Kleine verandering in Saoedi-Arabie; 'De massa is alleen geinteresseerd in rust en stabiliteit. Die heeft het goed.'

RIAD, 12 nov. In een bijeenkomst met hoofdredacteuren heeft koning Fahd van Saoedi-Arabie vorige week aangekondigd dat hij zeer binnenkort een raadgevende vergadering wil instellen die hem terzijde moet staan bij het besturen van zijn land. Volgens sommige kranten noemde de koning deze Majlis al-Shura zelfs een parlement.

De aankondiging is op het eerste gezicht een teken van spectaculaire politieke veranderingen, van een bestuurlijke hervorming die ten langen leste iets zal afdoen aan de almacht van het huis al-Saud, dat met zijn 5.000 prinsen het land nog altijd bestuurt als geldt het prive-bezit. In Riad denkt men daar voorlopig anders over. 'Het is een belangrijk besluit, dat zeker veranderingen met zich mee zal brengen', beamen Saoediers van hoog tot laag beleefd. 'Heel kleine veranderingen', voegen ze daar echter glimlachend aan toe en soms tonen ze met een welsprekend gebaar hoe klein die veranderingen naar hun schatting zullen zijn. Met het blote oog is de ruimte tussen de toppen van duim en wijsvinger dan niet te zien.

Buitenlandse diplomaten in de hoofdstad doen de aankondiging af als een poging het imago van deze absolute monarchie tussen de Golf en de Rode Zee te verbeteren. Ook de publieke onthoofdingen zijn immers opgeschort sinds de komst van Westerse militairen en Westerse media naar het koninkrijk. Dat betekent echter niet dat deze, door de Koran gesanctioneerde, vorm van terechtstelling nu is afgeschaft. 'Het zijn louter gebaren voor de publieke tribune', meent een afgezant.

De scepsis wordt volledig gerechtvaardigd door de lange geschiedenis die de plannen voor een raadgevende vergadering al hebben. Die geschiedenis laat zien dat de heersende dynastie het idee van de Majlis al-Shura alleen dan van de plank haalt wanneer zij zich in haar legitieme voortbestaan bedreigd voelt en zich derhalve van de steun van haar onderdanen wil verzekeren.

Ibn Saud zelf, de man die in de eerste jaren van deze eeuw de macht van zijn verdreven familie op het Arabische schiereiland herstelde, was de eerste die een dergelijk inspraakorgaan beloofde toen hij in 1924 de provincie Hejaz met de heilige plaatsen Mekka en Medina en de rijke havenstad Jeddah toevoegde aan zijn rijk. Om de belangrijkste handelaren met zijn bewind te verzoenen, verenigde hij een klein aantal van hen in een raadgevende vergadering, die al snel verwaterde, en stelde hij een grondwet in het vooruitzicht, die er nog steeds niet is.

Zijn opvolger Feisal hernieuwde in 1963 de belofte en kondigde een Majlis al-Shura aan voor het hele land, toen de Egyptische president Nasser troepen naar het buurland Jemen stuurde om de republikeinen te helpen in hun strijd tegen de door Saoedi-Arabie gesteunde royalisten. Toen deze crisis voorbij was, bleek ook de belofte vergeten.

In 1979 werd de Grote moskee van Mekka kortstondig bezet door religieuze fanatici die opriepen tot omverwerping van het goddeloze bewind van koning Khaled.

Pag. 4: Na de bloedige onderdrukking van deze opstand verzekerde kroonprins Fahd dat de Majlis al-Shura nu 'binnen twee maanden' zou worden geinstalleerd. Er werd een voorbereidingscommissie ingesteld, die kennelijk pas onlangs rapport heeft uitgebracht, want donderdag zei koning Fahd dat 'na zorgvuldige studie' een plan voor de raadgevende vergadering en haar provinciale onderafdelingen gereed is gekomen. Meer kon de vorst nog niet onthullen, want 'verantwoordelijke personen' moeten 'de laatste details' nog invullen. Wanneer ze daarmee klaar zouden zijn, vertelde Fahd evenmin. Een verband met de duur en de afloop van de Golfcrisis mag echter rustig worden verondersteld.

