Pierre Audi maakt puur theater met stilte en met opera

Na negentien jaar precies even lang als Ilias en Odyssee samen duurden! is eindelijk het Monteverdi-project van de Nederlandse Opera voltooid met Il Ritorno d'Ulisse in Patria De terugkeer van Odysseus in het vaderland.

In de periode 1971-'76 begon de toenmalige intendant Hans de Roo met de uitvoering van het overgebleven theaterwerk van Monteverdi: l'Orfeo, Il combattimento di Tancredi e Clorinda, het Lamento d'Ariana, Il ballo dell'Ingrate en l'Incoronazione di Poppea onder leiding van Nikolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt.

Dat pionierswerk wordt nu afgemaakt met een nieuwe uitvoeringsversie van de Ritorno door Glen Wilson, geregisseerd door artistiek leider Pierre Audi. Het publiek in het Amsterdamse Muziektheater was zaterdagavond buitengewoon enthousiast over Audi's eerste regie in eigen huis. De zwerftocht van Ulisse eindigt hier in een voorstelling met grote dramatische kracht, bereikt met spaarzame theatrale en muzikale middelen: een soort opera povera.

Dirigent Glen Wilson gelooft niet dat de muziek van de Ritorno (1641), overgeleverd op slechts twee notenbalken, oorspronkelijk was bedoeld voor een uitvoerig bezet orkest: al binnen een halve eeuw na de geboorte van het genre werd er zelfs in het rijke Venetie al flink bezuinigd op opera.

Nikolaus Harnoncourt gebruikte voor zijn opname (1971) naast de strijkers ook virginaal, orgel, regaal, harp, dulciaan, trompet en trombone. Wilson houdt zijn 'authentieke' instrumentatie beperkt tot een minimum: hijzelf achter het klavecimbel, verder slechts luit, chitarrone, zes strijkers en twee blokfluiten. Het resultaat is dun, minder kleurrijk en afwisselend en verlegt de aandacht bijna volledig naar de zangers, voor wie Monteverdi volmaakte muziek schreef die na 350 jaar nog steeds direct aanspreekt.

Wilson heeft ook flink durven couperen in de Ritorno, deels omdat niet alle muziek van Monteverdi zelf zou zijn, deels met dramaturgische motieven: de scenes met de goden zouden slechts aanleiding geven tot ongewenste theatrale machinaties. Drie actes met 35 scenes zijn nu gecomprimeerd tot twee actes met 15 scenes. Drie personages zijn volledig verdwenen en het zijn niet de minste: Zeus, Juno en Neptunus. De laatste was zelfs verantwoordelijk voor Ulisse's jarenlange omzwervingen.

Het verhaal over de moord op de vrijers van Ulisse's kuise echtgenote Penelope is daardoor als vertelling wel flink gestroomlijnd, maar ook grotendeels ontdaan van een essentiele dimensie. Dat de grillige goden het lot der mensen bestieren in de marge van hun onderlinge strijd wordt nu slechts en passant getoond.

Pallas Athene (Minerva) 'regisseert' de handeling wel, maar ze schrijdt niet, zoals ik had verwacht, tijdens de finale over de in de lucht hangende loopbrug naar de Olympus om daar de afloop van de Trojaanse oorlog en haar geslaagde wraak op Afrodite te vieren. De stellage boven het bijna kale podium blijkt uiteindelijk slechts een even toevallig visueel element als die twee gebogen vlakken terzijde.

Wilson heeft bovendien scenes verwisseld. Daardoor is het begin van de tweede acte (bij Wilson) onnodig verwarrend: Telemaco vertelt eerst aan zijn moeder Penelope over zijn reis naar Sparta en even later komt Eumete Penelope vertellen dat Telemaco is teruggekeerd. Penelope omhelst dan ineens Telemaco alsof ze hem nog niet had gezien!

Decor en kostumering zijn mij een al te divers postmodern mengsel van historiserende verwijzingen, abstract constructivisme, symboliek en realisme. En Audi heeft een curieuze hang up met stokken, die eerder dit jaar al bleek in zijn eerste operaregie, Verdi's Jerusalem in Leeds met dezelfde ontwerpers als hier.

Maar voor het overige past bewondering voor deze voorstelling, waarin verder alles innerlijke zin krijgt, ook dankzij de boven de scene geprojecteerde teksten. Wat Audi brengt is het theater van de soberheid, van de intensiteit, van de concentratie op de essentie, van de roerende maar niet sentimentele uitbeelding van het individuele drama van de personages. Het is het theater van de stilte, die slechts door opera wordt doorbroken omdat de emoties niet langer te bedwingen zijn.

Audi is een theatermaker met gevoel voor opbouw en handhaven van grote spanningsbogen, voor het feilloos doseren van ontspannende elementen, zoals de rol van de stotterende veelvraat Iro, komisch en meelijwekkend, bovendien magnifiek vertolkt door Alexander Oliver. De ongewisheid van het leven wordt fraai aangestipt door eerst een tak te laten zien die schroeit in een onooglijk vlammetje, terwijl later de vrijers worden gedood tijdens een spectaculair vurig inferno.

Pas daarna bereikt de voorstelling het echte hoogtepunt: de moeizaam verlopende ontmoeting tussen Ulisse en de hem tot het uiterste trouwe Penelope, die niet kan geloven dat deze telkens van uiterlijk wisselende man werkelijk haar echtgenoot is. De tot het uiterste ingehouden vocale en theatrale uitbeelding daarvan door Graciela Araya (Penelope) en Anthony Rolfe Johnson (Ulisse) is de culminatie van het door Audi nagestreefde en hier overtuigende theatrale purisme.

De rest van de cast is enigszins wisselend van niveau, maar over het algemeen ruim voldoende. De rol van Anfinomo laten zingen door de wonderbaarlijke stem van Michael Chance is ware luxe, het terzet van de vals berekenende vrijers is hoorbaar een motivering voor hun spoedige dood en Rachel Ann Morgan heeft een duidelijke presence als een soms zeer geemotioneerde Minerva.

In januari al komt de volgende regie van Pierre Audi: een double bill met Die gluckliche Hand van Arnold Schonberg en Neither van Morton Feldman.