Het onwrikbare schroeven en bouten ter versteviging van Nederland; Kruisgleuf, Pozidriv en Quadrex

De schroef die boort, ruimt en tapt. 1. Zelfborende, hardstalen schroef metvleugels aan het begin van de montage. 2. De schroef boort zich een weg door het hout. De vleugeltjes aande zijkanten maken het boorgat ruimer, zodat de schroefdraad vrij in het boorgat loopt. 3. Het booreind boort een gat in de stalen onderplaat. De vleugeltjes breken af en de schroefdraad tapt en draait zich vast in deonderplaat. Dit weekeinde gaan duizenden huisvaders weer verder met hun zelfopgelegde taak: de versteviging van Nederland. Planken, balkjes en platen worden met tienduizenden schroeven onwrikbaar aan elkaar en aan de muur geschroefd. Niet met de hand natuurlijk; wie een keer zo'n oplaadbare elektrische boorschroefmachine met verwisselbare schroevendraaierkopjes (bitjes) in handen heeft gehad, neemt voorgoed afscheid van de handschroevendraaier. Met dozen tegelijk vliegen die handige kruisgleufschroeven de muur in.

Jammer dus dat bij alle goede bedoelingen een groot deel van die schroeven met het verkeerde schroefbitje wordt aangedraaid. Er zijn namelijk twee soorten en meestal worden ze door elkaar gehaald: de gewone kruisgleuf (Phillips) en de Pozidriv. Ze vereisen beide een ander bitje. De gewone is in 1930 door het Engelse bedrijf Guest, Keen en Nettle (GKN) bedacht. Hij heette toen Phillips, maar sinds het patent verlopen is spreken we van kruisgleuf. Hij was vooral bedoeld voor mechanisch schroeven; de schroef is zelfcentrerend en de schroevendraaier wipt niet zo gemakkelijk uit de schroefkop. Dit in schrille tegenstelling tot de vanouds bekende zaaggleufschroef.

In 1963 werd de Phillips opgevolgd door de Pozidriv, die in vergelijking met zijn voorganger rechtere contactvlakken heeft; de wanden van het gat in de schroefkop zijn iets steiler. De schroevendraaier wipt er daardoor nog minder gauw uit en blijft tijdens het aandraaien rotsvast in de schroef staan; hij waggelt niet. Voorwaarde is dat we ook een Pozidriv-schroevendraaier of bitje gebruiken, de schroef kan dan in veel gevallen gewoon op het bitje worden gezet en blijft dan zitten.

Hoe Pozidrivschroeven en -draaiers te herkennen? Heel eenvoudig. De schroeven aan het sterretje dat in de kop is geslagen, de schroevendraaiers aan de Z die er ergens op moet staan. De gewone kruisgleufschroevendraaier is met een H, of niet gemerkt.

Bij Borstlap in Tilburg, Masters in Fasteners volgens de olijke ondertitel van het bedrijf, maar in ieder geval de grootste bouten- en moerengroothandel in Nederland, is de heer J. H. M. Vrinds graag bereid de ergste misverstanden over bouten en schroeven uit de weg te ruimen. Dat de zaaggleuf gaat verdwijnen gelooft hij niet. 'Het wordt wel steeds minder, maar voor spatbordschroefjes bijvoorbeeld zullen ze voorlopig nog wel worden gebruikt. Die moeten ook door gewone mensen kunnen worden vastgedraaid.'

Spatbordschroefje? Het is toch een boutje? Neen. Vrinds houdt zich aan de normen NEN 5500 en 5501 van het Nederlands Normalisatie-instituut, die anders dan Van Dale alles een bout noemen wat aan de buitenkant aangedraaid wordt (een bout met een zeskant bijvoorbeeld). Van een schroef is volgens de NEN slechts sprake als het aandraaien in de kop geschiedt. Dat is dus het geval bij een zaaggleuf, een kruisgleuf en een binnenzeskant.

De binnenzeskant is beter bekend onder de merknaam Inbusbout (van de Duitse firma Bauer en Schaurte), maar dat is natuurlijk helemaal fout. Het moet natuurlijk een Inbusschroef zijn. De binnenzeskant heeft het voordeel dat voor montage en demontage weinig ruimte is vereist en dat is bij machinebouw vaak een voordeel. Anders dan bij de buitenzeskant hoeft de sleutel er niet omheen, de daarvoor benodigde stiftsleutel gaat erin.

Met de Pozidriv stopte de vernieuwing van de aandraaivoorzieningen niet, want de Zwitserse firma SFS bracht onlangs de Quadrex op de markt. Hij wordt aangedraaid in een vierkant gat dat in de kop is uitgespaard, met een vierkant aandrijfbit. Een nog stabieler aandraaigedrag is het gevolg. Om de acceptatie enigszins te bespoedigen heeft SFS aan de hoeken van het vierkant vier kleine gleufjes uitgespaard waarin in geval van nood ook een gewone kruisgleuf-schroevendraaier in past.

Vandalen zullen deze voorziening op prijs stellen. Veel minder te spreken zijn zij over de zogeheten one-way schroeven, die door de naar twee zijden weglopende zaaggleuf wel vast, maar nooit meer los gedraaid kunnen worden. Ook de binnenzeskant-met-pinnetje, die een speciale stiftsleutel-met-gaatje vereist, maakt hun werk er niet gemakkelijker op.

Wie wel eens in een auto kijkt, zal daar steeds vaker stervormige binnen-zeskanten aantreffen: Torx-schroeven. Het is een zeskantige, meestal in de schroef aangebrachte aandraaivoorziening, die door zijn gegolfde vorm een groot contactoppervlak heeft. Robots houden van Torxen. Ze kunnen gemakkelijk op de stiftsleutel worden gezet en kunnen zeer vast worden aangedraaid. In de vliegtuigbouw tenslotte worden ook nog twaalfkanten gebruikt, op andere plaatsen nauwelijks.