FNV neemt asfcheid van kostwinnersbeginsel; Pleiten voor basisinkomen nog steeds taboe

AMSTERDAM, 13 nov. Een eigen inkomen voor iedereen die beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Dat wordt, als het aan de vakcentrale FNV ligt, het kernthema voor het sociaal beleid in de jaren negentig. Alle bij de FNV aangesloten bonden zullen zich vandaag op het congres over 'Economische zelfstandigheid en solidariteit' achter dit streven scharen. 'Een historische mijlpaal', oordeelt voorzitter M. van Veen van de Vrouwenbond, op weg naar een 'felbegeerd' doel.

Het is een ambitieus plan, geeft FNV-bestuurder H. Muller onomwonden toe. Wie hem erover hoort, krijgt de indruk dat de vakcentrale een panacee voor vele maatschappelijke kwalen heeft gevonden. Maar noch van de grote politieke partijen, noch van werkgevers- en andere werknemersorganisaties kwam tot dusver bijval. 'Het is ook een erg ingewikkelde materie', zegt Muller bijna verontschuldigend. Of komt de desinteresse door de kosten van het plan, door de FNV in de eerste vijf jaar op vijf miljard gulden geraamd? Muller: 'Als er onvoldoende geld voor is, kun je het langzamer invoeren'.

Het draait in het plan om de verdeling van werk en van inkomen. Met beide is iets mis, vindt de FNV. Op de arbeidsmarkt hebben vrouwen nog altijd een grote achterstand op mannen. Zeventig procent van het betaalde werk wordt gedaan door mannen, driekwart van het onbetaalde werk door vrouwen. Voor veel vrouwen is alleen (onbetaald) huishoudelijk werk weggelegd. Daardoor zijn zij financieel vaak volledig afhankelijk van hun partner.

In de inkomensverdeling is volgens de vakcentrale eveneens sprake van onaanvaardbaar grote verschillen. Aan de ene kant circa 800.000 huishoudens die tot de minima behoren en aan de andere kant steeds meer tweeverdieners. 'Door op solidaire wijze te streven naar economische zelfstandigheid voor iedereen krijg je een eerlijker verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid en van inkomen over de bevolking', zegt Muller. De vakcentrale blijft hierbij uitgaan van 'een principiele relatie tussen arbeid en inkomen'. Zulks tot verdriet van de Voedingsbond, die graag had gezien dat er nog een schepje bovenop was gedaan. 'Praten over een basisinkomen voor iedereen is in de FNV helaas nog steeds zoiets als vloeken in de kerk', aldus voorzitter G. Lubbi.

FNV-bestuurder Muller schetst een scenario waarin de economische groei het komende decennium gemiddeld 2,5 procent per jaar bedraagt, terwijl de arbeidsproduktiviteit met 1,5 procent toeneemt. Bij deze 'tamelijk optimistische verwachting', zoals Muller zelf zegt, zal de werkgelegenheid jaarlijks met een procent stijgen. Dat zijn in tien jaar tijd ongeveer een half miljoen volledige banen. Bij lange na niet genoeg om de huidige werkloosheid weg te werken en een substantieel aantal arbeidsongeschikten aan passend ander werk te helpen. Laat staan dat het mogelijk wordt betaald werk door vrouwen fors uit te breiden.

Hieruit kan, aldus Muller, maar een conclusie worden getrokken: er moeten meer banen worden gecreeerd door herverdeling van werk. Dat kan door verkorting van arbeidstijd, uitbreiding van verlofregelingen en vorming van grote deeltijdbanen. Tegelijkertijd zouden de faciliteiten voor kinderopvang aanzienlijk moeten worden uitgebreid, opdat ouderschap beter kan worden gecombineerd met betaald werk.

Daarnaast acht de FNV aanpassingen in het belastingregime en het stelsel van sociale zekerheid noodzakelijk. Want sommige regels ontmoedigen het betreden van de arbeidsmarkt. Zo'n obstakel vormt bijvoorbeeld de zogenoemde voetoverheveling in de belasting- en premieheffing, waaruit voor de alleenverdiener een fiscaal voordeel voortvloeit. Accepteert de niet-werkende partner een (deeltijd)baantje, dan bestaat de kans dat ze er samen per saldo financieel op achteruitgaan. Waarom, zo vraagt de FNV zich af, het belastingvoordeel dat alleenverdieners hebben niet rechtstreeks uitgekeerd aan de niet-werkende partner? Dan is meteen (en zonder extra kosten) een bodem gelegd voor een zelfstandig uitkeringsrecht van deze partner.

Als sluitstuk van de economische zelfstandigheid wil de FNV deze uitkering geleidelijk opvijzelen tot een algemene volksverzekering tegen werkloosheid (AVW) voor iedereen die zich beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt. De partner die wel wil werken, maar geen baan kan vinden, komt dan in aanmerking voor zo'n uitkering en is economisch niet langer afhankelijk van de kostwinner, zoals nu het geval is. 'De AVW zal niet alleen de partcipatie van met name vrouwen in het arbeidsproces stimuleren, maar ook een impuls geven aan het proces van arbeidstijdverkorting', voorspelt Muller.

Met dit plan neemt de FNV afscheid van het kostwinnersbeginsel, waarvoor haar voorlopers strijd hebben geleverd. Voorzitter R. Vreeman van de Vervoersbond herinnerde de congresgangers aan een vakbondsleus uit de jaren vijftig: 'De man in het bedrijf, de vrouw in het gezin, de bond als steun er tussenin'. Toen werd het als vooruitgang gezien wanneer de vrouw niet meer buitenshuis hoefde te werken om aan het benodigde gezinsinkomen te komen.

Vreeman greep de discussie over het congresthema aan voor een vurig pleidooi voor een vierdaagse werkweek. 'Een individueel uitkeringsrecht valt alleen te financieren als het percentage van de Nederlanders dat betaald werk doet aanzienlijk wordt verhoogd.' Daarom heeft de werkgelegenheid 'een flinke oppepper' nodig, betoogde hij. 'Juist nu de werkgelegenheidsgroei stagneert en we tegelijk werkloze, arbeidsongeschikte en verborgen werkzoekenden aan een baan willen helpen, is invoering van een vierdaagse werkweek met herbezetting absoluut noodzakelijk.'

Tegenstanders als werkgeversvoorzitter Ruding, oud-premier Zijlstra en minister Andriessen (economische zaken) verweet Vreeman 'de grijsgedraaide grammofoonplaat van het conservatisme' af te spelen: 'Bij hoogconjunctuur kan er niets veranderen omdat het net goed gaat. Bij economische onzekerheid kan het niet omdat de toekomst onzeker is. En bij een recessie kan het niet omdat het slecht gaat. Als de vakbeweging zich van dit type argumentatie ooit iets had aangetrokken, dan zaten we nu nog op het niveau van een ontwikkelingsland'.

Stap voor stap ziet de Vervoersbond-voorzitter Nederland in de jaren negentig 'doorgroeien naar een volledige vierdaagse'. Het tempo wordt bepaald door de ontwikkeling van de produktiviteit en de mate waarin werknemers er een deel van de loonruimte aan wensen te besteden. De concurrentiepositie hoeft daar geen schade van te ondervinden, want daarvoor geeft volgens Vreeman niet zozeer het gemiddelde aantal gewerkte uren als wel de bedrijfstijd de doorslag. En in dat opzicht steekt Nederland volgens hem internationaal gunstig af. Op 10 december beslissen de FNV-bonden of ze in de onderhandelingen over CAO's voor volgend jaar deze marsroute van de Vervoersbond zullen volgen.