LORD HAILSHAM; Een exhibitionistisch politicus

In oktober 1968 leek het grote moment aangebroken voor Quintin Hogg, tweede Viscount Hailsham, minister van wetenschap en technologie in de regering-Macmillan. Tijdens de partijconferentie in Blackpool werd bekend dat Macmillan zich om medische redenen zou terugtrekken als premier. En Hailsham had juist enkele dagen eerder van Macmillan te horen gekregen dat hij diens kandidaat voor de opvolging was. De situatie leek voor Hailsham gemaakt. Partijconferenties waren zijn favoriete forum: daar kwam zijn populistische stijl het best tot zijn recht. En de daar vergaderde rank and file van de Conservatieven herinnerde zich ook maar al te goed hoe Hailsham als voorzitter de partij naar de eclatante verkiezingszege van 1959 had geleid.

Opgejut door vrienden en geestverwanten besloot Hailsham tot een dramatisch gebaar. Aan het eind van een redevoering verklaarde hij met nauwelijks ingehouden emotie afstand te zullen doen van zijn titel en als Quintin Hogg opnieuw een zetel in het Lagerhuis te zullen zoeken. Daarmee lag de weg naar de hoogste politieke functies voor hem open. In de wandelgangen werden intussen al buttons rondgedeeld met zijn initialen. Maar het was precies deze Amerikaanse manier van politiek bedrijven (die de partij in 1959 geen windeieren had gelegd), die Hogg nu de das omdeed. Het partij-establishment schrok van zoveel openlijke ambitie en viel in lichte paniek terug op Hailshams absolute tegenpool: de erkend betrouwbare, maar o zo kleurloze Lord Home.

Dit trauma is Hailsham in zekere zin nooit te boven gekomen. Niet omdat hij zo rouwig is dat hij het nooit tot premier gebracht heeft, beweert hij nu in zijn onlangs verschenen memoires A Sparrow's Flight: die baan maakt toch maar ongelukkig. Maar vooral vanwege het onjuiste beeld van zijn persoon dat aan deze afwijzing ten grondslag heeft gelegen: het imago van een showman, een branieschopper, een wat vulgaire schreeuwer die goed genoeg was om de partij aan stemmen te helpen, maar niet solide genoeg om het land te leiden. Ook al was hij dan altijd het knapste jongetje van de klas geweest, die in Eton en Oxford de hoogste prijzen had weggesleept, en al fungeerde hij jarenlang als partij-ideoloog van de Conservatieven, de grauwe partijbonzen zagen blijkbaar alleen de exhibitionist die zijn dag in Blackpool begon met een kille duik in zee, opgetuigd met snorkel en zwemvliezen en nagezeten door een legertje persfotografen.

WILDERNIS

Afgezien van zijn persoonlijke trauma beschouwt hij de gebeurtenissen van 1968 ook als een tragedie voor de partij. Het is al vaker gezegd dat de keuze van Home een waterscheiding in het Engelse politieke leven is geweest en Hailsham deelt die visie ten volle. Als hijzelf (of Rab Butler) premier was geworden zouden de Conservatieven de verkiezingen van 1964 zeker niet hebben verloren. Labour zou dan zijn vierde achtereenvolgende nederlaag hebben geleden en daarmee, aldus Hailsham, definitief de wildernis zijn ingestuurd. Harold Wilson zou nooit de kans hebben gekregen zijn ongeevenaarde tactische talenten aan te wenden voor het herstel van Labour en het Engelse politieke landschap zou er heel anders hebben uitgezien. De verhoudingen zouden minder zijn gepolariseerd en de scherpe reactie in de vorm van de Thatcher-revolutie van de jaren tachtig was niet nodig geweest. Hiermee bevestigt Hailsham en passant dat hij zeker geen volbloed-Thatcherite is geweest wie van Thatchers ministers, afgezien van een notoir handjevol, is dat trouwens wel, vraag je je soms af maar altijd een typische consensus-Conservatief uit de periode Butler-Macmillan is gebleven.

