Kosto wil uitleg over Duitse undercover-actie

ROTTERDAM, 12 nov. Staatssecretaris Kosto wil van Duitsland weten of het optreden van een Duitse undercoveragent in Nederland is gebeurd in overleg met de Nederlandse overheid. Dat blijkt uit een brief die het ministerie op 13 september 1990 heeft geschreven aan het Duitse ministerie van justitie in Bonn.

Op 9 en 10 augustus 1989 werden in Frankfurt en Wiesbaden zes Nederlanders gearresteerd voor handel in hasj. Spoedig daarna werd duidelijk dat de koper een infiltrant was van de Duitse politie. Die infiltrant had enkele van de verdachten ook in Nederland opgezocht. De voor de zes gearresteerde Nederlanders belangrijkste vraag is nu of de Nederlandse overheid op de hoogte was van het opereren van de Duitse 'verdeckte Ermittler' in Nederland. Indien Duitsland de Nederlandse Justitie daarvan niet in kennis heeft gesteld, is er sprake van schending van de Nederlandse souvereiniteit. De rechtszaak in Frankfurt zal dan worden geseponeerd en de verdachten worden teruggestuurd naar Nederland.

De rechter in Duitsland acht, gezien de huidige stand van het gerechtelijk vooronderzoek, schending van de Nederlandse souvereiniteit waarschijnlijk. Daarom heeft hij de zaak aangehouden tot 30 november, zoals blijkt uit een 'Protokoll' van 18 oktober 1990. In die tussentijd zou het Nederlandse ministerie van justitie duidelijk kunnen maken of er inderdaad sprake is van schending van de Nederlandse souvereiniteit.

Justitie heeft over de zaak in Duitsland op haar beurt het ministerie van justitie in Bonn om informatie gevraagd. 'Mocht er toch sprake zijn van overleg in deze zaak tussen Nederlandse en Duitse instanties, laat u mij dan alstublieft weten, wanneer en waar dat is gebeurd', aldus de laatste alinea van de brief van 13 september 1990 van directeur J. Kuyper van de hoofdafdeling Staats en Strafrecht, namens staatssecretaris Kosto.

Een van de zes Nederlandse verdachten heeft in de houding van het ministerie aanleiding gezien een kort geding aan te spannen tegen de Staat der Nederlanden. De ministeries van justitie en buitenlandse zaken worden daarbij gesommeerd de Duitse autoriteiten te verzoeken de strafvervolging te beeindigen en tot uitwijzing over te gaan.