PEUTEREN

Appels zijn goed voor je gebit, roepen tandartsen en groenteboeren sinds mensenheugnis in koor. Dat moge zo zijn, maar er is weinig voedsel verradelijker dan juist appels. Hoe vaak gebeurt het niet dat na het eten van een golden delicious of een jonagold een raar gevoel in de mond achterblijft? Het duurt altijd even voor je in de gaten hebt wat er aan de hand is. Je tong tast rond. Een moment later is het probleem gelocaliseerd: twee tanden staan onder druk. Ze worden uiteen geduwd door een vliesdun stukje appelschil. De tong probeert er vat op te krijgen. Tevergeefs. Dat wordt peuteren.

Al snel is duidelijk dat zoiets grofs als een vinger niets uithaalt. Zelfs een scherpe nagel is veel te dik om zich tussen de tanden te wurmen. Dit vraagt om fijn gereedschap. Uit de tas komt een klein etuitje met scherpe stokjes. Het puntje wordt even langs het oneindig dunne spleetje gehaald en weg is het vliesje. Karwei geklaard. Omdat zo'n deksels stukje schil slecht is voor het humeur verdient de tandenstoker een plaats de survival-kit voor de moderne burger.

Menig mondhygieniste vindt het nu tijd om in te grijpen: tandenstokers hebben een geheel andere functie dan het lospeuteren van appelschilletjes. Ze dienen om de ruimte tussen gebitselementen en tandvlees te reinigen en om het tandvlees te masseren. In die functie concurreren ze met ander gereedschap, zoals ragertjes en floss.

Volgens de mondhygieniste moet je na elke poetsbeurt de interdentale holtes schoonmaken. Zij zweert bij een soort miniborsteltjes die je in die holten heen en weer kunt halen. In handen van een onervaren persoon verandert het ragertje in een waar martelwerktuig. Flossen is ook goed, stelt ze gerust. Floss is een heel smal kunststof lint. Het is zo dun dat je het zelfs tussen stijf tegen elkaar staande tanden door kunt halen. Daartoe dient het voor en achter de tand te worden vastgehouden. Omdat het materiaal spiegelglad is moet je het een paar keer om je vinger draaien om te voorkomen dat het voortdurend wegglijdt. Het lijkt allemaal simpel, maar het is heidens moeilijk. Voor de spiegel heb je voortdurend de neiging de verkeerde kant op te gaan. Dan slipt de floss en komt je ene vinger steeds dichter bij de huig. Kokhalzend geef je de moed op.

Tot zover de mondhygiene. De ware reden om tandenstokers te gebruiken is een heel andere: peuteren. Zoals bekend is maar zelden bekend wordt is peuteren een verslavend genot. De meeste mensen hebben een voorkeur voor een bepaalde lichaamsholte, doorgaans neus, oor of mond. Wie contactlenzen draagt kan zich ook op zijn ogen uitleven.

Op peuteren berust een taboe. Taboes verschillen naar plaats en tijd. In sommige landen, vooral in Scandinavie, staat er gewoonlijk naast het peper- en het zoutvaatje een potje tandenstokers op tafel in een restaurant. Ongegeneerd peuteren tussen tanden en kiezen maakt daar deel uit van de natafelcultuur. De ware peuteraar trekt daarbij een gezicht alsof hij met een ingewikkelde technische klus bezig is. Zen en de kunst van het gebitsonderhoud.

In Nederlandse restaurants is het nog niet erg gebruikelijk dat er een potje tandenstokers op tafel staat. En als er een borrelglaasje stokjes staat blijken het meestal coctailprikkers. Die hebben ook een scherpe punt en zijn dus enigszins geschikt voor het verwijderen van stukjes appelschil, maar hebben geen scherpe zijde, zodat ze vrijwel niet in de holten tussen tanden en tandvlees zijn te wurmen.

Een nog onhandiger cadeautje van de restaurateurs der lage landen in een schuin afgesneden plastic rietje. Na enig experimenteren bleek het geschikt om de nagels schoon te maken, maar mijn gebit en vooral mijn tandvlees waag ik er niet aan.

Ideaal is een plat, dun houtje dat op een scherpe snede uitloopt en aan het eind een punt heeft. Met de platte kant onder lijkt dit stokje geschapen voor de vorm van de holte tussen twee tanden en het onderliggende tandvlees. Dat is ook zo. Die vorm onderscheidt de echte tandenstoker van allerlei nepwerktuigen. Echte tandenstokers hebben hun grondvorm met elkaar gemeen, maar verschillen verder in kleur, dikte en smaak. Kleur is niet zo belangrijk, behalve voor de mondhygieniste die wil laten zien hoeveel witte smurrie er tussen je tanden zit. Zij gebruikt dan ook oranje tandenstokers en donkerblauw floss. Wie er geen behoefte aan heeft na het eten het resultaat van zijn gepeuter te beoordelen kan met blankhouten exemplaren volstaan.

De Jordan, met een lichte pepermuntsmaak, voldoet aan al mijn eisen. Hij is stevig, lekker, en dun genoeg om in de grotere holtes een beetje te kunnen rondwroeten. Dit in tegenstelling tot het model van Johnson en Johnson, dat zo dik is dat je er slechts in een fietsenrek mee uit de voeten kan. De enige die kan wedijveren met de Jordan is de eveneens uit Noorwegen stammende Oral-B. Deze is nog iets dunner dan de Jordan. Daardoor gaat hij minder lang mee. Daar staat tegenover dat hij aan beide zijden een punt heeft, zodat hij twee keer te gebruiken is. Doorgaans blijkt een stokje het hele gebit aan te kunnen.

Qua smaak is er de keus uit munt en geen. Voor een werktuig waarvan het natuurlijk biotoop in de buurt van de smaakpapillen ligt is dat wat weinig. Zelfs in condooms zijn meer smaken te krijgen. Ter afwisseling zou ik wel eens chocola willen proberen, olijf, of appel natuurlijk.