Hailshams politieke faam berust, zo blijkt uit deze memoires, eigenlijk maar op een paar momenten. De mislukte greep naar het leiderschap uit 1963, de verkiezingen van 1959 en, veel eerder, zijn entree in de politiek in 1938 bij een tussentijdse verkiezing in Oxford. Omdat die campagne werd gevoerd over de vraag pro of contra appeasement was Hogg op slag een nationale beroemdheid. Hij stelde zich vierkant achter Chamberlain die net uit Munchen was teruggekeerd met de belofte 'peace for our time'. Tegenover zich vond hij een Volksfrontkandidaat die hem attaqueerde met de leus 'A vote for Hogg is a vote for Hitler'. Zijn tegenstander werd ook gesteund door een aantal dissidente Conservatieven, onder wie Harold Macmillan en de jonge student Edward Heath. Hogg won overigens.

Na die spectaculaire entree in de politieke arena bleef het lange tijd stil rond Hogg. Sinds zijn vader in 1928 een peerage aanvaardde, had hij zich er in feite al bij neergelegd dat hij nooit de politieke top zou kunnen bereiken. Pas in 1968 zou immers, dank zij de hardnekkige campagne van de Labour-politicus Tony Benn (Lord Stansgate), de mogelijkheid worden gecreeerd om afstand te doen van een erfelijke titel. Hogg concentreerde zich na de oorlog op een juridische loopbaan, maar werd onverwacht in 1956 toch in de regering gehaald, als onderminister van marine, uitgerekend op het moment dat de Suez-crisis losbrak. Hij was toen echter nog zo onbelangrijk dat hij buiten alle plannen voor deze militaire operatie werd gehouden. En al na vier maanden werd hij weggepromoveerd naar onderwijs, toen Macmillan tot zijn schrik had gemerkt dat Hailsham oorlogsschepen wilde gaan bouwen. Ook toen hij in 1957 lid van het kabinet was geworden, bleef hij een man van het tweede plan, zij het dat Macmillan hem na zijn succes als partijvoorzitter wel belastte met enkele speciale opdrachten, zoals een missie naar Moskou om met Chroesjtsjov te onderhandelen over een verbod op kernproeven.

TUSSENPAUS

Voor zijn echec van 1963 stelt Hogg twee boemannen verantwoordelijk. Macmillan natuurlijk, die hem na de aanvankelijk gewekte verwachtingen liet vallen als een baksteen, maar ook coming man Edward Heath die hij ervan verdenkt Lord Home als tussenpaus naar voren te hebben geschoven om zelf later de leiding over te nemen. Het wachten is op de memoires van Heath om te horen wat hij van deze visie vindt.

Tijdens het oppositieleiderschap van Heath kreeg Hogg de schaduwportefeuille van binnenlandse zaken. Toen Heath echter in 1970 aan de regering kwam, werd Hogg geen Home Secretary. Hij werd nu definitief weggepromoveerd naar de uiteraard eervolle functie van Lord Chancellor (voorzitter van het Hogerhuis en hoofd van de rechterlijke macht), die echter wel het einde van zijn rol in de actieve politiek betekende. Twaalf jaar lang zowel onder Heath als onder Thatcher bekleedde Hogg, nu opnieuw Lord Hailsham geheten, deze functie, tot zijn pensionering in 1987. Het was zeker een passende bekroning voor een dubbele carriere in het recht en in de politiek, waarmee hij bovendien en dat was voor hem heel belangrijk in de voetsporen trad van zijn vereerde vader.

