Oost-Europese revoluties verliezen vreedzame karakter; WRAAK!

De wind wordt kil in Oost-Europa: de vreedzame revoluties dreigen hunfluwelen karakter te verliezen. De grote verwachtingen zijn niet ingelost, want vastgelopen samenlevingen laten zich niet binnen een paar maanden enook niet zonder pijn transformeren. En pijn is er, in overvloed: verpaupering, werkloosheid, inflatie en onzekerheid beheersen het dagelijks leven en de verheven democratische idealen van een jaar geleden maken snel plaats voor verbittering.

Overal in Oost-Europa is een krachtig nationalisme ontstaan. Overal ook begint het vertrouwen in de nieuwe leiding te tanen. En overal wordt met steeds meer wrok en intolerantie geroepen om wraak op de heersers van vroeger, de communisten die de misere op hun geweten hebben. Waar blijven de processen? Ze blijven voornamelijk uit. En naarmate de boosheid groeit, groeit het probleem voor de nieuwe regeringen.

Wraak is lang nauwelijks een thema geweest. Men was vrij, de nachtmerrie was voorbij, het was snel en behalve in Roemenie ook vreedzaam gegaan: men was in alle euforie ontvankelijk voor het argument van de verzoening. Naarmate het dagelijks leven echter moeilijker wordt, wordt nu de roep om wraak krachtiger. Al te lang ziet men dat de communisten van vroeger hun mooie baantjes mogen houden of zich - beter geschoold dan de meesten, met meer kennis van de markt, meer vrienden op sleutelposten, meer geld op de bank - meester maken van nieuwe mooie baantjes, vooral in de economie.

De nomenklatoera is gaan verzitten: ze is verdreven uit de zachte leunstoelen in de superhoofdkwartieren, de ministeries en de bedrijfskantoren, maar ze heeft, moeiteloos schijnbaar, andere makkelijke fauteuils gevonden, vaak in de burelen van nieuwe succesvolle privebedrijven die een schaarse markt bedienen. Zo leidt bijvoorbeeld Ireneusz Sekula, ex-lid van het Poolse politburo, een Pools-Japanse joint venture en staat uitgerekend de vroegere chef-ideologie Venelin Kotsev in Bulgarije aan het hoofd van een bloeiende particuliere onderneming.

Het stemt de gewone man bitter: hij komt de onderdrukkers van vroeger op straat tegen, vrij en even rijk als toen, vaak zelfs nog rijker. De voormalige politieke gevangenen, die nooit compromissen hebben willen sluiten met de regimes en daarvoor hun baan, hun vrijheid, hun toekomst en de toekomst van hun kinderen hebben opgegeven, kunnen op straat de politiemannen tegenkomen door wie ze werden opgepakt, de aanklagers die hun arrestatie hebben gelast en de rechters die hen hebben veroordeeld. Ze kunnen hun cipiers tegenkomen, hun folteraars zelfs. Die zijn net zo vrij als zij zelf, maar zitten er doorgaans veel warmer bij. Vaak bekleden ze nog dezelfde functie, en er wordt niet meer gefolterd, maar er wordt nog wel opgesloten en recht gesproken.

Wraak of geen wraak? Het is voor de nieuwe regeringen zowel een moreel als een praktisch probleem. Praktisch, omdat wraak op grote schaal de nieuwe samenlevingen zou beroven van de weinige managers en bestuurders met ervaring in het managen en besturen. En moreel, omdat elke vorm van wraak een grens impliceert tussen de leiders die bevelen gaven en de uitvoerders van die bevelen, en het valt niet mee die grens te trekken. Gheorghe Radulescu, onder Ceausescu vice-president, leek uit hoofde van die voormalige topfunctie bij uitstek een kandidaat voor levenslang of daaromtrent. Maar ook Radulescu kan aantonen zich onder Ceausescu te hebben ingezet voor dissidenten. Dat wist niemand, behalve die dissidenten, en verbijsterd zagen dan ook de Roemenen eerder dit jaar hoe onversneden slachtoffers van Ceausescu zich openlijk tegen Radulescu's veroordeling uitspraken. Radulescu moest vrij? Radulescu moest vrij - maar niemand is bereid aan te nemen dat de grens van de wraak direct onder het doodgeschoten echtpaar Ceausescu moet worden getrokken: daarvoor is in het verleden te veel geleden.

