Jeugd vormt een donkere wolk aan de horizon; Oman een beetjeverliefd op zijn sultan

MUSCAT, 10 nov. 'Our lovely sultan', zegt de hoofdredacteur van de Arabisch-talige krant Oman tegen zichzelf en hij glimlacht.

Veel van de 1,5 miljoen Omaniers zijn, net als hij, een beetje verliefd op hun sultan. Zijne Majesteit niet zomaar Qaboos of HM (His Majesty) als ze in de Verenigde Staten hebben gestudeerd en dat ook willen weten.

De hoofdredacteur dateert van ruim voor 1970. Op 23 juli van dat jaar nam de in Engeland opgeleide Qaboos bin Said al Said de macht over van zijn aartsreactionaire vader. Volgens de Omaanse lezing gebeurde dat omdat de koninklijke familie vond dat het zo niet verder kon, maar in werkelijkheid speelde de Britse regering, die toen nog een doorslaggevende invloed uitoefende, een belangrijke rol bij de machtswisseling. Over acht dagen viert Oman op de 50ste verjaardag van de sultan zijn 20-jarig jubileum, zijn dynastie is volgend jaar 250 jaar oud.

Sultan Said bin Taimur, geconfronteerd met opstandige stammen en de nodige buitenlandse inmenging, had zijn land met ferme hand in de Middeleeuwen gehouden. De stadspoorten van de hoofdstad Muscat gingen nog elke nacht op slot, en wie niet op tijd binnen was moest maar buiten wachten. Er waren reisbeperkingen: wie in het binnenland woonde mocht niet naar de kust en omgekeerd. De sultan hield alles nauwkeurig in de gaten vanuit de zuidelijke stad Salalah in Muscat kwam hij na 1958 niet meer. Hij bepaalde persoonlijk wie een auto of een boot mocht kopen of een fietsvergunning kreeg. Zelfs voor de aanschaf van een bril was zijn instemming nodig. Toen aan het eind van zijn bewind de olie-inkomsten begonnen binnen te stromen, besteedde hij die niet aan de ontwikkeling van het intussen hopeloos achtergebleven land, maar aan defensie. Oman telde in 1970 slechts tien kilometer weg, twee ziekenhuisjes en drie lagere scholen. Geen wonder dat iedereen die daartoe in staat was probeerde het land uit te komen, legaal of illegaal, of zijn kinderen naar het buitenland stuurde.

Een week na zijn machtsgreep in Salalah de oude sultan werd naar Engeland in ballingschap gestuurd, waar hij in 1972 stierf reisde Qaboos per vliegtuig naar Muscat. De stad was tegelijk met het in de tweede helft van de 19de eeuw ingezette verval van Oman langzaam leeggelopen, van zo'n 50.000 inwoners tot niet veel meer dan 5.000 in 1970. Die kwamen bijna allemaal naar het vliegveld. 'De mensen renden mee met de auto waarin Zijne Majesteit naar het centrum van de stad reed', herinnert de hoofdredacteur zich. 'Daar opende hij de gevangenis en iedereen kwam naar buiten.'

'Ik heb met groeiende ontzetting en toenemende woede toegekeken hoe werd nagelaten de nieuw-gevonden rijkdom van dit land te gebruiken voor de behoeften van het volk. Daarom heb ik de macht overgenomen', zei de nieuwe sultan na zijn aantreden. 'De dag van gisteren was donker maar met Gods hulp zal morgen een schitterende dag aanbreken.'

En dat gebeurde. Defensie bleef een belangrijke post op de begroting, onder andere omdat de opstand in Dhofar, die van buitenaf was aangestookt maar ook was aangewakkerd door het reactionaire bewind van de oude sultan, pas in 1975 definitief werd onderdrukt. Tegelijk echter werd veel geld gestoken in onderwijs, gezondheidszorg en de opbouw van een infrastructuur.

Twintig jaar later is bijna het hele land geelektrificeerd. Negentig tot vijfennegentig procent van de kinderen volgt onderwijs. Er zijn drie kranten in januari komt een vierde uit en er is radio en televisie: tot 1970 ontbrak dit allemaal. In alle belangrijke bevolkingscentra zijn ziekenhuizen, en verafgelegen gemeenschappen worden bezocht door mobiele gezondheidsteams. Het ziet er allemaal piekfijn uit. Zelfs de vluchtstrook van de vier-baanswegen door Muscat wordt netjes gebezemd.

