Hans Achterhuis, cultuurfilosoof in Twente; Zachtmoedige criticaster van 'softe' welzijnssector

Zowel het kapitalistische arbeidsethos als de wereld van het welzijnswerk werden het object van zijn kritiek. Zijn scherpe analyse van de 'markt van welzijn en geluk' maakte hem een van de bekendste filosofen van Nederland. Toch bleef hij jarenlang gewoon universitair docent, in deeltijd. Posten met meer prestige liet hij lopen, omdat hij geen zin had in bestuurlijke rompslomp en tijd wilde hebben voor zijn gezin. Nu de kinderen het huis uit zijn, wordt hij toch nog echt hoogleraar.

Hans Achterhuis zal geen techneut met de techneuten worden in Twente. Hij is daar sinds twee weken hoogleraar in de cultuurfilosofie van de techniek, maar volgens mensen die hem kennen is hij zelf zo a-technisch als maar kan. Barbara Noske, de eerste die bij hem is gepromoveerd, herinnert zich hoe ze hem eens attent maakte op een programma op een Belgische zender over de filosofe Hannah Arendt: 'Hij kon Belgie niet eens vinden op zijn televisie. Dat moest zijn vrouw voor hem doen.'

Hij was ook geen andragoog met de andragogen. In de jaren dat hij filosofie doceerde aan studenten andragologie schreef hij 'De markt van welzijn en geluk', een vernietigende kritiek op de pretenties van het welzijnswerk. Achterhuis houdt afstand.

Ook op het persoonlijk vlak. Veel mensen vinden hem gesloten. Trudy van Asperen, hoogleraar wijsbegeerte en ethiek aan de Universiteit van Amsterdam, kent hem al ongeveer dertig jaar, maar herinnnert zich geen bijzondere belevenissen met hem: 'Op zich is dat typerend. Hij gaat vrij rustig zijn eigen gang.' Op de filosofie-faculteit kenden velen hem slechts oppervlakkig. Hij was er niet vaker dan nodig. Van Asperen: 'Er is een gezelschap dat om kwart voor negen in de koffiekamer zit en 's middags samen gaat eten. Daar is hij nooit bij. Hij is alleen op de faculteit om er iets te doen.'

Achterhuis (1942) groeide met twee zusjes op in een hervormd middenklassegezin in Hengelo en Driebergen. Op het Revius-lyceum in Doorn, dat toen net was opgericht, waren nog maar weinig gymnasiasten: met zijn vieren op een zolderkamertje van de oude villa waarin de school was gevestigd, met gedreven leraren en goede leerlingen. De intensieve intellectuele vorming maakte een academische studie vanzelfsprekend, hoewel studeren geen traditie was in de familie.

Uit liefde voor de Russische literatuur ging Achterhuis Slavische talen studeren in Utrecht. Dat viel tegen: die studie ging meer over taalkunde en andere theorie. Hij deed een blauwe maandag rechten voordat hij, nog steeds in zijn eerste jaar, omzwaaide naar theologie, waarin hij ten slotte afstudeerde. Hij studeerde regelmatig en snel. Jaar- en huisgenoot Bert Kisjes, tegenwoordig hotelier te Wijk aan Zee: 'Wat hij gelezen had, kon hij heel goed weergeven. Als ik te lui was om een boek te lezen vroeg ik Hans wat er in stond.'

Achterhuis was lid van het corps, maar de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV) en het theologisch gezelschap waren belangrijker kringen voor hem. Trudy van Asperen zat met hem in het bestuur van de NCSV: 'Ze zochten een voorzitter. Hans wilde niet, toen ben ik het geworden. Hij wilde wel wat doen, maar zich niet in organiseren storten.' Hij werd vice-voorzitter.

Stapels rotzooi

'Op tafel had hij een paar bakjes staan. Overal lagen almaar aanzwellende stapels rotzooi', beschrijft Harry Kunneman, die de laatste jaren een kamer met hem deelde bij de vakgroep sociale filosofie. 'Maar op een of andere manier wist hij altijd wel weer boven water te krijgen wat hij zocht. Hans heeft geen goesting in opruimen en geen goesting in bestuur en beheer.' Een week voor de promotie van Barbara Noske zag hij kans zijn exemplaar van haar proefschrift kwijt te raken.

Na zijn studie trok hij naar Straatsburg, waar hij bij Roger Mehl promoveerde met een proefschrift over de Franse existentialist Albert Camus. Weer in Nederland was hij korte tijd godsdienstleraar in Terneuzen. Even overwoog hij predikant te worden op Vlieland, omdat die post hem in de winter veel tijd zou laten om te studeren en te schrijven. Kisjes haalde hem ten slotte naar het Werelddiakonaat van de Nederlands-Hervormde kerk, waar hij zich bezighield met fondswerving en steun aan projecten in de derde wereld. Hij schreef twee boeken en vele artikelen over de Derde wereld, maar is er zelf nooit geweest. Zelfs in Mexico bij zijn grote inspirator en leermeester Ivan Illich zette hij ondanks diens aandringen nooit voet.

Na een knetterend conflict tussen de driekoppige staf van het Werelddiakonaat en de hervormde kerk stapte de voltallige staf op. Op dat moment was zijn geloof al enige jaren aan het afkalven. Wel schreef hij nog een tijdlang stukjes voor de rubriek 'geestelijk leven' van het Utrechts Nieuwsblad. Nu heeft hij geen band meer met de kerk.

Na een jaar op het bureau van het in oprichting verkerende Nederlands Centrum voor Buitenlanders belandde hij in 1973 op de plaats waar hij tot twee weken geleden zijn brood verdiende: de vakgroep sociale filosofie van de Universiteit van Amsterdam. De filosofen zagen hem niet zoveel, want zijn onderwijs gaf hij tot het midden van de jaren tachtig aan de subfaculteit andragologie. Als scherp criticus van het welzijnswerk nam hij daar een bijzondere positie in.

Met de medewerkers van de subfaculteit is hij echter nooit rechtstreeks in debat geraakt. In 'De markt van welzijn en geluk' betoogt hij dat welzijnswerkers het welzijn van de bevolking helemaal niet vergroten, in tegendeel, de misere van mensen slechts verergeren. En als de problemen toenemen pleiten ze voor meer welzijnswerk. A. Notten, een van hen: 'Het meest meeslepende boek van de jaren tachtig over andragogisch werk heeft nauwelijks serieus commentaar gehad. Achteraf gezien is dat verbazend.' Zijn collega Henk Michielse: 'Andragologie en filosofie, die vakken hadden toch hun eigen circuits. Ik heb wel over zijn werk gesproken in de vakgroep en met studenten, maar eigenlijk nooit met hem zelf.'

'Als docent is hij heel terughoudend', herinnert Nico Koning zich, een van zijn vele studenten en tegenwoordig docent filosofie op een sociale academie: 'Hij introduceerde theorieen vaak op een heel persoonlijke manier, uit eigen ervaringen. Daardoor werd je gepakt. Dan ging je boeken lezen en erover praten. Hans bleef dan meer op de achtergrond en zei af en toe iets prikkelends.'

Koning maakte deel uit van het 'Illich-Foucault-groepje', voortgekomen uit een studieproject. Jarenlang zijn ze met vijf a zes mensen wekelijks bijeen gekomen om te eten en te discussieren over een tekst. Achterhuis maakte zelf ook deel uit van het groepje. Kunneman: 'Hij gebruikte het onderwijs als proeftuin voor zijn geschriften. Hij had meer rechtstreekse intellectuele samenwerking met studenten dan met zijn collega's.'

Lange monologen

Ivan Illich zelf was ook enkele keren te gast in het groepje. Koning: 'Die hield lange monologen. Zo'n manier van doen heeft Hans helemaal niet. Hij stelde zich op een lager plan.' Achterhuis ontmoette Illich voor het eerst toen deze in 1977 een lezing hield in Tilburg. Hij interviewde hem voor de Nieuwe Linie. Vijf jaar later trad hij op als tussenpersoon om hem weer naar Nederland te halen. Sindsdien zien ze elkaar regelmatig op symposia en seminars en logeert Illich als hij hier is in Achterhuis' woning, een met veel blank hout ingerichte doorzonwoning in Utrecht.

Sinds de opheffing van de subfaculteit andragologie halverwege de jaren tachtig, geeft Achterhuis onderwijs aan zijn eigen faculteit. Daarnaast bekleedt hij een bijzonder hoogleraarschap in Wageningen vanwege het Humanistisch Verbond. Bij filosofie is echter nooit een 'Achterhuis-school' ontstaan. Wel speelde hij door zijn manier van optreden een belangrijke rol in discussies, zowel in het maandelijkse vakgroepscolloquium als in werkgroepen met studenten. Hij probeert zich voortdurend in de standpunten van anderen te verplaatsen. Achterhuis speelt de bal, nooit de man.

Die houding gaat terug tot zijn studententijd, toen in het theologisch gezelschap op het scherp van de snede werd gedebatteerd. Om voldoende afstand te scheppen, spraken de studenten elkaar in debat met de achternaam aan. Men diende uitsluitend op de zaak in te gaan, en niet op de persoon. Als er een beledigende opmerking werd gemaakt riep altijd wel iemand: 'Personaliteit!'. Daarop stond een boete van een gulden.

Het is moeilijk ruzie met hem te krijgen. Men noemt hem aimabel, zachtmoedig, vriendelijk, 'soft'. 'Voor mij was hij als promotor wel geslaagd', zegt Barbara Noske, 'maar ik had mijn boek al bijna af toen ik bij hem kwam. Als je daarentegen in een impasse zit, betwijfel ik of hij de figuur is die je eruit trekt. Daarvoor moet je enigszins autoritair zijn. Dat is hij absoluut niet. Hij is nog zo zestiger-jaren-achtig.'

Sinds Achterhuis in Amsterdam werkt heeft hij altijd een deeltijdaanstelling gehad. Dat was een bewuste keus: hij wilde tijd hebben om te schrijven en tijd hebben voor het huishouden en de twee kinderen. Dat laatste pas na fikse aanvaringen met zijn vrouw Tiny, die hem vaak confronteerde met de gevolgen van zijn werklust. Op vakantie bijvoorbeeld nam hij aanvankelijk altijd werk mee om te schrijven. Pas toen zij daar razend over werd beperkte hij zich tot een boek om te lezen.

Ook zijn schrijverswerk leidde tot huiselijke conflicten. Als hij vastliep verslechterde zijn humeur. Zijn vrouw heeft hem daarom op een gegeven moment naar zijn moeder in Driebergen gebracht. Sindsdien schrijft hij zijn boeken daar, in een ruk. Nu de kinderen volwassen zijn probeert hij het voor het eerst weer eens thuis.