Oud IJzer-schandaal

Elk Oosteuropees bewind kampt met het probleem en allemaal zoeken ze hun eigen oplossing. Ze zijn nooit bevredigend: elke oplossing is omstreden en vergroot de verbittering en de behoefte alsnog zondebokken te zoeken. In Polen kwam vorige maand het zogenoemde Oud IJzer-schandaal aan het licht: de geheime politie heeft, zo bleek, tussen 1968 en 1971, met gebruikmaking van haar eigen spionnen in het Westen, als een heuse maffia berovingen, fraude en afpersing gepleegd en grote hoeveelheden goud en juwelen naar Polen gesmokkeld die terecht zijn gekomen bij de top van de geheime dienst. Er werden arrestaties verricht, generaals werden opgepakt, het vroegere politburolid Milewski zelfs. Maar vervolgd wordt er niet, of hooguit wegens smokkel: de echte misdrijven zijn verjaard, en dus kwamen Milewski en de generaals vrij, een sisser die vanaf het begin alleen maar leek te zijn bedoeld om het bewind van premier Mazowiecki met de verkiezingen in zicht te vrijwaren voor het verwijt niets te doen tegen de onderdrukkers van gisteren. Om dezelfde reden lijkt het onderzoek in de zaak van de in 1984 door de geheime politie vermoorde priester Popieluszko te zijn heropend: een alibi: we doen wel wat tegen de schurken van vroeger. Maar veel meer gebeurt er niet.

In Tsjechoslowakije is men nog niet toe aan de beantwoording van de vraag. Maar ook hier groeit het ongenoegen, en toen vorige maand Vasil Mohorita, toen nog leider van de enige communisten in Oost-Europa die zich communistisch bleven noemen, de schande vergat en repte van een 'compromisloze strijd' tegen de regering, stroomden al een dag later duizenden boze Pragers de straat op om hem aan het verleden te herinneren en werd Mohorita haastig als partijvoorzitter afgezet.

Dat het ongenoegen groeit werd nog geen week na het incident aangetoond in de oproep van een aantal Praagse studentenorganisaties om de herdenking van de 'fluwelen revolutie' te boycotten. De revolutie, aldus de studenten, is niet meer van fluweel, de revolutie is gestolen: de leden van de vroegere geheime politie zijn niet ontslagen, en voor zover ze wel zijn ontslagen zitten ze thuis, met behoud van hun oude salaris, wachtend op de dingen die komen gaan. De voormalige politiechef van West-Slowakije, Alojz Lorenc, een man met een zeer bevlekt verleden die na de revolutie nog alle kans heeft gekregen geheime documenten te vernietigen of in veiligheid te brengen, is na de fluwelen revolutie gearresteerd maar weer vrijgelaten. Nu zit hij weer even vast, maar of het tot een proces komt weet niemand. De beschuldigingen aan zijn adres hebben ook niet betrekking op het geweld tegen betogers voor de revolutie, maar op het vernietigen van documenten erna. Tegen de topleiders van het oude systeem, Husak, Bilak, Adamec, Strougal, Chnoupek, is niets ondernomen. De enige uitzondering is Miroslav Stepan, ex-partijchef van Praag. Hij werd, omdat hij de socialistische orde wat al te hardhandig heeft gehandhaafd, zowaar veroordeeld. Maar in hoger beroep werd die straf alweer gehalveerd.

Hongarije biedt hetzelfde beeld. Alleen is men hier tenminste begonnen aan de beantwoording van de vraag wie schuldig is en in welke mate. Het regerende Hongaars Democratisch Forum (MDF) heeft het parlement voorgesteld te onderzoeken wie sinds 1956 welke beslissingen heeft genomen: de heersers van vroeger moeten maar eens verantwoording afleggen over hun beslissingen, hun daden en hun vermogen, te beginnen bij 1956.

Het debat verloopt moeizaam, want, zo stelde de filosoof Gyorgy Bence, je kunt niet iemand veroordelen wegens het nemen van verkeerde beslissingen, zelfs niet als die hebben geleid tot de verwoesting van de economie; je kunt alleen veroordelen wegens crimineel gedrag. Bence werd bijgevallen door de econoom en socioloog Tamas Bauer: ' Na oorlogen van primitieve stammen werden de verliezers tot slavernij gebracht of opgegeten. In een moderne samenleving moeten de overwinnaars niet over de verliezers kunnen oordelen.' Het MDF-voornemen lijkt in de praktijk niet uitvoerbaar. Je kunt moeilijk elke Hongaar die sinds 1956 partijsecretaris van een gehucht in de poesta is geweest of een andere nomenklatoerafunctie heeft bekleed doorlichten, al zijn beslissingen van 33 jaar tegen het licht houden.

De oppositie in Hongarije zou zich liever beperken tot een reeks nauwkeurig omschreven zaken: wie is verantwoordelijk voor de repressie na 1956, wie heeft in 1972 de economische hervormingen getorpedeerd, wie heeft de belangrijkste - verkeerde - economische beslissingen genomen, wie heeft ingestemd met de Hongaarse deelname aan de escapade naar Tsjechoslowakije in 1968? Alleen - zo'n lijst pleegt zich steeds verder uit te breiden, want menige beerput in Hongarije zit nog dicht.

