Verzekering tegen avonturiers; Strategisch zwaartepunt in Europa verschuift naar Middellandse zee; Mariniers getraind voor kimatologische omstandigheden in Anatalie

Sovjet-militairen die in het voormalige Oost-Duitsland roofovervallen plegen en uniformen, geweren, anti-tankgranaten en mijnen op de zwarte markt te koop aanbieden. Echtgenotes van deze krijgslieden die de straat opgaan om te demonstreren tegen een gevreesde verhuizing naar de Kaukasus. Een bondskanselier die als prijs voor de Duitse hereniging 17 miljard gulden betaalt voor nieuwe behuizing en omscholing van de 380.000 Sovjetmilitairen (en 220.000 familieleden) die uiterlijk in 1994 uit het voormalige Oost-Duitsland moeten zijn vertrokken.

Het zijn evenzoveel symptomen van de fysieke, mentale en morele aftakeling van wat tot voor zeer kort als de speerpunt van de dreiging voor de NAVO werd beschouwd:de parate, zwaar bewapende Sovjet-divisies in Oost-Duitsland, het neusje van de zalm van het Rode Leger in Europa.

Nu de jarenlange vrees voor een verrassingsaanval uit het Oosten, die sinds het eind van de jaren veertig het strategisch denken in het Westen bepaalde, tot het verleden behoort, studeert de NAVO op een nieuwe strategie die een antwoord moet geven op de dreigingen van de jaren negentig.

Kern daarvan vormt de Zuidflank van het NAVO-verdragsgebied, een regio die door de jarenlange preocupatie met de Centrale Sector zeg West-Duitsland in het afgelopen decennium onvoldoende aandacht kreeg.

Ironisch genoeg zijn het juist deze contreien waar NAVO-lidstaten zij het op nationale titel in de afgelopen periode regelmatig militair present waren. In Libanon en Egypte door deel te nemen in Unifil en aan MFO in de Sinai. In de Rode zee /Golf van Suez in 1984, en met vlooteenheden tijdens de Golfoorlog in 1987/1988, voor de beveiliging van de zeeverbindingen

En ook nu weer zijn het de marines van de NAVO-lidstaten die een belangrijke bijdragen leveren aan het toezicht op de naleving van het VN-embargo tegen Irak.

Veiligheidsbeleid

Vooral de laatste gebeurtenis, de brute inval van Irak in Koeweit, heeft ons weer bepaald bij het feit dat door de toenemende internationalisering van het veiligheidsbeleid, ook buiten Europa de belangen van ons werelddeel op het spel kunnen staan. Wie hier aandacht voor vraagt loopt echter al gauw de kans te worden beticht van het nodeloos creeren van onbewezen dreigingen.

Wat leert ons niettemin de volgende analyse van de 'correlatie van krachten'?

In de eerste plaats zal naar verwachting op 19 november aanstaande in Parijs een eerste CFE-akkoord over reductie in conventionele strijdkrachten in Europa worden gesloten. Op zichzelf een verheugende gebeurtenis die leidt tot een situatie van militaire pariteit in onze streken. Tegelijkertijd speelt zich in Noord-Afrika en het Midden-Oosten een verwoede wapenwedloop af. Behalve een forse uitbreiding van de conventionele strijdkrachten is vooral de verspreiding van ballistische raketten in combinatie met die van massavernietigingswapens (nucleair, biologisch, chemisch) in deze landen bijzonder verontrustend. Deze ontwikkelingen op militair gebied kennen echter geen enkele rem. Want in tegenstelling tot de situatie in de Centrale Sector vallen de ontwikkelingen aan de Zuidflank van de NAVO onder geen enkel wapenbeheersingsforum. Het gevolg is dat militaire krachtsverhoudingen aan deze flank van de NAVO dreigen te worden verstoord.

Anders gezegd, de koppeling tussen de asymmetrische wapenreducties bij NAVO en Warschau-Pact ingevolge een CFE-akkoord en een grotere veiligheid in ons werelddeel is in de zuidelijke regio minder duidelijk dan in de rest van Europa.

Daarbij heeft ook het terugdringen van de rol van de kernwapens in de NAVO-strategie een ontkoppelend effect. Vooral de nucleaire dimensie van de huidige flexible-response strategie heeft immers het lot van Centraal-Europa met dat van de flanken tot nu toe onlosmakelijk verbonden.

Een andere zorgwekkende ontwikkeling is de explosieve bevolkingsgroei in Noord-Afrika, tegen de achtergrond van een ernstige economische stagnatie. Terwijl volgens prognoses het aantal inwoners van de EG in het jaar 2025 niet meer dan het huidige aantal van 320 miljoen bedraagt, zal de bevolking van Noord-Afrika van 190 tot 350 miljoen groeien, en dus bijna verdubbelen. Nog los van de bevolkingsdruk is de economische situatie in deze regio door de lage olieprijzen, een weinig effectief economisch beleid, een bovenmatig overheidsingrijpen, een wijd verspreide corruptie en bittere armoede weinig rooskleurig.