Geen wolkenkrabbers

Het is in belangrijke mate het werk van de sultan, die door de Omaniers, maar ook door de buitenlanders die hier in groten getale aanwezig zijn (in alle sectoren: de Britse commandanten van vloot en luchtmacht zijn pas deze zomer vertrokken), op handen wordt gedragen. Met het oliegeld wordt Oman op voortvarende wijze gemoderniseerd, maar daarbij worden de fouten van de buurlanden in de gaten gehouden. Dat wil niet alleen zeggen dat er geen bos van wolkenkrabbers in Oman groeit en dat men niets ziet in een imitatie van de snelle industrialiseringspolitiek van andere Arabische landen, met die nadruk op zware of petrochemische industrie, maar ook dat de sultan zorgvuldig de oude tribale tradities in stand laat.

Oman is geen parlementaire democratie het heeft geen politieke partijen of een oppositie en in de kranten wordt slechts opbouwende kritiek geleverd. Het is een van die conservatieve monarchieen waarover in het Amerikaanse Congres ongemakkelijke vragen worden gesteld: is het wel gewenst dat Washington in de Golfcrisis dat soort staten steunt?

Inderdaad, deze sultan heeft niet minder macht dan zijn vader: zijn beleid komt meer overeen met de wensen van zijn bevolking. Er rijdt hier nauwelijks een Rolls Royce de sultan houdt niet van Rolls Royces. En de aardige houten rasterwerken die overal aan gebouwen zijn bevestigd, verhullen de air-conditioning die de sultan zo lelijk naar buiten vond steken. De sultan heeft gedecreteerd dat alle bouwplannen aan een schoonheidscommissie moeten worden voorgelegd. Hij kon de produkten van de eerste bouwwoede na 1970 Spaans of Frans georienteerd niet waarderen en bepaalde dat voortaan alles in traditioneel Omaans-islamitische stijl moest worden gebouwd. Als een gebouw hem toch niet bevalt, laat hij het afbreken.

Maar de bevolking heeft wel degelijk inspraak. Er is de Staatsadviesraad, waarvan de 55 benoemde leden advies moeten uitbrengen over economische en sociale aangelegenheden. De raad stuurt vertegenwoordigers uit naar alle delen van het land om de wensen van de bevolking te peilen, en klopt vervolgens aan bij de Ontwikkelingsraad, die de doelstellingen van de economische ontwikkeling bepaalt. De voorzitter van de Ontwikkelingsraad zucht als hij aan de wensen van de Adviesraad denkt.

Toegankelijk

Maar vooral is sultan Qaboos zeer toegankelijk voor de bevolking. Mensen komen naar zijn paleis toe, en hij reist voortdurend door het land, slaat hier en daar zijn tenten op en spreekt stamleiders. Eens per jaar houdt hij zijn officiele tournee door het land, dan moeten de ministers mee. Twee tot drie weken duurt die rondreis, met 200 Landrovers en de sultan zelf achter het stuur. Duizenden Omaniers komen langs waar de sultan zijn kamp opslaat om hem in een eindeloze processie eerst de hand te drukken en dan, met zijn allen zittend op de grond, wensen en klachten te uiten. Ministers worden onmiddellijk ter verantwoording geroepen: we staan voortdurend op de tenen, zegt de minister van informatie.

De combinatie van sterk centraal gezag, economische en sociale ontwikkeling en persoonlijke toegankelijkheid van de sultan heeft ervoor gezorgd dat de stammen die het sultan Said bin Taimur nog zo lastig maakten nu volledig zijn gepacificeerd. Bij een moord komt de politie langs, en het is niet meer nodig de hele vernietigende keten van bloedwraak en stammenoorlog op gang te brengen. Rooftochten om de kamelen van de andere stam te bemachtigen zijn overbodig geworden doordat de levensstandaard aanzienlijk is verhoogd. De regering wil trouwens van de hele kameel af, omdat die al het groen opeet en daardoor alleen nog een ramp is voor het milieu. De Britse reiziger Wilfred Thesiger verhaalt in zijn boek Arabian Sands over bloedwraak en rooftochten onder de stammen die hij in zijn reizen kort na de Tweede Wereldoorlog in de Omaanse woestijn tegenkomt. Thesiger is enkele jaren geleden teruggeweest in Oman: hij vond het maar niks, al die veranderingen.