Of de Majlis al-Shura er nu komt of niet, de behuizing voor dit orgaan met nog onbekende, maar waarschijnlijk geringe bevoegdheden is al klaar. Het is een fraai, modern, maar niet al te groot bouwwerk in een hoger gelegen deel van Riad, waar ook de paleizen van de koninklijke familie staan. In een land dat meer door politieke sentimenten wordt geregeerd dan Saoedi-Arabie zou het ongebruikte parlementsgebouw al snel uitgroeien tot een aanstootgevend symbool van niet nagekomen beloften. Hier is het gewoon het zoveelste geval van leegstand als gevolg van een planningsfout; op die manier zijn hele wijken vol flatgebouwen neergezet waaraan niemand behoefte heeft en waar dan ook niemand woont.

Geen behoefte

'Er bestaat hier geen behoefte aan een democratie zoals wij die kennen', zegt een Westerling, die naar goed diplomatiek gebruik naamloos wenst te blijven. 'De tegenstellingen in deze maatschappij zijn niet van politieke aard. Er is een enorme welvaart, zij het ongelijk verdeeld. Er is geen klassenstrijd.'

Ibrahim, een jonge ambtenaar die werkt in een van de imposante nieuwe ministeries in het hart van de stad, doet iets, maar niet veel, aan deze woorden af. 'Het is niet goed dat alleen de koning en zijn familie de staatszaken regelen', vindt hij. 'Er zijn in ons land duizenden goed opgeleide jonge mensen met buitenlandse diploma's voor wie de studie door de regering is betaald. Waarom zouden die hun talent niet in het landsbestuur tot voordeel van het land mogen gebruiken? Ik ben beslist niet tegen ons koningshuis, maar ze zouden op zijn minst het volk kunnen vertellen wat hun overwegingen bij het nemen van beslissingen zijn.'

Net als veel van zijn generatiegenoten heeft het Ibrahim gestoord dat de Saoedische media pas vier dagen na de Iraakse inval in Koeweit daarover berichtten. Natuurlijk wisten hij en al zijn vrienden en collega's allang wat er aan de hand was, via CNN en de BBC. Kortegolf-radiootjes waren in die dagen snel uitverkocht. Maar toen het nieuws uiteindelijk officieel werd gepubliceerd, had koning Fahd ook al besloten de hulp van de Amerikanen in te roepen. Dat vinden hij en zijn vrienden best, maar waarom die geheimzinnigheid?

'Zelfs dat soort vragen stellen de meeste mensen niet', denkt de diplomaat. 'Vergeet nooit dat je als buitenlander alleen maar in contact komt met een bepaalde laag van de bevolking. Met het jonge, goed opgeleide deel, dat Engels spreekt. De massa is alleen geinteresseerd in rust en stabiliteit. Die heeft het goed.'

Daarbij komt dat de bevolking het gevoel heeft regelmatig in contact met de overheid te kunnen komen door een uitgebreid systeem van audienties waarop een ieder zijn grieven en wensen kan uiten. Ook de koning zelf ontvangt zeker een keer per week burgers die hem een briefje in de hand drukken waarop hun probleem beschreven staat. Hij is verplicht om, waar enigszins mogelijk, een oplossing te bieden of lagere autoriteiten daartoe te dwingen. Deze audienties worden op de televisie uitgezonden, evenals de maaltijden die Fahd af en toe met zijn onderdanen gebruikt. Al met al bestaat er geen voedingsbodem voor politieke onrust; de indruk bestaat zelfs dat alle geledingen van de bevolking zich in de huidige crisis dichter rondom het koningshuis hebben geschaard.

Onzekerheid

Toch maakt koning Fahd nu een gebaar dat traditioneel op onzekerheid duidt en daar is ook wel enige reden voor. De komst van meer dan 250.000 Westerse soldaten om het land tegen een inval door Saddam Hussein te beschermen vormt immers voor velen van zijn onderdanen een probleem dat rechtstreeks heeft te maken met de legitimatie van zijn macht. De titel 'koning' wordt door de Al-Sauds doorgaans niet gebruikt, Fahd noemt zichzelf 'Hoeder van de twee heilige moskeeen' en stelt, net als zijn voorgangers, dat het land geen wetten behoeft omdat het op grond van de Koran en andere heilige boeken wordt geregeerd.