Kortom een ideale voedingsbodem voor radicale stromingen zoals het fundamentalisme, de ideologie voor de achterblijvers die religie gebruiken voor politieke doeleinden.

Zuidelijke regio

Moet het toenemend belang van de zuidelijke regio ook doorklinken in het Nederlands veiligheidsbeleid?

Nu ligt het hoofdaccent van onze defensie-inspanning nog op de Centrale Sector en de Noordflank. In het oude scenario van een massale conventionele aanval uit het Oosten zijn deze twee gebieden onverbrekelijk met elkaar verbonden. Het verlies van de Noordflank betekent immers onder meer een grotere dreiging van onze zeeverbindingen en daarmee van de aanvoer van troepenversterkingen en voorraden voor de Centrale Sector. Het verlies van Turkije heeft in dit scenario voor ons minder verstrekkende gevolgen.

De Nederlandse militaire rol in het Middellandse-zeegebied heeft dan ook vooral een politieke symbolische betekenis gevormd. De Koninklijke luchtmacht oefent incidenteel met F-16's in Turkije, de Koninklijke marine doet op gezette tijden aan vlagvertoon in de Middellandse Zee en het Korps mariniers neemt jaarlijks deel aan de NAVO-oefening Dragon Hammer bij Corsica en Sardinie.

Nu het strategisch zwaartepunt van de Centrale Sector naar de Middellandse Zee verschuift lijkt ook een accentverschuiving van onze defensie-inspanning in zuidelijke richting niet te vermijden. Minister van defensie Ter Beek heeft enige jaren geleden als mede-opsteller van de alternatieve defensienota van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA, zelf al een aardige voorzet in die richting gegeven. Het idee dat in deze nota werd gelanceerd, om een permanente WEU-vloot in de Middellandse Zee te stationeren waaraan ook Nederland een bijdrage levert verdient dan ook serieuze overweging. Terecht concludeerde de NAVO dat dit een goede gelegenheid is de Europese aanwezigheid op maritiem gebied meer te benadrukken. De ervaringen van WEU-landen in dit opzicht in de Golfoorlog en recentelijk bij de crisis rondom Koeweit onderstrepen dit nog eens nadrukkelijk.

Ook lijkt in het kader van crisisbeheersing een belangrijke rol in de zuidelijke regio weggelegd voor de Allied Command Europe Mobile Force (AMF).

Deze multinationale 'brandweerbrigade' waaraan zeven NAVO-lidstaten deelnemen, is door haar lichte bewapening en mobiliteit bij uitstek geschikt in tijden van oplopende spanning een signaal van solidariteit aan de flanken van de NAVO af te geven.

Aan deze internationale en geintegreerde eenheid levert Nederland een bijdrage in de vorm van een squadron F-16's van de luchtmacht en een amfibische gevechtsgroep van het Korps mariniers. Tot nu toe zijn deze eenheden uitsluitend berekend voor inzet op de Noordflank, respectievelijk in Noorwegen en Denemarken. De AMF heeft ook inzetgebieden in Noord-Italie, Noord-Griekenland en in Turkije. Gezien het belang dat onze regering toekent aan crisisbeheersing en de rol van multinationale eenheden zou de Nederlandse bijdrage aan AMF ook tot zijn recht komen bij inzet in de zuidelijke regio.

Met name de Turkse opties liggen voor de hand. Nu al oefent de luchtmacht immers incidenteel met F-16's boven dit land.

Daarbij maken de klimatologische omstandigheden in Anatolie, waar het kwik soms kan dalen tot 40 graden onder nul, dit gebied bij uitstek geschikt voor de inzet van mariniers, die voor optreden onder deze omstandigheden zijn getraind, met oog op hun huidige taak op de Noordflank.

Twee-sporenbeleid

Wat moet nu de conclusie zijn? Mijns inziens is plaats voor een twee-sporenbeleid, vooropgesteld dat onze defensie-inspanning altijd al onderdeel is geweest van een veel ruimer gedefinieerde veiligheidsconceptie.

Het moet gaan om samenwerking en verzekering.

Samenwerking vooral in economisch opzicht tussen de EG en de landen van Noord-Afrika (en het Midden-Oosten). Economische perikelen van de landen van deze regio vormen het kernprobleem aan de Zuidflank.

Traditioneel speelt Noord-Afrika een marginale rol voor de EG, slechts twee tot drie procent van de handel van de gemeenschap wordt met de Noordafrikaanse landen gedreven. De overigens begrijpelijke huidige fixatie op Midden- en Oost-Europa zal een en ander niet vergemakkelijken, hoezeer ook noodzakelijk.

Verzekering tegen militaire avonturiers. Hiervoor is een adequate defensie-inspanning geboden, zoals hierboven uiteengezet. Samengevat: een internationale verzekeringspolis met premies in multinationale eenheden en economische steun.

    • C. Homan