Met lede ogen wordt naar de MEAO's en HEAO's (scholen voor Middelbaar en Hoger Economisch Administratief Onderwijs) gekeken, waar de toeloop zo groot is dat op grote schaal geselecteerd kan worden.

De nood blijkt uit het cijfermateriaal. Het begint, zoals gezegd, in het voortgezet onderwijs. Zo kiest van de HAVO-leerlingen 63% wiskunde, 29% natuurkunde en 31% scheikunde in het examenpakket. Voor het VWO zijn de getallen 60% wiskunde-A, 47% wiskunde-B, 46% natuurkunde en 39% scheikunde (1989). Voor alle drie zware exacte vakken is dat dus minder dan de helft. De laatste jaren blijven de percentages gelijk of dalen zelfs, vooral voor scheikunde. Deze dalende percentages werken door in het aantal studenten dat voor een carriere in het onderwijs kiest.

En dan zijn er nog een aantal versterkende factoren. In de eerste plaats is het beroep van leraar er door een reeks maatregelen de laatste tien jaar niet aantrekkelijker op geworden. De salarissen gingen omlaag, een aantal taakuren werd afgeschaft (zodat voor een eerstegraads leraar een volledige betrekking 29 lesuren betekent in plaats van 26) en de status van het beroep kalfde af.

Daarnaast lonkt er voor exact-geinteresseerden een boeiende en goed betaalde loopbaan in het bedrijfsleven. Onderwijs was en is op z'n best tweede keus ook voor veel afgestudeerde leraren. Van de wiskundeleraren kiest ruim 30% voor een werkkring buiten het onderwijs. Voor scheikunde en natuurkunde liggen de percentages in de buurt van de vijftig.

Wiskunde

Volgens prof.dr. D. van Dalen, hoogleraar grondslagenonderzoek van de wiskunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, speelt ook de relatieve onbekendheid van de universitaire studie wiskunde een rol bij de terugloop van eerstejaars aanmeldingen.

' De toenemende onbekendheid van wiskunde bij scholieren speelt ons parten', zegt hij, ' en daarnaast is de betrokkenheid van de leraren op HAVO en VWO sterk afgenomen. Veel leraren zijn via beroepsopleidingen het vak binnengekomen. Daardoor hebben ze in mindere mate kennisgemaakt met onderzoek.'

Van Dalen wijt dit laatste aan de Nieuwe Lerarenopleidingen (NLO's, die opleiden tot tweedegraads leraar): ' De tweedegraadsopleidingen leggen de nadruk op een grondige didactische vorming, ten koste van de wiskunde. De wiskundige cultuur wordt in mindere mate overgedragen. Het gevolg is dat leraren met een gebrek aan wiskundige achtergrond en met weinig bezetenheid voor de klas staan.'

Toch wil de hoogleraar de schuld van deze ontwikkelingen niet helemaal bij de leraar in het voortgezet onderwijs leggen. Van Dalen: ' Bij de huidige organisatie van het onderwijs en de opleiding is het voor beide partijen bijzonder moeilijk om contacten te maken', zegt hij, ' maar deze zaken, en public relations van de universitaire wiskunde dat vooral als hulpvak bekend staat beginnen ons op te breken. Te weinig is bekend dat wiskunde ook als zelfstandige wetenschap bestudeerd kan worden.'

Waar de oorzaak van de geringe belangstelling ook gezocht moet worden, duidelijk is wel dat studenten die een onderwijsbaan in de exacte vakken ambieren heel dun zijn gezaaid. Bij de start van de tweede-faseopleiding in 1987 trekken de natuurkunde-opleidingen aan de ULO's (Universitaire Lerarenopleidingen) landelijk geen enkele student. In 1988 zijn het er acht en in 1989 komen er nog eens tien bij. In 1990 startten aan de ULO's 22 afgestudeerde fysici aan de tweede fase. Met deze aantallen wordt minder dan 5% van de beschikbare opleidingsplaatsen bezet.