Haperen

Nog moeilijker liggen de zaken in Roemenie, waar het socialisme het hardst heeft huisgehouden. De hoofdschuldigen zijn dood, hun belangrijkste handlangers zijn begin dit jaar tot levenslang veroordeeld, zelfs Nicu Ceausescu heeft twintig jaar cel gekregen. Daarna is de machine gaan haperen: processen slepen zich voort, zoals dat tegen de Securitate-leiders van Timisoara, of lopen uit op vrijspraak wegens 'gebrek aan bewijs', een voor de Roemeense bevolking even onbegrijpelijke en als onaanvaardbare proeve van machteloosheid, een bewijs dat 'er niets is veranderd' en een nieuwe bijdrage aan het wantrouwen waarmee menigeen het nieuwe bewind beziet. En waar zijn eigenlijk al die terroristen van december gebleven, die securisti die op het volk hebben geschoten, de killers van Ceausescu? Ook zij lopen vrij rond.

Ook hier is niet gezuiverd, hoewel hier meer dan elders reden voor een zuivering zou zijn. Er is zelfs nog minder gezuiverd: in Polen en Tsjechoslowakije zijn duizenden leden van de geheime politie overgeplaatst naar de brandweer en de verkeerspolitie en is de bezem gehaald door het personeelsbestand van het ministerie van binnenlandse zaken. In Roemenie zijn daarentegen securisti opgenomen in de nieuwe geheime dienst, werken bij de ministeries nog dezelfde mensen. Het leidt tot verbittering: de allerergste schurken zitten vast, maar de gewone Roemeen voelt zich nog altijd in de gaten gehouden door dezelfde securist die dat vroeger ook deed en door dezelfde nomenklatoerachef die er vroeger ook zat.

Lijst

Bulgarije? Anderhalve zondebok voorlopig: Todor Zjivkov, de man die 35 jaar de personificatie is geweest van het Bulgaarse socialisme, en zijn voormalige rechterhand, Milko Balev. Zjivkov moet, vindt het parlement, voor het parlement verschijnen om verantwoording af te leggen. Hij heeft daar oorspronkelijk zelf om gevraagd. Later bedacht hij zich, want hij had liever uitleg gegeven en zich verdedigd in plaats van zich door boze parlementariers te laten uitvragen. Hij wacht nu eerst de uitkomst van het gerechtelijk onderzoek af, om althans te weten waartegen hij zich dient te verdedigen.

Verder geen wraak. Dat het juridisch onderzoek tegen Zjivkov en Balev al elf maanden loopt is op zich al een teken aan de wand. Geen wraak: tenslotte hebben de machthebbers van nu, partijchef Lilov, premier Loekanov, heel lang meegedraaid in Zjivkovs leiding, hier is de revolutie net zo min als in Roemenie volledig geweest. Er bestaat, zo onthulde het blad Svoboden Narod eind oktober, een lijst met 120 namen van lieden die verantwoordelijk zijn voor 'de rampzalige situatie' in Bulgarije, compleet met hun wandaden. Het zijn geen geringe wandaden. Jordan Zartsjev, ex-voorzitter van de Commissie voor Partij-Ethiek, zag de lijst en kreunde in een radio-interview: ' Als je eens wist wat die mensen hebben misdaan, als je dat eens wist... '

Niettemin: die lijst is om onduidelijke redenen geheim, zo geheim dat zelfs parlementariers hem niet mogen inzien. De lijst is ook niet compleet en betekent ook verder niet zoveel. Parlementarier Georgi Tamboeev: ' De persoonlijke en concrete schuld moet door de rechter worden vastgesteld, maar ik vertrouw noch de rechters, noch de aanklagers. Ze dienen nog altijd in een totalitaire machtsstructuur die patriciers beschermt en met een ijzeren vuist optreedt tegen plebejers.' De rest is stilte. Behalve voor de studenten: zij bezetten inmiddels weer het centrale plein van Sofia, zij willen van verzoening niets weten.

Geen wraak dus, of maar een beetje, met alle consequenties vandien, in de vorm van verbittering bij de bevolking en een verlies aan legitimiteit bij de nieuwe regeringen. Ook dat is een stukje van de desastreuze erfenis waarmee vijfenveertig jaar socialisme de Oosteuropese samenlevingen heeft opgezadeld. ' Wij zijn allen schuldig geweest aan de dictatuur, ' zo hield president Havel al in december vorig jaar de Tsjechoslowaken voor. Dat mag waar zijn, maar het is theorie, want de Oosteuropeanen voelen zich niet schuldig, ze voelen zich toch in de eerste plaats slachtoffer - nog steeds.