Tot zover Hailshams politieke loopbaan waarin onwillekeurig de ketelmuziek meer aandacht trekt dan tastbare bestuurlijke prestaties. Opvallend aan deze herinneringen is vooral dat het politieke bedrijf Hailsham kennelijk niet zo heel veel kan schelen. De law was hem eigenlijk liever, zegt hij achteraf, en wat hij als Lord Chancellor ook bij voorkeur deed was rechtspreken samen met de law lords. In dit boek heeft hij opgeschreven op wat hij zich toevallig van zijn leven herinnert. Hij heeft niets nageslagen of nagevraagd. Aan het resultaat is dat ook wel te merken. Hogg heeft aan historici trouwens een broertje dood. Als Lord Chancellor droeg hij de verantwoordelijkheid voor het archiefwezen, en als het alleen aan hem gelegen had zou hij nog heel wat meer dan de negenennegentig procent van de overheidsstukken die toch al gepulpt worden, naar de papiermolen hebben verwezen.

Aan roddelen, vaak het aardigste (en voor historici bruikbaarste) onderdeel van een autobiografie, doet Hailsham niet mee. Voor dagboekschrijvers als Richard Crossman heeft hij een diepe minachting. Het weergeven van persoonlijke gesprekken, ook als die een halve eeuw geleden hebben plaatsgevonden, beschouwt hij als not done. De terechte vertrouwelijkheid van het contact tussen een advocaat en zijn client transponeert hij blijkbaar zonder nadenken op de publieke en politieke sfeer. Maar dan zal hij ook vrede moeten hebben met de kritiek dat dit boek, van iemand die er prat op gaat alle Britse premiers vanaf Balfour persoonlijk gekend te hebben en die in alle Conservatieve kabinetten tussen 1957 en 1987 heeft gezeten, wel heel weinig nieuws bevat. Voor de periode Macmillan (die we echter uit andere bron al goed kennen) valt het nog mee, maar over de regeringen van Heath en Thatcher vertelt Hailsham vrijwel niets bijzonders.

SCHAAMTELOOS

Hoe slaagt hij er dan toch in vierhonderdvijftig bladzijden vol te schijven? Vooral omdat hij geheel vervuld is van zichzelf en ook zeer ingenomen met zichzelf. Maar zelden is hij bereid een ooit vertolkt standpunt terug te nemen. Eerder neemt hij nog eens de gelegenheid te baat zijn eigen gelijk (bijvoorbeeld dat van 1938) te herhalen. Hij is een man van uitgesproken opinies. Zo verdedigt hij met bijna schaamteloze eenzijdigheid het Engelse schoolstelsel (waarin ongelijke kansen tot systeem verheven zijn) en de bestaande organisatie van de advocatuur (die volgens vrijwel ieder ander tot ongerechtvaardigde bevoordeling van de barristers, zijn eigen beroepsgroep, leidt). Met dit alles is dit boek overigens wel een echt egodocument geworden. Hoe weinig hij ook kwijt wil over anderen (die hem waarschijnlijk ook niet echt interesseren), wat zichzelf betreft, kent Hailsham geen valse schaamte. Hij schrijft uitvoerig en aangrijpend over de grote tragedies in zijn prive-leven: de dood van zijn moeder, zijn halfbroer Edward en vooral zijn tweede vrouw Mary. Authentiek en ongeveinsd is zijn verering van zijn vader. Hij geneert zich ook niet om te vertellen hoe hij, onverwacht thuiskomend na twee jaar oorlog, zijn eerste vrouw aantrof in gezelschap van een Franse officier, met wie ze kort daarop vertrok. Overigens is hij ook malicieus genoeg om te suggereren dat ze verder maar weinig plezier meer in haar leven heeft gehad.

Juist dit soort verhalen verraden weer Hailshams penchant voor exhibitionisme. Hij kan het niet helpen. En dat is dan toch weer het aardige van dit boek: iemand die een hekel heeft aan onthullingen, geeft van zichzelf een onthullend beeld. Hailsham ervaart zijn leven ervaart als een grote egotrip, en dit zelfportret heeft onbedoeld het karakter gekregen van een karikatuur, waarin al zijn excentriciteiten nog eens extra zijn uitvergroot. N. C. F. van Sas is verbonden aan de Vakgroep Moderne en Theoretische Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam