Japanse hof laat 'goddelijke pretentie' niet helemaal los

De inwijding van keizer Akihito in de waardigheden en gestaltes van zijn voorvaderen, vestigt in Japan en daarbuiten de belangstelling op het karakter en de betekenis van de Japanse monarchie. Na de Tweede Wereldoorlog is onder Amerikaanse druk in de nieuwe Japanse Grondwet en door keizer Hirohito zelf afstand genomen van het goddelijke element in de dynastie, die zou afstammen van de oergodin Amaterasu.

Een volledige constitutionele scheiding tussen shintoisme en staat is evenwel niet bereikt. Dat blijkt onder meer uit de conflicten over de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Japanse regering bij de Yasukuni-schrijn, de verplichte bijdrage van niet-shintoisten aan de instandhouding van de schrijn en de bijdrage uit de staatskas aan de deels religieus getinte begrafenisceremonie na het overlijden van Hirohito. De begrafenis van Hirohito maakte reeds duidelijk dat het Japanse hof evenmin bereid is tot een volledige abdicatie van de oude pretenties van goddelijke herkomst en sacrale functie van de keizer. Bij de inwijding van keizer Akihito blijkt evenzeer dat deze aanspraken nog niet geheel tot het verleden behoren. Een belangrijk element in de ceremonie betreft het eten van de op een bijzondere wijze gepote, geoogste en bereide rijst die de mystieke overgang van de 'goddelijke vonk' op de nieuwe keizer bezegelen.

Voor het eerst zullen deze plechtigheden worden bijgewoond door een lid van het Nederlandse koninklijk huis. Eerder deze eeuw waren daarbij alleen leden van het Nederlandse gezantschap aanwezig die in hun verslagen het Japanse hofceremonieel en de betekenis van de plechtigheden beschreven.

In 1912 rapporteerde J. H. van Royen, lid van het Nederlandse gezantschap in Tokio, aan de minister van buitenlandse zaken in verband met de ziekte van keizer Maiji (de grootvader van Hirohito), hoe 'met eene door gebrek aan kieschheid pijnlijk treffende nauwkeurigheid door bulletins dagelijks den Volke de toestand van den Hoogen Lijder' wordt meegedeeld. Nadat de keizer op 30 juli tenslotte is overleden volgt in november het begrafenisritueel dat Van Royen beschrijft als ' eenigszins geheimzinnig en zeer indrukwekkend'. Weliswaar vindt hij het vervoer van de voedselstoffen en de lijkkist op een wagen met ossen naar de eigenlijke begrafenis te Kyoto 'nog wel eenigszins barbaarsch' maar daar staat tegenover dat de organisatie uitstekend is en de gastvrijheid groot. Verder beschouwt hij de alom blijkende liefde van het volk voor zijn vorst als een belangrijke deugd van de Japanse natie 'die tegelijk is de groote samenhoudende en samenwerkende kracht die Japan door menige, meer Westersch-beschaafde natie wel mag worden benijd'. De opzienbarende rituele zelfmoord van generaal Nogi, de leermeester en huisvader van de jonge prins Hirohito, ter gelegenheid van het overlijden van zijn vorst Meiji, doet Van Royen af als 'karakteristiek oud-Japansch'.

Actueel

Een uitvoeriger en kritischer beschouwing wijdde de Nederlandse gezant J. C. Pabst in 1928 aan de plechtigheden bij het aantreden van Hirohito. Die beschouwing lijkt op een aantal punten weinig aan actualiteit te hebben ingeboet. Pabst signaleerde dat het Japanse hof door de ceremonie trachtte 'het geloof aan den goddelijken oorsprong van het Keizershuis en zijn symbolen te handhaven, hopende zoodoende zijn positie bestand te maken tegen de wel uiterst langzaam, maar toch zeker voortschrijdende denkbeelden over volkssouvereiniteit'. Op het platteland is dit geloof nog algemeen maar in de grote steden, 'onder het jongere geslacht', is twijfel ontstaan. De strenge strafbepalingen over majesteitsschennis voorkomen dat die twijfels ook openlijk worden uitgesproken, maar volgens Pabst is dat toch niet langer meer een toereikend middel om het voortbestaan van de dynastie te verzekeren. Vele loyale monarchisten wensen een ontwikkeling in de richting van een constitutionele monarchie zoals in Nederland en Engeland 'maar zij stuiten op de tegenstand der streng reactionaire hofkringen die niet dan schoorvoetend in een paar kleine concessies toegestemd hebben'.

Pabst wijst vervolgens op de veiligheidsmaatregelen van ongekende omvang waarbij de helft van de Japanse politie en een deel van het leger zijn ingeschakeld. Er zijn tijdens de plechtigheden 16.000 'verdachten' opgeborgen in daartoe van te voren tijdelijk gebouwde gevangenissen. Dat acht de gezant ook niet onbegrijpelijk in het licht van de omvangrijke kosten van de plechtigheden die voor een belangrijk deel uit de staatskas worden betaald: 'Nergens wordt deze groote uitgave gecritiseerd, daar zoo iets dadelijk als majesteitsschennis bestraft zou worden, maar het is duidelijk, dat zij bij de groote, hier heerschende armoede en sociaale nooden, wel snel ontevredenheid heeft gekweekt'.

De scepsis van Pabst lijkt achteraf niet geheel misplaatst te zijn geweest. De Nederlandse vertegenwoordigers in Japan zullen tegen die historische achtergrond opnieuw een balans opmaken van de staat en de koers van het keizerrijk. Die worden ook in 1990 weerspiegeld door de verhouding tussen de traditionele en moderne elementen bij de inwijding van keizer Akihito, die krachtens artikel 1 van de Japanse Grondwet immers fungeert als het symbool van de staat en de eenheid van het volk.