Columnist prof.dr. Frans W. Saris, directeur van het FOM-instituut voor Atoom- en Molecuulfysica in Amsterdam, opperde enkele jaren geleden de gedachte dat de geringe toeloop vooral te wijten is aan de scheiding van de lerarenvariant en de onderzoeksvariant in de tweede fase. Een natuurkundestudent moet tegenwoordig na de eerste fase kiezen voor onderzoeker of voor leraar. De meesten kiezen zonder meer voor onderzoeker ze hebben niet voor niets voor natuurkunde gekozen.

Saris wees er op dat dat vroeger anders was: de lesbevoegdheid haalden de meeste studenten er voor de veiligheid bij: ' Je wist maar nooit'. Veel studenten kregen de smaak van het leraarschap toch te pakken en bleven hangen. Natuurlijk, gaf Saris daarbij onmiddellijk toe, waren deze leraren didactisch misschien onvoldoende geschoold. Maar iets is nu eenmaal beter dan niets. En zoals het er nu naar uitziet, is straks de term 'een tekort aan eerstegraads leraren in de exacte vakken' minder dan een eufemisme.

De vervangingsbehoefte voor eerstegraads natuurkundedocenten wordt geschat op jaarlijks honderd. Als rekening wordt gehouden met de leeftijdsopbouw van de natuurkundeleraren wordt het probleem pas goed duidelijk. De meeste docenten natuurkunde horen tot de veertigers. Jongeren zijn zwaar ondervertegenwoordigd. Als al deze veertigers straks met zijn allen met pensioen gaan, staan er geen vervangers klaar.

Voor de scheikundeleraren is de situatie niet veel anders. Sinds de tweede-faseregeling in 1987 van kracht werd, zijn er nog geen twintig eerstegraads docenten afgeleverd. Dit jaar begonnen dertig chemici aan de tweede fase. De jaarlijkse behoefte aan docenten scheikunde ligt voor het eerstegraads gebied op ongeveer vijftig en een garantie dat de afgestudeerde eerstegraads hun onderwijsbevoegdheid gaan gebruiken is er niet.

Tweedegraads opleidingen

Voor het tweedegraadsgebied is de situatie evenmin rooskleurig. De vervangingsbehoefte wordt voor scheikunde geschat op circa zestig per jaar en voor natuurkunde op honderd. Als in aanmerking wordt genomen dat meer dan de helft van de studenten aan een lerarenopleiding uiteindelijk niet voor de klas komt te staan maar een ander beroep kiest, wordt het probleem duidelijk. De NLO's telden in september samen ongeveer 35 nieuwe scheikundestudenten en veertig natuurkundestudenten.

In 1971 zijn de tweedegraads lerarenopleidingen begonnen. De NLO's zouden op een professionele manier het leraarsvak vorm gaan geven. Sinds die start is het vrijwel niet rustig geweest. De cursusduur werd teruggebracht van 4,5 jaar naar vier jaar, vanaf 1985 vond er in het hoger beroepsonderwijs een schaalvergrotingsoperatie plaats en dit collegejaar werd de tweevakkige opleiding ingeruild voor een eenvakkige waardoor de situatie voor bijvoorbeeld natuurkunde, tot dan vaak bijvak voor de aanstaande wiskundeleraar, er nog slechter op is geworden. Vooral voor de tekortvakken pakt het onvermogen samen te werken en tot een verdeling van de vakken te komen desastreus uit. Waren er voor de Wet op het hoger beroepsonderwijs van 1986 vier opleidingen scheikunde, nu zijn het er zeven: een hogeschool die een deeltijdopleiding had, mocht een voltijd-opleiding starten en omgekeerd.

Sanering

Staatssecretaris J. Wallage heeft de HBO-Raad gevraagd welke opleidingen in de tekortvakken overeind moeten blijven. De HBO-Raad heeft een commissie benoemd die daarvoor een voorstel moet doen. Ook moet zij bekijken hoe met andere lerarenopleidingen (PABO's en ULO's) kan worden samengewerkt. Om die samenwerking te stimuleren is een bedrag van drie miljoen gulden beschikbaar.