Donkere wolk

Maar een donkere wolk tekent zich aan de horizon af: de jeugd.

De generatie die de tijd voor 1970 bewust heeft meegemaakt, blijft zich verwonderen over de huidige verworvenheden: gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, prachtige wegen, geen belastingen. Maar de talrijke jongeren, produkt van de geboortegolf van opluchting na de val van sultan Said, heeft het altijd goed gehad en hun verwachtingen zijn hooggespannen.

Tot dusverre is zowat de hele werklustige bevolking in de ambtenarij ondergebracht. 'Twee maanden vakantie', zegt Abdullah in Salalah tevreden, 'en de chauffeur heeft een maand.' En niet te vergeten de middag vrij en een pensioen.

Maar die banen zijn nu op 'we willen geen bureaucratie worden', zegt de minister van handel en industrie. 'Er zijn geen makkelijke baantjes meer', zegt de voorzitter van de Kamer van Koophandel. Net als andere hoogwaardigheidsbekleders erkennen zij het probleem en reiken zij de Omanisatie aan als oplossing.

De Omanisatie moet een tweesnijdend zwaard zijn. De bijna 100.000 jongeren die in de komende paar jaar op de arbeidsmarkt komen, vinden werk in de prive-sector, en maken zo Oman minder afhankelijk van de honderdduizenden gastarbeiders, die nu jaarlijks een miljard dollar naar hun vaderland overmaken. Om dat te bevorderen wordt nu onder andere een pensioenregeling ontworpen voor de particuliere sector. En verder: ze moeten gewoon, roepen de Omaanse regeerders in koor, 'er zijn geen werkloosheidsuitkeringen zoals bij u!'

'Een boom groeit niet in een nacht', heeft de sultan zelf toegegeven tegenover een Westerse waarnemer. Want zo gemakkelijk gaat het allemaal niet. 'Ze zijn psychologisch gewapend met een idee, een overheidsbaan', zegt de voorzitter van de Kamer van Koophandel. Abdullah in Salalah voorziet ook voor zijn kinderen een baan in ambtelijke sfeer, en bij voorbeeld de horeca heeft weinig bemoedigende ervaringen met jonge Omaniers die vinden dat twee maanden als ober al heel lang is en zich snel manager zien worden.

's Lands grootste particuliere werkgever, Petroleum Development Oman (PDO, waarin Shell een belang van 34 procent heeft en dat door een Shell-man wordt geleid) heeft veel betere ervaringen. Van de 4.500 personeelsleden is nu 58 procent Omanier en PDO is tevreden over hen. Het cruciale punt is de opleiding, die PDO zelf verzorgt en die de mensen motiveert. Maar middelbaar en hoger beroepsonderwijs vormen juist een groot probleem in Oman, dat er in zijn twintig jaar gewoon nog niet aan toegekomen is.

En dan, raakt de jeugd met een Japanse auto in plaats van een kameel, met een werkende vrouw in plaats van de gemaskerde echtgenote die thuis op de tien kinderen past, in een eigen huis en niet meer met de hele familie samen, niet los van de Omaanse tradities? Op de universiteit en in het middelbaar onderwijs zijn de docenten noodzakelijkerwijs buitenlanders en veel jongeren studeren in het buitenland bij gebrek aan eigen beroepsonderwijs. Zal dat allemaal uiteindelijk niet leiden tot ontwrichting van de maatschappij die de sultan zo zorgvuldig koestert?

Inderdaad, zegt de minister van handel en industrie monter. Want ook hier heeft de sultan aan gedacht. Er komt nu een leerboek uit over dit onderwerp, de Omaanse tradities worden vanaf volgend cursusjaar op school gedoceerd. 'Want als de basis niet correct is, dan zou alles fout kunnen gaan.'