Verdacht van incest

Het Amsterdamse gerechtshof lijkt nog het meest op een bedrijf waar de nering is verlopen. De versleten grote rechtszaal van het oude Paleis van Justitie aan de Prinsengracht is een uitgewoond decor. Sinds het vertrek van de rechtbank naar de Parnassusweg lijkt alles hier groezelig.

Op de verdachtenbank zit een Marokkaan. Hij heeft een windjack aan, daaronder een groene trui en een overhemd waarvan het boord openstaat. Zijn naam is Abdellah Abbadoui (54), plantsoenarbeider te Utrecht, zoals het Hof later zal vaststellen. Hij zit onbeweeglijk te wachten, de mondhoeken naar beneden. Naast hem zit een jonge vrouw met lang zwart haar. Haar jasje met koperen knopen is zwart, net als haar broek en haar lederen tas. Zij is Naima Ben Amar (27), tolk Marokkaans/Berber-Nederlands. Dat zal ze dadelijk zeggen tegen het Hof. Ze zal een beetje onwennig de eed afleggen, want het is de eerste keer dat ze tolkt in een rechtszaal. Zo zitten zij daar te wachten, elkaar zorgvuldig negerend.

Abbadoui is in 1989 door de Utrechtse rechtbank veroordeeld wegens incest. Hij zou zijn dochter Rashida van 1981 tot 1984 hebben misbruikt. Zelf houdt hij het erop dat hij het slachtoffer is van een complot, gesmeed door zijn drie vernederlandste kinderen en hun moeder, waarvan hij inmiddels is gescheiden.

Het Hof keert terug en de zitting wordt geopend. Fungerend president van het Hof, mr. J. de Goederen, is driftig en kortaf, karaktertrekken die je eerder verwacht bij de leden van het openbaar ministerie dan bij een rechter van het gerechtshof.

De fungerend procureur-generaal mr. C. P. T. Fehmers leest de telastelegging voor. Er sprake van het betasten van de borsten van dochter Rashida. Van ' in haar ontblote vagina tasten'. Ook zou Rashida ' gedwongen zijn met haar hand aan zijn ontblote penis te trekken'. De tolk leest de telastelegging nadat Fehmers is uitgesproken nog eens aan Abbadoui voor. Hij wil reageren. ' Nee!' roept De Goederen, ' Ik vraag hem niets!' Hij zal die kreet voorlopig om de paar zinnen herhalen. Hij memoreert het vonnis van de Utrechtse rechtbank, die Abbadoui veroordeelde tot zeven maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, en tot het betalen van 1.500 gulden schadevergoeding aan dochter Rashida. Abbadoui zegt iets tot zijn tolk. De Goederen: ' Nee! Ik vraag hem niets!'

Rashida heeft in het proces voor de Utrechtse rechtbank niet hoeven te getuigen. Ze heeft alleen een verklaring afgelegd voor de rechter commissaris. De Goederen leest voor. ' Ongeveer vanaf mijn tiende jaar is mijn vader meer aandacht aan mij gaan schenken. Mijn vader nam mij bij hem in bed als hij ging slapen. Ik moest hem dan altijd verwennen. Ik moest hem over zijn piemel wrijven en hij wreef met zijn piemel tegen mijn vagina aan... ' De Goederen kijkt naar Fehmers. ' Dat gaat zo door. Ik neem aan, meneer de procureur-generaal, dat u de verklaring kent en dat ik hem niet verder hoef voor te lezen.'

Abbadoui luistert met gebogen hoofd naar de getuigenverklaringen van zijn ex-vrouw en van zijn andere dochter Sahari, die verklaren ' wel eens wat gezien te hebben'. Als bewijs dient ook de verklaring van een maatschappelijk werkster aan wie Rashida haar verhaal verteld heeft.

Abbadoui ontkent alles. ' Als mijn vrouw ooit iets gezien had, dan had ze toch naar de politie kunnen gaan om mij aan te geven? Dat heeft ze niet gedaan dus is het niet waar.' Er volgt een onderonsje tussen Abbadoui en zijn tolk. Tenslotte vertaalt zij: ' Rashida, Sahari en mijn zoon Najib hebben met z'n drieen afgesproken dat zij het huis uitwilden. Ondertussen had ik ruzie met mijn vrouw over een stukje grond in Marokko. Met zijn vieren hebben ze toen een manier bedacht om mij in de gevangenis te krijgen. Toen hebben ze het verhaal van de incest bedacht. Maar ik ben een strenge moslim. Ik zou zoiets nooit kunnen doen.'

Fungerend procureur-generaal Fehmers vraagt de verdachte of hij zijn kinderen ooit bedreigd heeft.

' Alleen mijn zoon', zegt Abbadoui, ' want hij begon te stelen en problemen te krijgen met de politie.'

Fehmers: ' In het proces verbaal wordt door de maatschappelijk werker vermeld dat meneer zijn dochter bedreigde. Dat hij haar zou vermoorden en daar wel een paar jaar gevangenisstraf voor over had.'

Nu vraagt Fehmers of het waar is dat Abbadoui de kleren kocht voor zijn dochtertje, ' terwijl het in die kringen toch hoogst ongebruikelijk is dat mannen zich met vrouwenkleren bemoeien'.

Abbadoui ontkent niet dat hij kleding kocht. ' Mijn vrouw sprak geen Nederlands, daarom deed ik op aanwijzing van mijn vrouw de inkopen.'

Voordat Fehmers aan zijn requisitoir begint, krijgt de 'beledigde partij', in dit geval de advocate van dochter Rashida, de gelegenheid de eis tot schadevergoeding toe te lichten. De advocate spreekt van het trauma van Rashida. Haar huilbuien en nachtmerries en de problemen die zij heeft in haar relaties met mannen.

De Goederen: ' Wil meneer er iets over zeggen?'

Abbadoui: ' Het is niet waar. Zij is een leugenares.'

Fehmers vindt de verklaring van Rashida tegen haar vader ' overtuigend en schrijnend'. ' Het gaat hier om een beschadiging van lichaam en geest. Nachtmerries hebben van je eigen vader: het is het meest gruwelijke wat een meisje kan overkomen.' Volgens Fehmers beantwoordt Abbadoui geheel aan het ' archetypische beeld van de incestpleger' zoals die in de literatuur is beschreven. ' Het gaat altijd om een gezinsdespoot in een gesloten gezin. De gezinsdespoot ontkent altijd vanuit de religie, maar dat zegt niets. Het is juist typerend dat een hele strenge godsdienstige overtuiging tot incest leidt. Typerend was ook het feit dat de vader agressief, gewelddadig en bedreigend was voor zijn gezin. Dat hij een seksueel onbevredigende relatie had met zijn vrouw. Dat hij een kind als zijn favoriet uitkoos, dat hij isoleerde en begunstigde.' Fehmers ziet ook in de ' lichaamstaal van de verdachte hier ter zitting' en in zijn ' overheersende gedrag tegenover de tolk' bewijs voor diens 'persoonlijkheidsstructuur'. Hij vraagt uiteindelijk om bevestiging van het Utrechtse vonnis, hoewel hij dit 'mild' vindt.

De raadsman van Abbadoui, mr. R. Veerkamp, meent dat de stereotypen waar de procureur-generaal mee aankomt niet opgaan voor zijn client. ' Ik ben nog nooit een publicatie tegengekomen over de specifieke religieuze achtergrond waar we hier mee te maken hebben', zegt Veerkamp in een pleidooi dat volgens hem ' korter maar daarom niet minder krachtig' is dan het requisitoir.

Na afloop staat de tolk Naima Ben Amar op de gang van het gerechtshof. Zij denkt anders over een aantal zaken die zijn opgemerkt over de culturele achtergronden van Abbadoui. Volgens haar is het helemaal niet vreemd dat Marokkaanse mannen kleding aanschaffen voor hun vrouwen. ' Ik geloof nooit dat deze man iets met zijn dochters zou doen. Ik heb ook zo'n strikt religieuze vader. Zulke mannen steken nooit een vinger uit naar hun eigen kinderen. Dat is ondenkbaar.'

Het hof dacht er anders over en bevestigde het vonnis van de Utrechtse rechtbank. Abbadoui is in cassatie gegaan bij de Hoge Raad.

Vonnis 'Ongeluk' (Z, 27 oktober)

De rechtbank in Rotterdam veroordeelde op donderdag 8 november Paula Oppem (40) en haar vriend Herman Weezenbeek (24) tot veertig dagen cel, een straf gelijk aan het voorarrest. De Rotterdammers hebben zich volgens de rechtbank schuldig gemaakt aan het verbergen van het lijk van de 55-jarige Robert Demey om op die manier een misdrijf van hun vriendin Rachel Debroux te verdoezelen. Aan de dood van het slachtoffer hebben Oppem en Weezenbeek echter part noch deel gehad, oordeelde de rechtbank. Officier van justitie mr. G. J. Bouman had een gevangenisstraf van achttien maanden geeist.

(De namen van de betrokkenen zijn gewijzigd)