Vooral onder het oudere en meer conservatieve deel van de bevolking stuiten de kleding en het gedrag van Amerikanen, Engelsen en Fransen weleens op bezwaren, maar op zichzelf zijn die niet onoverkomelijk want aan buitenlanders is men in Saoedi-Arabie wel gewend; het land heeft al jaren meer dan 4 miljoen gastarbeiders, onder wie tienduizenden Westerlingen. Ernstiger is dat het nu om militairen gaat. Hun aanwezigheid betekent dat de vorst kennelijk zijn taak als Hoeder van godsdienst en zeden niet meer zelfstandig kan vervullen. Dat besef vormt een potentiele bron van onrust in de Saoedische maatschappij.

De macht van de Al-Sauds berust op een historisch verbond tussen een van hun voorvaders en de religieuze stroming van de wahabieten, die streven naar een zeer strikte interpretatie van islamitische wetten en geboden. Wereldlijke en geestelijke leiders kunnen in Saoedi-Arabie niet zonder elkaar, maar hun verhouding is altijd aan spanning onderhevig geweest. Het vorstenhuis heeft in de afgelopen twintig jaar het land met behulp van Westerse technologie ingrijpend gemoderniseerd, maar daarbij steeds volgehouden dat technische vooruitgang heel goed kan samengaan met het behoud van traditionele waarden. Om dat te bewijzen werden bepaalde religieuze voorschriften, bijvoorbeeld met betrekking tot de kleding en het gedrag van vrouwen, eerder aangescherpt dan verzacht en werd de religieuze politie, die op handhaving daarvan moet toezien, weinig in de weg gelegd. Saoedi-Arabie is daardoor nu zowel de meest geavanceerde als de meest traditionele staat van het Midden-Oosten. In ruil voor handhaving van de religieuze orde plachten de schriftgeleerden on-islamitische uitspattingen van de koninklijke familie, in Franse casino's en Spaanse discotheken, door de vingers te zien.

Saddam Hussein, die overigens zelf een zeer wereldlijke achtergrond heeft en in Irak tal van religieuze leiders heeft verdreven of vermoord, doet er alles aan dit evenwicht te verstoren door in te spelen op het verlies aan gezag dat koning Fahd en zijn familie in sommige ogen hebben geleden. De propagandazender die hij op Saoedi-Arabie heeft gericht is niet voor niets Radio Mekka genoemd. Deze betoogt gedurig dat Fahd ongelovigen heeft toegelaten in het Heilige Land. Op geluidscassettes circuleren preken van Saoedische geestelijken waarin wordt beweerd dat de koning hiermee inderdaad over de schreef is gegaan.

Als het Fahd dit keer werkelijk ernst zou zijn met het geven van meer invloed aan zijn burgers, dan is het niet onverstandig om de extra steun in de eerste plaats te zoeken bij de liberale, goed opgeleide, jongere generatie waarvan effectieve hulp bij het bestuur kan worden verwacht. De emir van Koeweit stelde wat dat betreft enkele weken geleden een voorbeeld, toen hij tijdens een unieke vergadering op Saoedisch grondgebied met meer dan 1.000 invloedrijke burgers overeenkwam dat bij een herstel van zijn bewind een vorm van democratie en volkssoevereiniteit zal worden hersteld.

Zover is het in Saoedi-Arabie nog lang niet en zal het ook wel niet komen. Koning Fahd en zijn familie zullen immers niet onnodig een deel van hun macht afgeven en als ze dat al doen moet daarbij altijd rekening worden gehouden met de opvattingen van de godsdienstige leiders van zijn land. Het was dan ook kernmerkend dat de toelichting die Fahd de verzamelde hoofdredacteuren gaf op het plan voor een Majlis al-Shura vooral bestond uit aanhalingen uit de Koran en andere heilige geschriften. 'In tijd van oorlog raadpleegde de Profeet het volk en hieraan hebt ook u zich te houden', zo citeerde hij een oude tekst in een poging om duidelijk te maken dat meer volksinvloed geen concessie aan wereldlijke gedachten is, maar juist een terugkeer naar oorspronkelijke ideeen van de islam. De verhoudingen in Saoedi-Arabie zijn nu eenmaal nog steeds zo, dat een stap vooruit het beste kan worden gepresenteerd als een stap terug.