Voorlopig wil de HBO-Raad het bedrag gelijkelijk over de opleidingen verdelen. Als Wallage dat advies opvolgt, krijgt elke hogeschool zo'n fl. 300.000 voor de vakken scheikunde, Duits, natuurkunde en andere vakken die ten onder dreigen te gaan. Van kwaliteitsverbetering is dan nog geen sprake, tenzij de hogescholen zelf besluiten studierichtingen op te heffen.

Intussen gaat de ontmanteling van de lerarenopleidingen door, voor zover het de exacte vakken betreft. Om de tekorten aan docenten op te vangen heeft de minister van onderwijs het voornemen om hogescholen met een passende opleiding in staat te stellen via een differentiele leerweg leraren op te gaan leiden. In die variant mag ook een school voor Hoger Laboratoriumonderwijs leraren scheikunde opleiden. In de beleidsvoornemens geldt de beperking dat deze leraren alleen bevoegd zijn voor het LBO en MBO. De MAVO en de onderbouw van HAVO en VWO blijven voorbehouden aan afgestudeerden van NLO's, maar uiteraard kan een inspecteur dispensatie verlenen.

Wankel evenwicht

Dat al deze verwikkelingen de kwaliteit van het onderwijs in de exacte vakken geen goed doen, is duidelijk. Dr. W. van der Veer, docent vakdidactiek scheikunde aan de Rijksuniversiteit Groningen: ' Ik heb de indruk dat er veel wordt gesjoemeld met bevoegdheden. Natuurkundelessen worden gegeven door scheikundeleraren en rest-uren worden opgevuld door onbevoegden. Een groot aantal vacatures blijft zo onzichtbaar. Ik denk dat we nu het punt bereikt hebben dat het aantal vacatures en het aantal kandidaten in evenwicht is. Vanaf nu gaat het bergafwaarts.'

Een rol bij de opvulling van de vacatures scheikunde en natuurkunde speelt het geringe aantal uren dat op een school te vergeven is. Er zijn twee of drie volledige betrekkingen. ' Als die opgevuld zijn, blijven er vaak een paar rest-uren over. Vooral voor die uren is vrijwel niemand te vinden en dan worden de slapende bevoegdheden weer van stal gehaald', aldus Van der Veer.

Niet alleen in het voortgezet onderwijs staat de kwaliteit van het onderwijs in de exacte vakken onder druk, ook op de NLO's zelf is dat het geval. Met niet meer dan veertig studenten op een NLO komt de financiele bodem snel in zicht. De vier a vijf docenten die nodig zijn om een opleiding op niveau te houden, zijn door een hogeschool niet meer te betalen. Nog afgezien van de materiele kosten voor apparatuur, onderhoud, chemicalien en laboratoriumuitrusting.

De hoognodige sanering van de opleidingen voor docenten in de exacte vakken is jaren uitgesteld. Het lijkt er op dat in de komende maanden harde besluiten gaan vallen, om althans een deel van de opleidingscapaciteit overeind te houden. Als de minimumnorm van 75 studenten per opleiding consequent wordt gehanteerd, blijven er geen opleidingen voor leraar scheikunde en natuurkunde meer over.

De dalende keuze voor exact blijft dan de natuurlijke remedie voor het dreigende lerarentekort.

De leeftijdsverdeling van 1088 universitair opgeleide natuurkundeleraren, d.i. ca. 75% van het totale aantal. In plaats van het wenselijk ongeveer horizontale verloop vertoont de verdeling een reusachtig maximum tussen ca. 37 en ca. 47 jaar, hetgeen t.z.t. tot een immens vervangingsprobleem leidt. O.a. door de huidige mogelijkheid om vanaf de leeftijd van 55 jaar het aantal wekelijkse lesuren geleidelijk tot nul te reduceren, ligt dat ogenblik veel dichter bij dan de figuur suggereert.

(Uit: Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde, J. F. Schroder)